Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zeventiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot de menigte:
44 "Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat,
verborgen in een akker.
Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer,
en in zijn blijdschap
ging hij alles te gelde maken wat hij bezat
en kocht die akker.
45 Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman,
op zoek naar mooie parels.
46 Toen hij een parel van grote waarde had gevonden,
ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.
47 Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een sleepnet
dat in zee geworpen,
vissen van allerlei soorten bijeenbracht.
48 Toen het vol was, trok men het op het strand;
men zette zich neer om de goede vissen uit te zoeken
en in manden te doen;
de slechte echter werden weggeworpen.
49 Zo zal het ook gaan op het einde van de wereld:
de engelen zullen uittrekken
om de slechten tussen de rechtvaardigen uit te zoeken
50 en in de vuuroven te werpen.
Daar zal geween zijn en tandengeknars.
51 Hebt gij dit alles begrepen?"
Zij antwoordden Hem: "Ja."
52 Hij zei hun:
"Daarom is iedere schriftgeleerde
die onderwezen is in het Rijk der hemelen,
gelijk aan een huisvader
die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn haalt."
Matteüs 13, 44-52

Alles laten vallen, zoals de man deed die een schat vond in de akker die hij aan het omspitten was. God is het "ene nodige" (Lc 10,42). Mijn geest laten rusten bij Hem.

Bij de plaats van het gebed even afremmen om zo tot een grotere diepte te komen; staande me zijn tegenwoordigheid bewust maken. Voor mensen is Gods aanschijn een licht waarbij vergeleken alle aardse licht duisternis is; een rijkdom waarvoor mensen al hun aardse rijkdommen voor niets telden. Om mij te helpen om in dit gebedsuur te leven uit die onvergelijkelijke rijkdom van God, maak ik een gebaar van eerbied; ik maak me klein voor Hem die mij in zijn liefde wil bedenken.

Ik neem de houding aan, liggend, zittend of geknield, de houding die mij het beste helpt om mijn hart open en ontvankelijk te maken voor Hem. Ik vraag dat nu ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu mag ik nog verder gaan en me openstellen voor "de geheimen van het Rijk der hemelen", die mij onderwezen worden door Jezus zelf, de "schriftgeleerde" die als geen ander "onderwezen is in het Rijk der hemelen" (13,52). Eerst haal ik me de geschiedenis voor ogen: in een serie van zeven parabels zijn dit de laatste drie. De menigte heeft afgehaakt: "Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug" (13,36). Jezus is met zijn leerlingen alleen, aan wie "het gegeven is de geheimen van het Rijk der hemelen te kennen" (13,11). In de parabels van de schat in de akker en van de parel toont Hij ons, dat omwille van de onvergelijkelijke schat van het Rijk alle schepen achter ons verbrand moeten worden. Maar als men daar niet van onder de indruk komt en men alles bij het oude laat, als men zich niet bekeert, dan wil Jezus ons met de laatste parabel van het visnet met goede en slechte vissen uit de droom helpen: laat U zich niet bedriegen! Geloof maar niet dat het zo blijven zal! Eens zal het er toch van komen! Tenslotte een woord ter afsluiting van het parabelonderricht aan het adres van de leerlingen en dus ook aan ons.

Het valt gemakkelijker contact met Jezus te houden, wanneer ik me de plaats voorstel waar dit gebeurde: ergens aan de oever van het meer van Galilea (13,1-3). En ook mijn eigen geestelijke plaats zien: enerzijds verdeeld tussen de rijkdommen van de aarde en die van de hemel, en van de andere kant in een wereld waarin het kwade ongestraft zijn gang lijkt te gaan.

Tenslotte vraag ik om de bijzondere genade van een innerlijke kennis van Christus de Heer, dat ik erdoor gemotiveerd word om voor Hem alles eraan te geven, om aan Hem hoogste voorrang te geven.

 
In die tijd zei Jezus tot de menigte: "Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker. Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer, en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker."

Het gaat om een arme man die alles wat hij bezat, te gelde moest maken om die akker te kunnen kopen. Hij was een dagloner die in dienst van een ander de akker moest omspitten. Bij het omspitten stootte hij op een schat, wellicht bij een invasie door een rijk man daar verborgen en niet meer opgegraven, ofwel omdat hij was gedood ofwel omdat hij inmiddels was gestorven. De rechtsregel luidde: Wie onroerend goed verwerft, wordt tevens eigenaar van alle de daaraan verbonden roerende goederen.
Dus hij kocht die akker om zodoende eigenaar te worden van die schat. Maar om die akker te kunnen kopen moest hij wel alles te gelde maken wat hij bezat. Maar dat deed hem geen greintje pijn. Integendeel: "in zijn blijdschap". In Jezus komt het Rijk Gods nabij als een onverwachte kans. Slechts één reactie is verstandig en gepast: alles verkopen, een radicale bekering: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij" (4,17). Die schat valt ons dus niet zomaar ten deel. Het is ook niet voldoende om er veel voor over te hebben. Nee, je kunt die schat alleen krijgen, wanneer je er alles voor over hebt.

 
"Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar."

Nu gaat het niet om een arme man, maar om een rijke. Op zoek naar wat in de antieke tijd samen met goud als de grootste kostbaarheid gold: parels. Hij zocht ernaar, terwijl de dagloner er toevallig op stootte. Rijk als hij was, moest ook hij toch alles te gelde maken wat hij bezat, om die ene mooie parel te kopen. Het gaat er niet om of je veel hebt of weinig. Je moet alles weggeven wat je hebt: "Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten" (19,21). Blijkbaar hadden ook de leerlingen die schat gevonden, want ook zij hebben alles eraan gegeven: "Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen" (19,27).
Mensen kunnen rijk zijn met God. Sint Paulus getuigt ervan: hij spreekt over de rijkdom van zijn heerlijkheid (Rom 9,22-23), over de Heer die rijk is aan gaven (Rom 10,12), de onpeilbare rijkdom van de wijsheid en wetenschap Gods (Rom 11,33). Daardoor is in zijn ogen zijn hele aardse kapitaal gedevalueerd: "Maar wat voor mij winst was, ben ik om Christus' wil gaan zien als verlies. Ja nog sterker, ik beschouw alles als verlies, vergeleken bij de allesovertreffende kennis van Christus Jezus, mijn Heer. Om zijnentwil heb ik dat alles prijsgegeven. Ik beschouw het als vuilnis, als ik Christus maar mag winnen" (Fil 3,7-8).
Maar de Koning is verborgen. Zijn geheim is nog niet ontdekt. De waardepapieren van de genade zijn in de wereld niet officieel erkend. Ogenschijnlijk blijft alles bij het oude. Daarvoor heeft Jezus ook een parabel.

 
"Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een sleepnet dat in zee geworpen, vissen van allerlei soorten bijeenbracht. Toen het vol was, trok men het op het strand; men zette zich neer om de goede vissen uit te zoeken en in manden te doen; de slechte echter werden weggeworpen. Zo zal het ook gaan op het einde van de wereld: de engelen zullen uittrekken om de slechten tussen de rechtvaardigen uit te zoeken en in de vuuroven te werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars."

Vissen van allerlei soort, bruikbare of eetbare en onbruikbare, halen de vissers van het meer van Galilea met hun sleepnetten op. Zo is het ook in de kerk: goeden en slechten leven er bijeen. Er wordt geen scheiding doorgevoerd. Geen ideale kerk, geen ideale gemeenschap. Wij worden uitgenodigd ons met de werkelijke kerk te verzoenen. Maar zonder dat aan het ideaal iets wordt afgedaan. Dat is tot de vurigen gezegd, ter geruststelling: God komt op voor de waarden die jullie zo hoog hebben. Maar dat is ook gezegd tot de slappen die in de grijsheid van het heden een alibi zien om zich niet te bekeren. Deze parabel zegt: denk maar niet dat het zo blijft. Eens zullen de goeden worden beloond en de bozen gestraft. Maar dat gebeurt pas als het net "vol" is, wanneer de tijd vol is. Dus aan het einde van de tijd. De vurigen krijgen te horen: wacht maar op het laatste oordeel. De slappen: wacht maar, er hangt je wat boven het hoofd, als je je niet bekeert.

 
"Hebt gij dit alles begrepen?" Zij antwoordden Hem: "Ja." Hij zei hun: "Daarom is iedere schriftgeleerde die onderwezen is in het Rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn haalt."

Deze passage opende met een schat (13,44) en eindigt met een schat (13,52). De leerlingen zijn onderricht in het Rijk der hemelen. Zij moeten nu hun kennis ten dienste stellen van al wie verlangt te zien wat zij gezien hebben (13,17). Nieuw en oud. Het nieuwe voorop. Dat is het evangelie. Maar het nieuwe mag niet losgemaakt worden van het oude. Dat zijn "wet en profeten": "denk niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen" (5,17). Matteüs is zelf wel de schriftgeleerde die er bij uitstek in geslaagd is om oud en nieuw te verenigen.

Aan het eind de diepte van het gebed bewaren of herwinnen door gesprekjes te voeren met de leerlingen, met Jezus, de schat in de akker van onze wereld, met de Vader in de hemel die ons zijn schat heeft toevertrouwd. Een Onze Vader.

Ik neem nu wat afstand om te zien hoe het mij vergaan is. Zodoende leer ik onderscheiden wat mij ervan weerhoudt mij helemaal aan Hem te geven:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen wijzen mij de weg naar de dingen die ik niet los wil laten. Ik kan er gewoon niet van afblijven, zelfs niet tijdens het gebed.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar kwam er mogelijk iets van die blijdschap over mij, die ontdekkingsvreugde bij het vinden van het Woord van God? Zo'n "overgrote vreugde" als de wijzen overkwam, toen zij de ster weer zagen.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Hij wil mij iets blijvends schenken, blijvend zich aan mij meedelen, niet alleen voor de luttele ogenblikken van het gebed.