Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 24 | "Het Rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid; |
| 25 | zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen. |
| 26 | en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien. |
| 27 | Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? |
| 28 | Dat is het werk van een vijand. De knechten zeiden tot hem: Wilt ge dan dat we het bijeengaren? |
| 29 | Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. |
| 30 | en met de oogsttijd zal ik de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden; maar slaat de tarwe op in mijn schuur." |
| Matteüs 13, 24-30 |
De geest wat laten rusten bij Hem. Hij weet raad met datgene waarmee de mensen geen raad weten. Ik zoek dus eerst contact met Hem. Dat maakt rustig.
Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet, met dezelfde blik van geduld en barmhartigheid waarmee Hij al het kwaad in de geschiedenis overziet. Ik beantwoord zijn blik met een gebaar van aanbidding.
Dan ga ik het gebed in door de gebedshouding aan te nemen,
knielend, zittend of liggend, maar niet bewegen, want het gaat
erom wat Híj in mij doet. Het gaat erom, dat ik mijn activiteit
instel op wat ik van Hem ondervind. Dat vraag ik dan ook als een
genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden
zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke
Majesteit. Zoals de knechten in deze parabel: "Wilt ge dan dat we
het bijeengaren?" Een open vraag waarop de Heer naar twee kanten
kan antwoorden: met ja of nee. Zij doen mij de juiste houding
tegenover God voor: wel een eigen mening of wil hebben (willen
bijeengaren), maar deze wil in Gods hand leggen, zodat Hij iets
anders kan willen.
Nu maak ik voorbereidingen om het geheim binnen te gaan van de
Zoon langs wie de Vader zich definitief en uitputtend wil
meedelen. Ik overzie eerst in het kort de geschiedenis: in
een serie van zeven parabels is dit de tweede. De eerste, die van
het zaad (13,1-9), ging evenals de parabels van het mosterdzaadje
(13,31-32) en van het zuurdesem (13,33) over de schijnbare
nietigheid en machteloosheid van het Woord van God in de
verkondiging van Jezus en van de kerk; deze tweede parabel in de
reeks van zeven gaat over de steen des aanstoots van Jezus'
optreden als Messias: goed en kwaad worden naast elkaar geduld.
Zolang de geschiedenis duurt. Want de scheiding komt wel tot
stand, maar alleen door God, hier voorgesteld door de engelen,
die "de slechten tussen de rechtvaardigen uitzoeken" (13,49). Het
gaat erom, dat de scheiding van de geesten alleen maar door God
mag geschieden. In een voortijdige zuivering maakt de mens zich
groter dan hij is.
Ik kan ook de inwendige geschiedenis nagaan: hoe het kwaad in
eigen omgeving mij voor de bekoring plaatst om geweld te
gebruiken of rancunes te koesteren.
Mijn geestelijke plaats: tussen goed en kwaad, in afwachting van Gods oordeel.
De bijzondere genade vragen: een innerlijke kennis van Jezus mijn Heer en van zijn eindeloos geduld, om Hem zo meer lief te hebben en Hem meer van nabij te volgen.
In die tijd hield Jezus de menigte deze gelijkenis voor:
"Het Rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed
zaad had gezaaid; maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn
vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen."
In de parabel van het onkruid en de tarwe staat het er met het Rijk Gods nog slechter voor dan in de parabel van het zaad op de akker. Daar waren het nog de gewone, natuurlijke beletselen die een goede oogst schijnen te verhinderen (distels, vogels, rotsachtige grond en hitte). Maar nu is er een regelrechte vijand in het spel met doelbewuste tegenwerking. Een vreemd verhaal, maar dat verdacht veel op de werkelijkheid begint te lijken. De wereld heeft soms meer weg van een akker met volop onkruid erop gezaaid en hier en daar een halmpje echte tarwe ertussen door. En in het eigen hart is het al niet veel anders. Ben ik bij alles wat ik bid, werk, spreek, denk en voel niet altijd zelf in het spel? Is er wel iets waarvan ik kan zeggen: dat deed ik helemaal alleen voor God? In het evangelie lijkt het kwaad wel de overhand te hebben boven het goede. Spreekt Jezus niet vlakweg van "een slecht en overspelig geslacht?" (12,39) Eenmaal noemt Hij de mensen ronduit "slecht": "Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen" (7,11); "Uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, diefstal, valse getuigenis en godslastering" (15,19). Er is geen tweedeling: in de wereld het onkruid en in de kerk het goede graan; of het onkruid bij de leken die in de wereld leven, en het goede graan in de kloosters. Als er een tweedeling bestaat dan alleen in die zin, dat er categorieën zijn die beter weten hoezeer de akker van hun eigen hart overwoekerd is door onkruid, terwijl anderen geneigd zijn het kwaad buiten zichzelf te projecteren, in de omstandigheden, in de structuren van de maatschappij, in het milieu. Het lijkt een uitzichtloze toestand! Aanleiding genoeg tot wanhoopsoplossingen.
"Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet,
was ook het onkruid te zien. Nu gingen de knechten naar hun
meester en zeiden hem: Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker
gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? Hij
antwoordde hun: Dat is het werk van een vijand. De knechten
zeiden tot hem: Wilt ge dan dat we het bijeengaren?"
Tegenover de gevaarlijke overmacht van het kwaad hebben mensen in de loop van de tijden al dikwijls deze woorden tot de hunne gemaakt: zullen we maar een scheiding van de geesten forceren? Zullen we maar een zuivering doorvoeren? Een dag van de wraak tegen de Joden, de Armeniërs, de rijken, de blanken, de kapitalisten, de christenen enz. Maar zulke woorden klinken ook vaak in het eigen hart: "Als ik de kans krijg, zal ik hem of haar betaald zetten" ... "die persoon zal er nog eens van lusten." Of: "We zullen het mes er eens inzetten!" Of: "Ik zal die of die maar eens de mantel uitvegen." Of: "Nu moet het maar eens uit zijn." "Er moet maar eens met de vuist op tafel geslagen worden." Het zijn evenzovele uitdrukkingen van ongeduld met het kwaad. In het evangelie heet dit: het onkruid bijeengaren. Maar daarvoor moet het eerst uitgerukt worden.
"Maar hij zei: Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het
onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen
opgroeien tot de oogst, en met de oogsttijd zal ik de maaiers
zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om
te verbranden; maar slaat de tarwe op in mijn schuur."
Jezus zegt hier twee dingen: 1. nu laten 2. maar dat is niet het
laatste, er komt een andere tijd. Eerst zegt Jezus, dat Hij er
niets aan wil doen. Hij toont zich onverschillig. Niet in de
geest van: ach, laat maar. Nee, in de geest van wat Hij over de
geestelijke leiders van Israël heeft gezegd: "Laat ze maar
begaan: zij zijn blinden die blinden leiden. Maar als de ene
blinde de andere leidt, vallen beiden in de kuil" (15,14). Dat
is een positieve houding. Want het is geen gevoelloze
onverschilligheid waarbij het iemand allemaal niets kan schelen.
Dat zou erop neerkomen dat men het tussen goed en kwaad, tussen
onkruid en tarwe, niet van belang vindt. In een houding van
permissiviteit, alles maar goed vinden. Alsof er alleen maar
verschil van mening zou zijn tussen verschillende richtingen die
elk hun goed recht zouden hebben. De parabel zou ons dan
verbieden een oordeel te hebben over wat onkruid is, terwijl de
parabel juist veronderstelt dat wij heel goed weten wat tarwe en
wat onkruid is. Wat de parabel echter verbiedt is niet dat wij
goed en kwaad onderscheiden, maar dat wij goeden en kwaden
scheiden. Niet het oordeel wordt verboden, maar de definitieve
veroordeling.
De gelatenheid van Jezus is een positieve houding, omdat Hij
haar laat volgen door een tweede tijd waarin de scheiding der
geesten wel voltrokken wordt: "de oogst", "de oogsttijd", wanneer
tot de maaiers - en dat zijn volgens de uitleg de engelen - het
onkruid van de tarwe zullen scheiden. Maar dit geschiedt buiten
de grenspalen van de geschiedenis, waar de mens alle macht uit
handen moet geven aan God.
Ik zou nu kunnen proberen het kwaad om mij heen en in mij zelf,
het grote en het kleine kwaad, met andere ogen te zien, met de
ogen van Jezus. Want Hij weet ervan; Hij weet van de macht van
het kwaad nog veel beter dan ik. Maar Hij heeft ook een blik op
de toekomst, het oordeel. Hij heeft goede hoop. Hij voorziet een
goede afloop, een happy end van het drama van de menselijke
geschiedenis. Geweld komt altijd voort uit gebrek aan hoop. Dan
gaat men het recht in eigen hand nemen.
Aan het eind gesprekken voeren: met Jezus als vriend tot vriend of zoals knechten tot hun "meester". Dan me door Jezus naar zijn Vader laten brengen in "wiens koninkrijk de rechtvaardigen zullen schitteren als de zon" (13,42).
Dan wat afstand nemen, zodat ik beter kan onderscheiden. Want
daartoe dient de reflexie: