Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Achttiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
13 In die tijd voer Jezus in een boot
naar een eenzame plek om alleen te zijn.
Maar het volk kwam dit te weten
en zij gingen Hem vanuit hun steden te voet achterna.
14 Toen Hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag,
kreeg Hij diep medelijden met hen
en Hij genas hun zieken.
15 Tegen het vallen van de avond
kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden:
"Deze plek is eenzaam en het is laat op de dag.
Stuur dus het volk weg
om in de dorpen eten te gaan kopen."
16 "Het is niet nodig dat zij weggaan , zei Jezus hun,
geeft gij hun maar te eten."
17 Doch zij antwoordden:
"Wij hebben hier niet meer dan
vijf broden en twee vissen."
18 Waarop Jezus sprak:
"Brengt die dan hier."
19 En Hij gaf opdracht
dat het volk zich zou neerzetten op het gras.
Hij nam de vijf broden en de twee vissen,
sloeg de ogen ten hemel,
en nadat Hij de zegen had uitgesproken,
brak Hij de broden, die Hij aan zijn leerlingen gaf,
en de leerlingen gaven ze weer aan het volk.
20 Allen aten tot ze verzadigd waren
en aan overgebleven brokken
haalde men nog twaalf volle korven op.
21 Het waren ongeveer vijfduizend mannen
die hadden gegeten,
vrouwen en kinderen niet meegerekend.
Matteüs 14, 13-21

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Bidden is niet: je verzadigen aan gedachten of gevoelens. Want daarmee kun je nog wel in je eigen wereld blijven zitten. Het eigenlijke van het gebed is, dat iemand uittreedt uit zijn zelfgenoegzaamheid. De hoogste vorm van gebed, de eucharistie, heeft de gestalte van een broedermaal. Elk gebed moet daar iets van hebben, ook het persoonlijke gebed. Dus eerst uittreden uit je zelf en bij Hem de geest laten rusten.

Vóór de plaats van het gebed, staande, mij zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet: met "diep medelijden" (14,14). Een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem. De houding van het gebed aannemen, zitten, liggen of knielen, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik mijn aandacht vrij maak voor hoe ik bewogen word, hoe ik genezen, gevoed en verzadigd wórd. Maar God wordt pas helemaal God voor me, wanneer ik Hem helemáál dien, met héél mijn leven. Dat vraag ik dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Dan pas breng ik me de geschiedenis voor de geest, de geschiedenis van Gods toenadering in Jezus tot ons. Dat is hier: Jezus hoort van de moord op Johannes de Doper. Hierop trekt Hij zich terug. Jezus wil alleen zijn. Maar wanneer de menigte zich opnieuw aan Hem opdringt, vergeet Hij zijn belangen en laat Hij de menigte tot zich toe.

Ik kom pas helemaal in die geschiedenis binnen, wanneer ik me de plaats voor ogen stel: "een eenzame plek" (14,13) ..."deze plek is eenzaam" (14,15), zo'n plaats als waarheen Jezus zich terugtrok, toen Hij door de duivel op de proef werd gesteld (4,1). Het is een heilshistorische situatie die levendige herinneringen oproept aan Gods liefdevol ingrijpen in het lot van zijn uitverkoren volk, toen zij van honger dreigden om te komen in de woestijn. Ik zal mij ook de situaties in mijn eigen leven te binnen brengen van menselijke onvruchtbaarheid: in contacten, werk, periodes van dorheid in het gebed.
Dan vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Hem mag leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik voortaan beter weet hoe Hij in menselijke verlatenheid mij nabij is.

 
Op dit bericht voer Jezus vandaar in een boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn.

De leerlingen van Johannes de Doper meldden aan Jezus de moord op hun meester. Op dit bericht trok Jezus zich vandaar in een boot terug naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Alleen met zijn Vader. Met Hem verwerkt Jezus dit onheilspellend gebeuren dat meteen ook zijn eigen nabije lot voor de geest brengt: "zij hebben ... naar willekeur met hem (Johannes de Doper) gehandeld, zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben" (17,12). De eenzame plaats of de woeste plaats (woestijn) is de geëigende plaats voor dit samenzijn met de Vader. Want Jezus' ziel is op dit moment een woestijn. Maar midden in menselijke ongeborgenheid bergt Hij zich in de Vader. Waar ga ik het zoeken, wanneer ik iets te verwerken krijg? Het verdere verloop van dit verhaal laat zien, dat wie het bij God gaat zoeken in de eenzaamheid, niet teleurgesteld wordt: "allen aten tot ze verzadigd waren." Bij Hem kunnen wij ons hart ophalen.

 
Maar het volk kwam dit te weten en zij gingen Hem vanuit hun steden te voet achterna. Toen Hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken.

Wanneer mensen overkomt wat met Jezus hier gebeurt, dan reageren zij gewoonlijk met irritatie of met gelatenheid waarin iets van zelfmedelijden steekt. In de trant van : "Ze kunnen je nu ook nooit eens met rust laten." Maar Jezus is anders en Hij reageert anders. De mensen verstoren zijn rust niet, maar worden in het rustgevende samenzijn van Jezus met de Vader opgenomen. Jezus laat ze bij zich komen. Hij dóet hier wat Hij elders met woorden aangeeft: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken" (11,28). Jezus heeft geen medelijden met zichzelf, maar met hen: "kreeg Hij diep medelijden met hen." Waarom eigenlijk? Jezus is een vreemde pastor, een vreemde herder. Hij ziet zijn parochianen binnenkomen, jongeren en ouderen, de vitalen en de kneusjes, de populairen die door iedereen worden geëerd, en de stillen en onsympathieken, de arbeiders en de bazen, de armen en de rijken, de zieken en de gezonden, de zwakken en de sterken. Als mensen hun hart op de rechte plaats hebben, voelen ze medelijden met de zwakken, met de kneusjes, met de zieken en de armen. Dat heeft Jezus ook: "en Hij genas hun zieken." Maar met allen had Hij medelijden, diep medelijden. Dus ook met de gezonden en de sterken, met de jongeren en de bazen, met de rijken en de machtigen. Waarom eigenlijk? Elders wordt als reden van zijn medelijden opgegeven: "Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder" (9,36).
Schapen zonder herder, dat is in bijbels taalgebruik: mensen zonder God, want God is onze herder en Jezus is de herder in zijn plaats: "Want, zegt God de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt ... Op goede weidegrond zal Ik ze weiden, het hoogland van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen ze legeren op goede plaatsen en grazen in welige weiden op de bergen van Israël. Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen, luidt de godsspraak van God de Heer" (Ez 34,11-12.14-15). Waarom

Jezus medelijden heeft met de scharen, met ons, met mij is niet op de eerste plaats een sociale, economische, fysieke of psychische nood, maar een religieuze nood, honger naar het woord van God. Zo ziet Jezus de mensen: als hongerend naar zijn woord, als hongerend naar het woord van God. Vanuit die nood roepen alle gelovigen tot God vanaf de alleroudste tijden tot nu toe: Heer, ontferm U over ons, Kyrie eleison.
Wil Jezus mij in de loop van dit gebed werkelijk kunnen voeden met zijn woord, dan moet ik me eerst de honger naar God bewust maken.

 
Tegen het vallen van de avond, kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: "Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen."

Het is heel menselijk wat de leerlingen zeggen: "Stuur het volk weg." Jezus heeft de zieken genezen, Hij heeft zijn woord verkondigd, wat zou Hij hun nog meer te bieden hebben? In Nederland heeft de kerk de katholieken geëmancipeerd; met een leger van 50.000 vrijgestelden omwille van het rijk der hemelen heeft zij de gelovigen bij de tijd gebracht; wat kan de kerk de mensen nu nog te bieden hebben? "Stuur dus het volk weg" of doe geen moeite ze nog terug te krijgen, want hier in de kerk verkeren wij op een eenzame plek. Maar het eigenlijke wat Jezus en de kerk te bieden hebben, is Jezus in eigen Persoon. Maar voordat iemand eraan toe is om in Jezus smaak te vinden omwille van Jezus alleen, niet om wat Hij geeft (genezing naar ziel en lichaam, verlichting van het verstand, aandoeningen van het gevoel in gevoelsmatige troost), maar zuiver om wat Hij is, daarvoor is een verdiept en gezuiverd geloof nodig. Geloof in de macht van Jezus om zelf in voedsel te voorzien én geloof in de macht van Jezus om - zo heeft de kerk dit wonder altijd verstaan - zichzelf als spijs aan te bieden. Dit geloof gaat altijd samen met het besef van eigen onmacht.

 
"Het is niet nodig dat zij weggaan", zei Jezus hun, "geeft gij hun maar te eten." Doch zij antwoordden: "Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen."

In de nood waaraan Jezus de mensen ziet lijden, de nood aan God, in die nood kan geen mens uitkomst verschaffen: "Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen." En als Jezus zegt: "Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft gij hun maar te eten", antwoordden zij: "Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen." In die nood schaffen ook de leerlingen geen raad. De bisschoppen en de priesters zijn als opvolgers van de apostelen in het werk van het uitdelen van het brood van Gods barmhartigheid helemaal aangewezen op Jezus. Als de priesters in de eucharistie het woord verkondigen en het Genade-Brood uitdelen, zijn ook zij helemaal aangewezen op Jezus. Zij treden enkel op als gevolmachtigden van de Heer, gemachtigd door Hem.

 
"Brengt die dan hier." En Hij gaf opdracht dat het volk zich zou neerzetten op het gras.

Als de leerlingen eenmaal hun machteloosheid te kennen hebben gegeven en Jezus crediet hebben geschonken, kan Jezus zijn gang gaan. Jezus laat de mensen zich neerzetten op het gras. Nu voelt Hij zich helemaal de herder, die zijn kudde gaat weiden "op goede weidegrond ... en ze laat grazen in welige weiden" (Ez 34,14). Herder namens God die vanouds bezongen werd als een goede Herder:

"De Heer is mijn herder, niets kom ik te kort;
Hij laat mij weiden op groene velden" (Psalm 23).
Herder namens God zijn Vader.

 
Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden, die Hij aan zijn leerlingen gaf, en de leerlingen gaven ze weer aan het volk.

Ook Jezus geeft niet uit eigen macht. Hij geeft wat Hij zelf ook krijgt, wat Hij steeds weer opnieuw van de Vader heeft gekregen. In het gebed op die eenzame plaats waar Hij alleen was, alleen met God zijn Vader, de bron van medelijden en ontferming, ontvangt Hij de barmhartigheid van God. Hij stelt God tegenwoordig. Hij breekt als het ware een gat in het gesloten menselijke samenzijn. Daar haalt Jezus het vandaan, niet van de dorpen in de omtrek.
Het brood dat Jezus geeft, is brood uit de hemel. Het is genade-brood. Zo is er in de eucharistie één lijn: van de priesters, die, evenals de leerlingen, als gevolmachtigden "aan het volk geven", wat "Hij aan hen geeft", naar Jezus die het op zijn beurt van de Vader ontvangt. Wat wij in de eucharistie ontvangen, is Gods barmhartigheid. En daarvan kunnen we eten tot verzadigings toe. Zo belooft het slot van dit verhaal.

 
Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf volle korven op. Het waren ongeveer vijfduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend.

Twaalf is het getal van het Joodse volk dat uit twaalf stammen bestond. Met andere woorden: niet alleen die menigte kan zich aan dat brood verzadigen. Er is genoeg voor heel het Joodse volk. Ja, Jezus is het brood waaraan heel de wereld zich te goed kan doen: Joden én heidenen. In de tweede wonderbare spijziging (15,29-39) zijn het vierduizend man die afkomstig zijn uit het overwegend heidense gebied van de Dekapolis. Zij worden verzadigd met de inzet van zeven broden. Na die tweede spijziging worden er zeven manden gevuld met brokken. Het getal zeven vertegenwoordigt de volheid, alle naties, de heidenen. Zoals de zeven diakens die de apostelen aanstelden.

Mij de moeilijkheden van de komende dag voor de geest halen en van de komende dagen, ja van heel mijn leven en van allen die met mij zijn in het vertrouwen dat mij in Hem voldoende kracht ter beschikking staat om in vereniging met Hem al die moeilijkheden het hoofd te bieden.

Aan het eind niet abrupt afbreken, maar langzaam, zoals men doet, wanneer men ergens te gast is geweest. Bij het afscheid richt men zich nog even persoonlijk tot de gasten en in het bijzonder tot de gastheer en de gastvrouw. Ik richt me in een gesprekje tot Jezus en stort bij Hem mijn hart uit zoals een vriend bij zijn vriend. Ten slotte ga ik naar de Vader van Jezus; in zijn handen beveel ik mijn geest. Een Onze Vader.

Tenslotte neem ik wat afstand van het gebed en denk erover na hoe het is gegaan, door de vragen van de reflexie te beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Dat is voor mij zoveel als de dorpen in de omtrek waarheen de leerlingen de menigte in de late avond weg willen sturen. Daar zoek ik verzadiging en bevrediging buiten Jezus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik door Jezus geraakt en gevoed als door het levende brood?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals er na een goede en feestelijke maaltijd een na-vreugde is.

Wonderbaarlijke Broodvermenigvuldiging