Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zestiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
38 In die tijd kwam Jezus in een dorp,
en een vrouw die Marta heette,
ontving Hem in haar woning.
39 Ze had een zuster, Maria die
- gezeten aan de voeten van de Heer -
luisterde naar zijn woorden.
40 Marta werd in beslag genomen
door de drukte van het bedienen.
maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei:
"Heer, laat het u onverschillig
dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?
Zeg haar dan dat ze mij moet helpen."
41 De Heer gaf haar ten antwoord:
"Marta, Marta,
wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.
342 Slechts één ding is nodig.
Maria heeft het beste deel gekozen
en het zal haar niet ontnomen worden."
Lucas 10,38-42

Het begin van het gebed ligt buiten het begin. Het is van belang om met het gebed bezig te zijn, nog vóórdat je begint te bidden. Gebed is allereerst een kwestie van mentaliteit, van instelling. Wil ik kunnen bidden, dan moet mijn geest ingesteld zijn op ontvankelijkheid. Daarom eerst de geest laten rusten bij Hem. Zoals Maria deed. In het gebed moet ik vooral luisteren, dat wil zeggen van Hem iets verwachten.

Enkele passen voor de plaats waar ik ga bidden, even stil blijven staan, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet. Hij is al op weg naar mij, zoals Jezus op weg naar Marta en Maria. Eigenlijk kómt Hij niet, want Hij gaat nooit van mij weg. Ik ben het die van Hem weggaat. In die blijvende aandacht van Hem een ogenblik verwijlen. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem die hét Woord is.

Ingaan in het gebed, liggend, zittend of geknield, in de houding waarin ik vermoed het beste te kunnen volharden in die openheid voor Hem. Dit vraag ik dan ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dus niet zomaar willen dienen, maar altijd "in dienst van zijn goddelijke Majesteit".

Ik breng me de geschiedenis te binnen: dit evangelie maakt deel uit van een twee-luik. Dat van de barmhartige Samaritaan diende als illustratie van het tweede gebod. Dit evangelie dient als illustratie van het eerste gebod. Het zorgen in dienst van de naaste wordt dus niet afgekeurd, wel de manier van zorgen, de zorgelijkheid die iets anders in verdrukking brengt, namelijk de openheid voor Jezus.

De plaats: een huis onderweg en dan in het huis een rustpunt: Jezus en Maria aan zijn voeten; en daaromheen heen en weer draaiend: Marta. In de kerk zijn die beide rollen geïnstitutionaliseerd in het contemplatieve en het actieve leven. Ook elk mens heeft de beide mogelijkheden in zichzelf. In onze Westerse maatschappij is het contemplatieve vermogen zwaar onderontwikkeld.

Ik vraag om de bijzondere genade: een innerlijke kennis van de Heer, zodat ik enigszins kan aanvoelen wat er zich heeft afgespeeld tussen Jezus en Maria en hoe zij zijn woorden heeft ingedronken.

 
"Op hun tocht kwam Hij in een dorp, waar een vrouw, die Marta heette, Hem in haar woning ontving."

Jezus is op reis. Op reis naar Jeruzalem. De stad van lijden en dood. Het is die totale offerbereidheid van Jezus waardoor Hij voor ons de dood wil ingaan, die zo'n magische kracht op Maria heeft uitgeoefend. Dat Maria inderdaad die offerliefde van Jezus' Hart heeft aangevoeld, blijkt ook uit het verkwistende gebaar van de zalving met de kostbare nardusbalsem. De verkwistende liefde van Jezus' Hart wordt met een verkwistend gebaar terugbetaald. Maar ook toen was er geen begrip voor het gedrag van Maria.

 
"Ze had een zuster, Maria die - gezeten aan de voeten van de Heer - luisterde naar zijn woorden."

Een tafereel om lang naar te kijken. Jezus spreekt Maria toe. Maria luistert. Uit Jezus' mond vloeien woorden vol van genade (4,22). Zoals de Schrift zegt: "Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien" (Joh 7,38). Maria drinkt zijn woorden in. Al zou zij zich de preciese inhoud van zijn woorden niet herinneren, zij zou steeds weer warm en verzadigd worden vanwege de weldadige, hartverwarmende liefde van Jezus' Hart. Maria vertegenwoordigt in de kerk de liefde: kleine dingen doen met een groot hart. Wie moet hier niet denken aan die andere Maria: "Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf" (2,19); "Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart" (2,51). Jezus geeft het ons als ons aller opdracht: "Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid" (8,15); "Hij sprak: Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden" (11,28).

 
"Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen, maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei: Heer laat het U onverschillig dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan dat ze mij moet helpen."

Het serene tafereel wordt verstoord. Marta heeft zich geërgerd. Terwijl zij almaar bedrijvig heen en weer loopt, blijft ze abrupt bij Jezus staan. Blijkbaar is de maat van de ergernis ineens vol. Dat zij geïrriteerd is, blijkt ook uit de manier waarop zij het over Maria heeft: niet als Maria, maar: "mijn zuster". Haar emotie komt ook daarin tot uiting, dat zij na haar vraag niet eens het antwoord van Jezus afwacht, maar meteen doordraaft naar waar het haar om begonnen is: "Zeg haar dan dat ze mij moet helpen."
Letterlijk staat er: "Heer, baart het U geen zorg, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?" Marta is geprikkeld over Jezus' schijnbare onbekommerdheid over Maria's roerloosheid. Dat komt meer voor, dat Jezus zich zorgeloos toont in situaties waarin mensen zich druk maken. Het bootje (dat is ook de kerk) wordt door de storm bedreigd. En Jezus ligt rustig op het kussen te slapen! Ook dan krijgt Hij een verwijt te horen over zijn zorgeloosheid: "Meester, raakt het U niet, dat wij vergaan?" (Mc 4,38). Letterlijk: "Is het U geen zorg?" De ene keer irriteren wij ons aan Hem. De andere keer bewonderen wij Jezus' vrijheid: "Meester, wij weten, dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; en Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen" (Mt 22,15-16). Letterlijk: "Niemand zal U een zorg zijn." Het zal Hem een zorg zijn wat ze van Hem vinden. Ook Maria is op dit moment een toonbeeld van heilige zorgeloosheid. Dat is Theresia van Lisieux al eens opgevallen: "Wij vinden in het evangelie niet vermeld, dat Maria zich verontschuldigde, toen haar zuster haar verweet aan Jezus' voeten te blijven zitten zonder iets uit te voeren. Zij zei niet: Ach Marta! als je eens wist hoe heerlijk ik het hier heb, als je eens wist wat ik hier allemaal hoor! En Jezus heeft me trouwens zelf gezegd om hier te blijven. Nee, zij zweeg liever. Wat een weldadige stilte die echte rust geeft aan de ziel."
Jezus leert ons een heilige zorgeloosheid over eten, drinken, kleding: "Weest niet bezorgd", niet "tobben", "maakt u geen zorgen", "maakt u dus niet bezorgd". We mogen ons niet eens zorgen maken over hoe we zullen getuigen over Hem: "Wanneer men u brengt voor synagogen, overheden en machthebbers, maakt u dan niet bezorgd over het hoe of wat van uw antwoord ter verdediging: op dat ogenblik zal de heilige Geest u leren wat gij moet zeggen" (12,11-12). Juist het onbekommerde van de natuur zegt ons veel meer over de grootheid van God dan het drukke zorgen en nijveren: "Wanneer ik door de velden ga en zon en hemel gade sla, dan weet ik, Heer, hoe groot Gij zijt en buig mij voor uw Majesteit."
Mogen wij dan niet meer zorgen? Moeten wij dan Gods water maar over Gods akker laten lopen en de boel de boel laten? Nee, natuurlijk niet. Maar blijkbaar kan onze zorgelijkheid ons gemakkelijk doen afstompen voor God: "Die gezaaid werden tussen de distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vrucht" (Mt 13,22). Zorgen kunnen ons afstompen. Ze worden op één lijn gezet met de "roes van dronkenschap": "Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens" (21,34).

 
"De Heer gaf haar ten antwoord: Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en het zal haar niet ontnomen worden."

Tegenover het afstandelijke "mijn zuster" van Marta, spreekt Jezus haar tweemaal met haar eigen naam toe. Tweemaal om het gemis van Maria's naam goed te maken? In elk geval klinkt er genegenheid in door. Jezus keurt haar bedrijvig bedienen niet af. Dat moest gewoon. Alleen toen zij Jezus wilde inschakelen om Maria's houding te diskwalificeren en haar te dwingen haar te helpen, wordt zij vriendelijk door Jezus vermaand: als de Marta's met hun diensten voorbijgaan aan het woord van Jezus en zich geen tijd meer gunnen om te gaan 'zitten' en te luisteren, dan gaan zij voorbij aan het ene nodige, het beste deel. Het beste deel is de beste portie waarmee de gastheer in het oosten zijn gasten pleegt te tracteren. Dit evangelie leert ons, dat we niet zó moeten leven en zorgen alsof er geen God is, alsof God ook niet zorgt, alsof Jezus niet de gastheer is die dagelijks met zijn beste portie voor ons klaar staat.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus, met weinig of helemaal geen woorden zoals Maria. Me door Jezus naar de Vader laten brengen, want het is de Vader die Jezus op discrete wijze vermeldt in het gebruik van het passief: "het zal haar niet ontnomen worden", namelijk door de Vader. Een Onze Vader bidden.

De vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Dat kan zijn doordat ik teveel opging in zorgen en gedoe, uit bezorgdheid voor mezelf, wat ze van me vinden enz.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar maakte ik de ervaring door van Maria.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Die duurzame gevoelens die blijven, nadat ik er zelf mee opgehouden heb om me moeite te geven, geven aan wat Jezus aan Maria beloofde: "het zal haar niet ontnomen worden".