Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem: "Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft." |
| 2 | "Wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, uw Naam worde geheiligd, uw Rijk kome. |
| 3 | |
| 4 | want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring." |
| 5 | "Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, |
| 6 | bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. |
| 7 | Val me niet lastig; de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het u te geven? |
| 8 | als hij niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. |
| 9 | Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. |
| 10 | wie zoekt vindt; en voor wie klopt doet men open. |
| 11 | een steen zal geven als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? |
| 12 | zal hij hem toch geen schorpioen geven? |
| 13 | goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen." |
| Lucas 11,1-13 |
De geest wat laten rusten bij Hem die Zelf midden in de storm lag te rusten in de schoot van zijn hemelse Vader en zo anderen tot geruststelling kon zijn: "Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet" (Mc 6,50).
Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, blijven stilstaan en zo staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet en over mij waakt:
"Hij zorgt dat uw voet niet struikelt,
Hij slaapt niet, die waakt over u.
Hij sluimert niet en suft niet,
die over Israël waakt.De Heer is het die u behoedt,
Hij staat als een wacht aan uw zijde" (Ps 121,3-5).
Een gebaar maken van eerbied, me klein maken ten opzichte van Hem.
De houding van het gebed aannemen, zodat ook mijn lichaam meedoet met het gebed. Door lichamelijk te bidden, bid ik pas helemaal met mijn geest. In die houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Zoals de hemelse Vader één en al betrokkenheid is op mijn leven, zo mag ik ook met mijn leven betrokken zijn op Hem, in zijn dienst.
De geschiedenis: Jezus bidt. Het zien daarvan roept bij één van zijn leerlingen het verlangen wakker om ook zo te leren bidden. Jezus voegt er nog twee gelijkenissen aan toe, die van de lastige vriend en die van kinderen tegenover hun vader, om ons vertrouwen te sterken. Het zijn twee modellen van menselijk leven en samenleven waarin er sprake is van een sterke persoonlijke betrokkenheid. Dat er zo'n betrokkenheid is bij de Vader in de hemel op elk van ons, dat is het wat Jezus er bij ons wil inbrengen.
De plaats zien waar dit zich afspeelde: het evangelie zegt "ergens", dus overal waar mensen zijn. Maar in dit gebedsonderricht krijgen de mensen door Jezus ook hun geestelijke plaats gewezen: volstrekt behoeftig en afhankelijk, volmaakt arm van geest tegenover God. Gelukkig maar, dat God alles heeft en niets liever doet dan alles te geven. Onze plaats tegenover God, zegt sint Irenaeus, is een voorraadschuur te zijn van Gods goedheid. Daarvoor is het nodig om de Vader te smeken alvorens te ontvangen en Hem te bedanken nadat wij hebben gekregen.
Ik vraag om de bijzondere genade: een innige kennis van Christus, onze Heer, zodat ik doordring in zijn grenzenloos vertrouwen op de Vader en door erin door te dringen er ook zelf deel aan krijg.
"Op een keer was Jezus ergens aan
het bidden. Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem:
Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen
geleerd heeft."
Die apostel zag Jezus bidden en toen op het gezicht van de biddende Jezus, herinnerde hij zich hoe Johannes aan zijn leerlingen geleerd had te bidden. Wil ik leren bidden, wil ik het bidden leren, dan hoef ik geen gesprekken te voeren over het gebed, een cursus te lopen in het gebed. Dan hoef ik niets anders te doen dan Jezus te zien bidden. Dus niet te gauw de vraag van die leerling overnemen, maar eerst nagaan of er in mij een verlangen, een begeerte is om te bidden. En als die begeerte er helemaal niet is, doe ik er goed aan langer naar de biddende Jezus te kijken. En als ik wél zin heb om te bidden, maar ik kan het niet, helpt het om langer erbij stil te staan hoe Jezus bad. Zoals Jezus bad, dat was werkelijk iets heel bijzonders, maar ook iets heel eenvoudigs, kinderlijk eenvoudig. Want Jezus gebruikt voor God in de hemel een kinderlijk woord: Abba!
"Hij sprak tot hen: Wanneer ge
bidt, zegt dan: Vader..."
Daarin bestaat de hele openbaring van Jezus Christus: dat
wij tot God "Vader" mogen zeggen. Wat Jezus Zelf tot God zegt,
mogen wij voortaan ook zeggen. Wij worden in Jezus' eigen unieke
verhouding tot de Vader opgenomen: "Ziet welk een liefde de Vader
heeft gegeven, dat wij kinderen van God genoemd worden; en wij
zijn het ook!" (1 Joh 3,1). Geloven is niet: aannemen, dat er
een hogere macht is. Want geloven is nu juist, dat ik me aan
iemand kan toevertrouwen bij wie ik me, als persoon helemaal
veilig weet. De volle draagwijdte van dit mysterie gaat pas voor
mij open, wanneer ik me realiseer, dat Jezus mij niet alleen de
titel "Vader" leert gebruiken. Jezus leert mij vooral om in heel
mijn gedrag God "Vader" te laten zijn. Zoals Hijzelf zich
helemaal gedraagt als kind van Vader God. Jezus is het "Onze
Vader" in eigen persoon. Hij is het levende "Onze Vader". Nog
veel meer dan uit zijn woorden, blijkt uit Jezus' levenswijze,
dat God Vader is.
Jezus noemde God zijn eigen Vader in alle omstandigheden van zijn
aardse leven, tot in het lijden en de dood toe: "Vader, als Gij
wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn
wil, maar uw wil geschiede" (22,42); "Vader, in uw handen beveel
Ik mijn geest" (23,46). Geloven is God "Vader" noemen in alle
omstandigheden van mijn leven. Als God "Vader" is, dan betekent
dat, dat ik zelf niet "vader" (of "moeder"), dat ik al mijn
"bekommernis op Hem werp", omdat ik weet dat Hij zorg voor mij
draagt (1 Petrus 5,7); dan houdt dat ook in dat ik alle mensen
zie als mijn broeders en zusters: mijn buren, kennissen,
vrienden, maar ook mijn vijanden, de vreemdelingen, mensen van
een ander geloof, van een ander ras enz.; dat ik nooit ontevreden
ben, omdat ik weet, dat God recht kan schrijven op kromme lijnen.
God als Vader vereren houdt ook in, dat ik me nooit door de
natuurlijke eigenschappen van mensen en dingen laat leiden zoals
"lief", "aardig", "sympathiek", "mooi", "verstandig",
"natuurlijk" enz. Als God echt Vader voor mij is, dan komt er bij
alles nog iets bij: of het helpt in mijn verhouding met Hem. Wie
bijvoorbeeld zijn ziekte ontvangt uit de handen van een
almachtige en algoede Vader, kan met zijn ziekte even tevreden
zijn als met zijn gezondheid.
God is een almachtige Vader, een Vader die uit alle situaties nog
wat maken kan, een Vader die wij nodig hebben in onze wereld die
volgepropt zit met menselijkerwijze gesproken vastgelopen
situaties.
"Vader, Uw Naam worde
geheiligd",
In de naam treedt het wezen van iemand naar buiten, hier
dus: God zelf. Bedoeld is in eerste instantie niet, dat wij de
naam van God heiligen door hem met eerbied te noemen, door niet
te vloeken enz. Het is God Zelf die zich zal heiligen door zich als heilig te manifesteren. Dit is een begeerte, een verlangen
van God. In het Onze Vader nodigt Jezus mij uit dit goddelijk
verlangen tot het mijne te maken. Ik loop in deze bede, evenals
in de volgende, vooruit op de definitieve, totale ontplooiing van
de goddelijke heerlijkheid.
"Uw Rijk kome."
Het Rijk van God is niet een bepaald gebied van de aarde, maar het omvat de hele aarde. In deze bede wordt God gevierd als koning over heel de aarde. Het is een bede waarin gevraagd wordt, dat God zijn heiligheid wil laten zien door zich als koning over de hele aarde te manifesteren. Nu ligt de aarde nog binnen de invloedssfeer van de duivel. Maar als kind van de Vader is de toekomstige werkelijkheid nu al volop voorwerp van mijn verlangen.
"Geef ons iedere dag ons
dagelijks brood",
Na de zogenaamde "Uw"-gebeden (Uw Naam, Uw Rijk) volgt een drietal "ons-gebeden: geef ons, vergeef ons, leid ons. Werden wij in het eerste deel door Jezus uitgenodigd om vooruit te lopen op de komende glorievolle ontplooiing van het Rijk, in het tweede deel gedragen wij ons als arme pelgrims op weg naar dat Rijk. Onderweg strekt Gods vaderlijke zorg zich over ons uit tot in de materiële dingen toe. Tenminste als wij Hem vragen voor het brood van steeds maar één dag. Wij moeten geen voorraadjes aanleggen. Dan worden wij "doe-het-zelvers".
"en vergeef ons onze zonden, want
ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is."
Bidden om vergeving houdt onverbrekelijk in, dat wij de bereidheid hebben om de verbroken relaties met medemensen te herstellen. De onderlinge barmhartigheid is een ijzeren wet in het Rijk van God. Natuurlijk gaat ons vergeven niet vooraf aan Gods vergeving. Ook kan het niet de bedoeling zijn, dat God een voorbeeld neemt aan onze onderlinge vergiffenis. Dat wij elkaar vergiffenis kunnen schenken is binnen onze eigen ervaring een teken dat God bezig is ook onze zonden te vergeven. Vergevingsgezindheid jegens de broeders en zusters is een evangelische eis, maar het is ook een genade uit de hemel.
"En leid ons niet in bekoring."
Het is natuurlijk niet God die ons in de bekoring leidt: "Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: Ik word door Gods toedoen bekoord. God brengt niemand in verzoeking, zo min als Hijzelf door het kwade kan worden bekoord. Wordt iemand bekoord, dan is het altijd door het trekken en lokken van zijn eigen begeerte. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij de zonde; en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood" (Jacobus 1,13-15). "Bekoring" is in het Oude Testament een op de proef gesteld worden door God en dus een bewijs van Gods liefde dat alleen aan de uitverkorenen ten deel viel, niet aan de zondaars: "Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde" (Gen 22,1). Het op de proef stellen dient ervoor om de mens sterk te maken zoals gebeurt in een proeftijd (noviciaat), zodat hij juist niet meer zondigt: "Mozes antwoordde: Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen: dat u zo'n ontzag voor Hem zoudt krijgen dat u niet meer zondigt" (Ex 20,20). Deze beproevingen kan een mens alleen goed doorstaan, als hij beseft, hoe zwak hij uit zichzelf is. Als hij er goed doorheen komt, dan alleen omdat God hem leidt: "leid ons niet in bekoring."
"Hij vervolgde: "Stel iemand van
u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en
zegt: Vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij is
van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te
zetten. Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: Val me niet
lastig; de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in
bed; ik kan niet opstaan om het u te geven? Ik zeg u, als hij
niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij
toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn
onbescheiden aandringen."
Voor mijn verhouding met God wordt mij hier een model aangereikt uit de sfeer van het platteland met eenvoudige, gemakkelijk te overziene sociale verhoudingen. Iedereen kent iedereen. Het huis waar wordt aangeklopt is een toenmalige ééngezinswoning waar de ene woonkamer 's avonds wordt ingericht tot slaapvertrek voor het hele gezin. De deur is dan vergrendeld met een houten sluitbalk. De vriend kreeg bezoek en heeft niets in huis om hem voor te zetten: "Vriend, leen mij drie broden." Ter grootte van een flink broodje. De gewone portie voor één mens. Zo staan wij er bij God voor: als niets-hebbers, have-nots. Wij zijn de vriend die niets hebben. En God is de vriend die heeft én die geeft. God geeft en wij krijgen. Wij hebben niets (uit onszelf) en God geeft alles. Hier is het de plaats om mijn vertrouwen in God te laten groeien: God is als een bron die zich een rivierbedding zoekt om zich in uit te storten. Ik ben die bedding.
"Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt
en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er
zal worden opengedaan. Want alwie vraagt, verkrijgt; wie zoekt,
vindt; en voor wie klopt doet men open."
Waarom vragen? God weet toch wat wij nodig hebben: "...
vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt" (Mt
6,8). Waarom kloppen? Waarom niet meteen "binnen zonder kloppen?"
Wij zijn toch als kinderen die "vrijmoedig mogen naderen tot de
troon van Gods genade" (Hebr 4,16). Vragen moeten we doen, omdat
kinderen dat nu eenmaal ook doen: "een zoon vráágt om vis" en hij
"vráágt om een ei". Dat zijn geen vragen waarop een 'nee' kan
volgen. Waarom dan toch vragen? Omdat het vragen uiting geeft
aan de afhankelijkheid waarin een kind leeft. Een kind heeft
niets uit zichzelf. Het krijgt alles. Tot en met het bestaan
zelf.
Méér dan het openleggen van een verlangen is het vragen een
openleggen van het vertrouwen. Waar de Vader op let is niet
zozeer onze nood als wel ons vertrouwen in Hem. God laat ons
wachten, niet omdat er bij Hem een tegenzin zit, maar omdat er
bij ons iets verkeerds zit. Ons vragen is veelal te zaak-gericht,
te zakelijk. We weten wel wat we vragen (ook niet altijd), maar
te weinig aan Wie we het vragen. Pas als we beter weten aan Wie
we vragen, kunnen we een genade in ontvangst nemen. Want dan
weten we ook van Wie we die genade ontvangen. En dat is nu juist
het grootste geschenk. Niet wat we krijgen, maar dat we het nota bene van God krijgen. Vragen is een religieuze daad. Het leidt
evenals het gebed tot een verdieping en een verlevendiging van
onze religieuze houding. Het maakt onze houding persoonlijk,
gericht op een Persoon, in plaats van zakelijk, gericht op een
zaak.
"Als gij dus, - ofschoon ge
slecht zijt - goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel
te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan
wie Hem erom vragen."
Ja, maar hoe dikwijls wordt het geen mooi weer, als wij daarom vragen, of om regen vragen. Of hoe dikwijls blijft de regen uit die noodzakelijk is voor de oogst, ook als de hemel bestormd wordt met gebeden? Al te dikwijls wordt een mens definitief niet gehoord. Maar waarom het gaat, wordt altijd gegeven: de heilige Geest, de geest van kindschap. Niet een gave, maar dé Gave.
Aan het eind langzaam besluiten. Vertragend eindigen door gesprekjes te voeren met Jezus, het levende "Onze Vader", vertrouwelijk als vrienden onder elkaar. Dan vraag ik Hem of Hij me opnieuw wil inleiden bij zijn Vader. Die ik vol trots nu ook míjn Vader mag noemen. Met die fierheid bij de Vader mijn hart uitstorten. Tenslotte samen met Jezus nogmaals het Onze Vader bidden.
Tenslotte een terugblik of reflexie houden waarbij ik
me afvraag hoe de heilige Geest in mij heeft gewerkt. Want: "De
Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij
kinderen zijn van God" (Rom 8,15), want "de Geest komt onze
zwakheid te hulp" ... "de Geest zelf pleit voor ons met
onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom 8,26). Al zijn de
verzuchtingen van de heilige Geest onuitsprekelijk, soms laten ze
sporen na in het bewustzijn, in de psyche en deze zijn te
noteren:
