Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijftiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
25 In die tijd trad een wetgeleerde naar voren
om Jezus op de proef te stellen.
Hei zei:
"Meester, wat moet ik doen
om het eeuwig leven te verwerven?"
26 Hij sprak tot hem:
"Wat staat er geschreven in de wet?
Wat leest ge daar?"
27 Hij gaf ten antwoord:
"Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart en met geheel uw ziel,
met al uw krachten en geheel uw verstand;
en uw naaste gelijk uzelf."
28 Jezus zei:
"Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven."
29 Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden,
sprak hij tot Jezus:
"En wie is dan mijn naaste?"
30 Nu nam Jezus weer het woord en zei:
"Eens viel iemand,
die op weg was van Jeruzalem naar Jericho,
in de handen van rovers.
Ze plunderden en mishandelden hem,
en toen ze aftrokken, lieten ze hem half dood liggen.
31 Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg;
hij zag hem wel,
maar liep in een boog om hem heen.
32 Zo deed ook een leviet:
hij kwam daar langs, zag hem,
maar liep in een boog om hem heen.
33 Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem;
hij zag hem en kreeg medelijden;
34 hij trad op hem toe,
goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze;
daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier,
bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
35 De volgende morgen haalde hij twee
denariën te voorschijn,
gaf ze aan de waard en zei:
"Zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden,
zal ik bij mijn terugkomst vergoeden."
36 Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn
van de man die in de handen van de rovers gevallen is?"
37 Hij antwoordde:
"Die hem barmhartigheid betoond heeft."
En Jezus sprak:
"Ga dan en doet gij evenzo."
Lucas 10,25-37

Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, mijn barmhartige Samaritaan. Hij laat mij niet liggen. Het gebed dient ervoor om inspiratie op te doen voor mijn inzet, om te weten voor wie ik mij moet inzetten en hoe. Eerst laat ik mijzelf verzorgen en genezen door Hem. Dan komt mijn hart vrij om ook van anderen te kunnen houden.

Bij de plaats van het gebed, een paar passen ervandaan, breng ik me staande zijn tegenwoordigheid te binnen, dát Hij me ziet en hóe Hij me ziet: met "medelijden". Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein in een gebaar van aanbidding.

Ik neem de houding aan van het gebed, een houding waarbij ik zelf niet beweeg en zo min mogelijk afgeleid word door het bewegen van anderen om er zo beter op te kunnen letten hoe ik inwendig bewogen word door Hem. Dat vraag ik dan ook als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. De dienst van God vraagt een totale inzet die alleen in de liefde denkbaar is.

De geschiedenis: Jezus wordt op de proef gesteld door een wetgeleerde die eigenlijk macht wil krijgen over Jezus. Maar Jezus laat zien hoe het erom gaat om zichzelf door liefde te laten overmeesteren: door een onverdeelde, hartelijke toewijding aan God en door een medelijdende liefde jegens de medemens in nood. En al onderrichtende verandert Jezus het niveau van het vraaggesprek: van het niveau van de vrijblijvende, tot niets verplichtende discussie brengt Jezus het gesprek over naar het niveau van de daadwerkelijke inzet. Het gaat niet om definities en regels over wie mijn naaste is, maar om situaties waarin een mens zich als naaste gaat gedragen: iemand ís geen naaste, maar kan het wórden door zich als naaste te gedragen.

Ik stel mij ook de plaats voor waar dit geschiedt: er staan mensen in een kring om Jezus heen, die zelf als leraar is gezeten. Uit de kring treedt er iemand naar voren, een wetgeleerde. Dat is nu op dit moment ook mijn plaats: ergens in de kring rond Jezus, innerlijk bereid om naar Hem te luisteren en van Hem te leren als van dé Meester.

Ik vraag om de bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus Jezus, mijn Heer, die zelf de gevoelens in het hart draagt jegens elke mens afzonderlijk die de barmhartige Samaritaan voelde voor het slachtoffer langs de weg naar Jericho. Ik vraag om de genade, dat mijn hart gelijkvormig mag worden aan zijn hart, vol goedheid en medelijden jegens de slachtoffers op de weg naar de hemel.

 
"In die tijd trad een wetgeleerde naar voren om Jezus op de proef te stellen. Hij zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?"

Blijkbaar gaat het eeuwige leven de wetgeleerde aan het hart. Hij gaat niet op in het hier en nu, de zorgen van alledag. Hij leeft naar een ander leven toe, het eeuwige leven, het echte leven. Mensen zeggen wel eens: och, dat eeuwige leven, dat is voor later... en daar zijn zoveel verschillende ideeën over. Ik stel me ermee tevreden met goed te zijn voor mijn medemens... enz. Maar dat eeuwige leven is niet iets van later alleen; dat begint al hier in dit leven: waar ik kies voor de liefde tot God. En deze keuze heeft alles van doen met de keuzen in mijn aardse leven. Wanneer er geen eeuwig leven bestaat, wanneer men geen verantwoording hoeft af te leggen voor de levende God, dan is het irrelevant hoe men zich gedraagt op de weg naar Jericho. Het geloof in God voert mij naar het hart van de menselijke werkelijkheid. Tenminste, wanneer het een geloof is in de God van Jezus Christus. Want goed zijn voor elkaar, geldt ook voor niet-christenen. Maar dat men bij een slachtoffer al zijn menselijke plannen moet laten varen, dat leert alleen Christus. En alleen de liefde van Christus kan iemand tot zulk een zelveloosheid motiveren.

 
"Jezus sprak tot hem: wat staat er geschreven in de wet? Wat leest ge daar?"

Onze godsdienst is een woord-godsdienst. Een woord ontsluit het innerlijk van iemand. Door het woord komt iemands binnenste naar buiten. Wij kunnen in de woorden van de Schrift het innerlijk van God leren kennen, zijn idee over het mens-zijn. Om de juiste betekenis van de woorden van de Schrift te kunnen achterhalen, moeten wij in de geest van Jezus lezen. En de geest van Jezus spreekt onfeilbaar door de kerk. Anders heeft elke ketter zijn letter. En "voor de ongelovigen ligt er een sluier over de Boodschap", omdat hun "geest zozeer door de god van deze wereld is verblind, dat zij de glans niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld is van God" (2 Kor 4,3-4).
We moeten deze woorden lezen niet los van Degene die ze sprak: onze barmhartige Samaritaan bij uitstek die juist zo handelt met elk van ons, uitgeschud als wij waren door de duivel, halfdood liggend op de weg naar het beloofde land.

 
"Hij gaf ten antwoord: Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf."

Onze levensregel in onze verhouding met God? De doorbreking van alle regels, de overschrijding van alle grenzen die onze zelfzucht zou willen stellen. God is een oceaan. Van liefde. Wie God bemint, raakt als het ware in een stroomversnelling. Hij raakt steeds verder van het huis van zijn eigen ik: "Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U" (Augustinus). Voor de liefde tot God heb ik heel mijn wezen nodig: mijn hart, dat is het middelpunt van mijn innerlijk leven en vanuit mijn hart als vanuit het middelpunt ook alle andere levensgebieden; mijn ziel, dat is de psychische kant van mijn wezen (denk aan zielkunde, dat is psychologie); mijn kracht, dat is de meer fysieke kant van mijn leven en tenslotte met mijn verstand, de intellectuele kant van mijn wezen. Paus Johannes Paulus I heeft eens gezegd: "De liefde is totalitair. Je hebt totalitaire staten. Dat is niet goed. Maar de liefde kan niet anders dan totalitair zijn." God is helemaal weg van ons.
Het eerste wat er is, het eerste gebod, is de liefde tot God en tot Jezus Christus als antwoord op zijn liefde. En de liefde van de mensen ontspringt daaraan als aan haar krachtbron. Je moet het eerste en het tweede gebod niet tegen elkaar uitspelen: als het tweede gebod toch gelijk is aan het eerste, dan hoef ik me bijvoorbeeld om het gebed niet zoveel te bekommeren. Nee, het tweede gebod blijft het tweede, niet het mindere, maar wel het tweede in volgorde van ontstaan. De liefde tot de mensen ontspringt aan de liefde tot God. Het leren kennen van God schept nieuwe krachten tot beminnen, een nieuwe openheid, een nieuwe diepte.
Door me in mijn hulpeloosheid te laten verzorgen door de barmhartige Samaritaan die Jezus is, kan ik zo iets ook opbrengen voor de stakkers langs mijn levensweg.

 
"Jezus zei: Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven."

Het komt aan op doen. Niet de beschouwing of het denken of het gevoel, de mooie ervaring. Het geloof is er niet voor om over te discussiëren of om er tot niets verplichtende beschouwingen over op te hangen. Het doen staat in dit evangelie centraal: "Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" "...doe dat en ge zult leven" ... "Die hem barmhartigheid betoond heeft. En Jezus sprak: Ga dan en doet evenzo." Maar het moet dan wel een doen zijn waarbij de mens zich geheel en al inzet en daardoor buiten zichzelf terecht komt. Het gedrag tegenover de evenmens moet een mens evengoed buiten zichzelf brengen als zijn gedrag tegenover God. Daarover gaat het gesprek verder.

 
"Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak hij tot Jezus: En wie is mijn naaste?"

In de oorspronkelijke taal (hebreeuws) heeft de stam van het woord naaste te maken met: zich met iemand inlaten, iemand vergezellen, met iemand verbonden zijn. Het hebreeuwse woord betekent dan gezel of genoot. Voor de Joden was het een vraag wie erbij hoorde en wie niet, met wie je als gezel omging en met wie niet. De vreemdelingen bijvoorbeeld hoorden daar alleen maar bij, wanneer zij besneden waren. De wetgeleerde wil graag weten wie er wel en wie er niet bij hoorde. Hij wil grenzen stellen en gaat daarbij van zichzelf uit als middelpunt. Jezus leert in de parabel om geen grenzen te stellen en niet van zichzelf uit te denken.

 
"Nu nam Jezus weer het woord en zei: Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken, lieten ze hem halfdood liggen. Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel maar liep in een boog om hem heen. Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen."

Dat priester en leviet in een boog om hem heen liepen, kan te maken hebben met hun verlangen om zich niet te verontreinigen. Aanraking van een dode betekent cultische onreinheid. Zij wensen God de verschuldigde eer te brengen. De naaste komt op de tweede plaats. Zoals in het hierna volgende evangelie van Marta en Maria ons wordt voorgehouden dat de liefde tot God niet mag lijden onder de dienst aan mensen, zo wordt ons hier een situatie verteld waarin mensen bekoord worden om ter wille van de liefde tot God het hart te sluiten voor het slachtoffer.
De vraag is: waar ligt mijn bekoring? Ben ik geneigd om af te glijden naar de Marta-rol of zit ik méér op de golflengte van priester en leviet?

 
"Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden."

Eigenlijk staat er: hij werd in zijn innerlijk door medelijden aangegrepen. Het medelijden overweldigde hem. De deernis welde onweerstaanbaar in hem op. Medelijden is een sterke innerlijke ontroering die de hele mens aangrijpt. Het goede van de Samaritaan is, dat hij zijn hart liet spreken en vervolgens handelde vanuit zijn hart en zich niet liet leiden door de vooroordelen die de verhouding tussen Joden en Samaritanen verziekten.
Priester en leviet gingen voorbij en waren daardoor oorzaak dat de halfdode zou sterven. Doordat de Samaritaan stilstaat, zijn reis onderbreekt en zijn plannen laat doorkruisen, komt er nieuw leven in de halfdode. Het nieuwe leven dat Jezus in het vooruitzicht stelt, gaat van de Samaritaan over naar de reiziger.

 
"hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende morgen haalde hij twee denaries te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg voor hem en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden."

Lukas geeft als arts een precieze omschrijving hoe hij de gewonde verzorgde: wijn om de wonden te desinfecteren, olie om ze te verzachten. Hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg, waar hij doorging met voor hem te zorgen. Hij vervolgde zijn reis niet zonder de waard instructies gegeven te hebben goed voor hem te zorgen. Alle gebaren en handelingen worden concreet en gedetailleerd weergegeven. Want daarin toont zich de echte liefde. Ik kan in het gebed proberen attenties te verzinnen voor de kleinen op mijn eigen levensweg. Maar misschien is het beter eerst Jezus aan mij zijn goede zorg te laten verrichten en daarbij te ondergaan vanuit welk gevoel Hij dat voor mij doet. Vanuit hetzelfde gevoel als waardoor de Samaritaan zich liet leiden: "Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder" (Mt 9,36). Hier kan ik tot in details nagaan wat mijn barmhartige Samaritaan allemaal voor mij heeft gedaan: het huis van de Vader verruild voor een verblijf onder de zondaars wier lasten Hij heeft gedragen tot Hij eraan bezweek enz.

 
"Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?"

De wetgeleerde had gevraagd: Wie is mijn naaste? Jezus draait de vraag om: Wie was de naaste van het slachtoffer? Bij de naastenliefde moet ik niet van mij zelf uit denken: Aan wie ben ik iets schuldig? Wie moet ik nog helpen? Het hangt niet af van een of andere verwantschapsgraad of van de sympathie die ik voel of ik iemand moet helpen, maar de hulpbehoevendheid van de ander en het gevoel van deernis dat daarbij in iemand omhoogkomt. Precies door diezelfde gevoelens heeft ook Jezus zich laten leiden in zijn reddingsactie voor ons.

 
"Hij antwoordde: Die hem barmhartigheid betoond heeft. En Jezus sprak: Ga dan en doet gij evenzo."

De wetgeleerde krijgt het woord Samaritaan niet over de lippen. Maar duidelijk is: iemand is geen naaste, maar kan het worden door zichzelf als naaste te gedragen.

Aan het einde het gebed niet bruusk afbreken, maar het laten uitlopen op dezelfde manier waarop wij een gezelschap verlaten waarmee wij enige tijd hebben doorgebracht: met gesprekjes. Met Jezus, vertrouwelijk en eerbiedig. Me door Jezus naar zijn Vader laten brengen en door Hem een goed woordje laten doen. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

De reflexie doen door bij voorkeur schriftelijk vragen te beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Waar ga ik van mijzelf uit?
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik uit mij zelf weggetrokken naar Hem toe?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?