Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 13 | naar een eenzame plek om alleen te zijn. Maar het volk kwam dit te weten en zij gingen Hem vanuit hun steden te voet achterna. |
| 14 | kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken. |
| 15 | kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: "Deze plek is eenzaam en het is laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen." |
| 16 | geeft gij hun maar te eten." |
| 17 | "Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen." |
| 18 | "Brengt die dan hier." |
| 19 | dat het volk zich zou neerzetten op het gras. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden, die Hij aan zijn leerlingen gaf, en de leerlingen gaven ze weer aan het volk. |
| 20 | en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf volle korven op. |
| 21 | die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend. |
| Matteüs 14, 13-21 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Bidden is niet: je verzadigen aan gedachten of gevoelens. Want daarmee kun je nog wel in je eigen wereld blijven zitten. Het eigenlijke van het gebed is, dat iemand uittreedt uit zijn zelfgenoegzaamheid. De hoogste vorm van gebed, de eucharistie, heeft de gestalte van een broedermaal. Elk gebed moet daar iets van hebben, ook het persoonlijke gebed. Dus eerst uittreden uit je zelf en bij Hem de geest laten rusten.
Vóór de plaats van het gebed, staande, mij zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet: met "diep medelijden" (14,14). Een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem. De houding van het gebed aannemen, zitten, liggen of knielen, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik mijn aandacht vrij maak voor hoe ik bewogen word, hoe ik genezen, gevoed en verzadigd wórd. Maar God wordt pas helemaal God voor me, wanneer ik Hem helemáál dien, met héél mijn leven. Dat vraag ik dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Dan pas breng ik me de geschiedenis voor de geest, de geschiedenis van Gods toenadering in Jezus tot ons. Dat is hier: Jezus hoort van de moord op Johannes de Doper. Hierop trekt Hij zich terug. Jezus wil alleen zijn. Maar wanneer de menigte zich opnieuw aan Hem opdringt, vergeet Hij zijn belangen en laat Hij de menigte tot zich toe.
Ik kom pas helemaal in die geschiedenis binnen, wanneer ik me de
plaats voor ogen stel: "een eenzame plek" (14,13) ..."deze
plek is eenzaam" (14,15), zo'n plaats als waarheen Jezus zich
terugtrok, toen Hij door de duivel op de proef werd gesteld
(4,1). Het is een heilshistorische situatie die levendige
herinneringen oproept aan Gods liefdevol ingrijpen in het lot van
zijn uitverkoren volk, toen zij van honger dreigden om te komen
in de woestijn. Ik zal mij ook de situaties in mijn eigen leven
te binnen brengen van menselijke onvruchtbaarheid: in contacten,
werk, periodes van dorheid in het gebed.
Dan vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Hem mag leren
kennen met een innerlijke kennis, zodat ik voortaan beter weet
hoe Hij in menselijke verlatenheid mij nabij is.
Op dit bericht voer Jezus vandaar in een boot weg naar
een eenzame plaats om alleen te zijn.
De leerlingen van Johannes de Doper meldden aan Jezus de moord op hun meester. Op dit bericht trok Jezus zich vandaar in een boot terug naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Alleen met zijn Vader. Met Hem verwerkt Jezus dit onheilspellend gebeuren dat meteen ook zijn eigen nabije lot voor de geest brengt: "zij hebben ... naar willekeur met hem (Johannes de Doper) gehandeld, zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben" (17,12). De eenzame plaats of de woeste plaats (woestijn) is de geëigende plaats voor dit samenzijn met de Vader. Want Jezus' ziel is op dit moment een woestijn. Maar midden in menselijke ongeborgenheid bergt Hij zich in de Vader. Waar ga ik het zoeken, wanneer ik iets te verwerken krijg? Het verdere verloop van dit verhaal laat zien, dat wie het bij God gaat zoeken in de eenzaamheid, niet teleurgesteld wordt: "allen aten tot ze verzadigd waren." Bij Hem kunnen wij ons hart ophalen.
Maar het volk kwam dit te weten en zij gingen Hem vanuit
hun steden te voet achterna. Toen Hij bij zijn landing dan ook
een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij
genas hun zieken.
Wanneer mensen overkomt wat met Jezus hier gebeurt, dan reageren
zij gewoonlijk met irritatie of met gelatenheid waarin iets van
zelfmedelijden steekt. In de trant van : "Ze kunnen je nu ook
nooit eens met rust laten." Maar Jezus is anders en Hij reageert
anders. De mensen verstoren zijn rust niet, maar worden in het
rustgevende samenzijn van Jezus met de Vader opgenomen. Jezus
laat ze bij zich komen. Hij dóet hier wat Hij elders met woorden
aangeeft: "Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten
gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken" (11,28).
Jezus heeft geen medelijden met zichzelf, maar met hen: "kreeg
Hij diep medelijden met hen." Waarom eigenlijk? Jezus is een
vreemde pastor, een vreemde herder. Hij ziet zijn parochianen
binnenkomen, jongeren en ouderen, de vitalen en de kneusjes, de
populairen die door iedereen worden geëerd, en de stillen en
onsympathieken, de arbeiders en de bazen, de armen en de rijken,
de zieken en de gezonden, de zwakken en de sterken. Als mensen
hun hart op de rechte plaats hebben, voelen ze medelijden met de
zwakken, met de kneusjes, met de zieken en de armen. Dat heeft
Jezus ook: "en Hij genas hun zieken." Maar met allen had Hij
medelijden, diep medelijden. Dus ook met de gezonden en de
sterken, met de jongeren en de bazen, met de rijken en de
machtigen. Waarom eigenlijk? Elders wordt als reden van zijn
medelijden opgegeven: "Bij het zien van die menigte mensen werd
Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als
schapen zonder herder" (9,36).
Schapen zonder herder, dat is
in bijbels taalgebruik: mensen zonder God, want God is onze
herder en Jezus is de herder in zijn plaats: "Want, zegt God de
Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen.
Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid
zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig
terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt
... Op goede weidegrond zal Ik ze weiden, het hoogland van Israël
zal hun weideplaats zijn. Daar zullen ze legeren op goede
plaatsen en grazen in welige weiden op de bergen van Israël. Ik
zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen,
luidt de godsspraak van God de Heer" (Ez 34,11-12.14-15). Waarom
Jezus medelijden heeft met de scharen, met ons, met mij is niet
op de eerste plaats een sociale, economische, fysieke of
psychische nood, maar een religieuze nood, honger naar het woord
van God. Zo ziet Jezus de mensen: als hongerend naar zijn woord,
als hongerend naar het woord van God. Vanuit die nood roepen alle
gelovigen tot God vanaf de alleroudste tijden tot nu toe: Heer,
ontferm U over ons, Kyrie eleison.
Wil Jezus mij in de loop van dit gebed werkelijk kunnen voeden
met zijn woord, dan moet ik me eerst de honger naar God bewust
maken.
Tegen het vallen van de avond, kwamen zijn leerlingen
naar Hem toe en zeiden: "Deze plek is eenzaam en het is al laat op
de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan
kopen."
Het is heel menselijk wat de leerlingen zeggen: "Stuur het volk weg." Jezus heeft de zieken genezen, Hij heeft zijn woord verkondigd, wat zou Hij hun nog meer te bieden hebben? In Nederland heeft de kerk de katholieken geëmancipeerd; met een leger van 50.000 vrijgestelden omwille van het rijk der hemelen heeft zij de gelovigen bij de tijd gebracht; wat kan de kerk de mensen nu nog te bieden hebben? "Stuur dus het volk weg" of doe geen moeite ze nog terug te krijgen, want hier in de kerk verkeren wij op een eenzame plek. Maar het eigenlijke wat Jezus en de kerk te bieden hebben, is Jezus in eigen Persoon. Maar voordat iemand eraan toe is om in Jezus smaak te vinden omwille van Jezus alleen, niet om wat Hij geeft (genezing naar ziel en lichaam, verlichting van het verstand, aandoeningen van het gevoel in gevoelsmatige troost), maar zuiver om wat Hij is, daarvoor is een verdiept en gezuiverd geloof nodig. Geloof in de macht van Jezus om zelf in voedsel te voorzien én geloof in de macht van Jezus om - zo heeft de kerk dit wonder altijd verstaan - zichzelf als spijs aan te bieden. Dit geloof gaat altijd samen met het besef van eigen onmacht.
"Het is niet nodig dat zij weggaan", zei Jezus hun, "geeft
gij hun maar te eten." Doch zij antwoordden: "Wij hebben niet meer
dan vijf broden en twee vissen."
In de nood waaraan Jezus de mensen ziet lijden, de nood aan God, in die nood kan geen mens uitkomst verschaffen: "Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen." En als Jezus zegt: "Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft gij hun maar te eten", antwoordden zij: "Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen." In die nood schaffen ook de leerlingen geen raad. De bisschoppen en de priesters zijn als opvolgers van de apostelen in het werk van het uitdelen van het brood van Gods barmhartigheid helemaal aangewezen op Jezus. Als de priesters in de eucharistie het woord verkondigen en het Genade-Brood uitdelen, zijn ook zij helemaal aangewezen op Jezus. Zij treden enkel op als gevolmachtigden van de Heer, gemachtigd door Hem.
"Brengt die dan hier." En Hij gaf opdracht dat het volk
zich zou neerzetten op het gras.
Als de leerlingen eenmaal hun machteloosheid te kennen hebben gegeven en Jezus crediet hebben geschonken, kan Jezus zijn gang gaan. Jezus laat de mensen zich neerzetten op het gras. Nu voelt Hij zich helemaal de herder, die zijn kudde gaat weiden "op goede weidegrond ... en ze laat grazen in welige weiden" (Ez 34,14). Herder namens God die vanouds bezongen werd als een goede Herder:
"De Heer is mijn herder, niets kom ik te kort;Herder namens God zijn Vader.
Hij laat mij weiden op groene velden" (Psalm 23).
Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen
ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de
broden, die Hij aan zijn leerlingen gaf, en de leerlingen gaven
ze weer aan het volk.
Ook Jezus geeft niet uit eigen macht. Hij geeft wat Hij zelf ook
krijgt, wat Hij steeds weer opnieuw van de Vader heeft gekregen.
In het gebed op die eenzame plaats waar Hij alleen was, alleen
met God zijn Vader, de bron van medelijden en ontferming,
ontvangt Hij de barmhartigheid van God. Hij stelt God
tegenwoordig. Hij breekt als het ware een gat in het gesloten
menselijke samenzijn. Daar haalt Jezus het vandaan, niet van de
dorpen in de omtrek.
Het brood dat Jezus geeft, is brood uit de
hemel. Het is genade-brood. Zo is er in de eucharistie één lijn:
van de priesters, die, evenals de leerlingen, als gevolmachtigden
"aan het volk geven", wat "Hij aan hen geeft", naar Jezus die het
op zijn beurt van de Vader ontvangt. Wat wij in de eucharistie
ontvangen, is Gods barmhartigheid. En daarvan kunnen we eten tot
verzadigings toe. Zo belooft het slot van dit verhaal.
Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven
brokken haalde men nog twaalf volle korven op. Het waren ongeveer
vijfduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet
meegerekend.
Twaalf is het getal van het Joodse volk dat uit twaalf stammen bestond. Met andere woorden: niet alleen die menigte kan zich aan dat brood verzadigen. Er is genoeg voor heel het Joodse volk. Ja, Jezus is het brood waaraan heel de wereld zich te goed kan doen: Joden én heidenen. In de tweede wonderbare spijziging (15,29-39) zijn het vierduizend man die afkomstig zijn uit het overwegend heidense gebied van de Dekapolis. Zij worden verzadigd met de inzet van zeven broden. Na die tweede spijziging worden er zeven manden gevuld met brokken. Het getal zeven vertegenwoordigt de volheid, alle naties, de heidenen. Zoals de zeven diakens die de apostelen aanstelden.
Mij de moeilijkheden van de komende dag voor de geest halen en van de komende dagen, ja van heel mijn leven en van allen die met mij zijn in het vertrouwen dat mij in Hem voldoende kracht ter beschikking staat om in vereniging met Hem al die moeilijkheden het hoofd te bieden.
Aan het eind niet abrupt afbreken, maar langzaam, zoals men doet, wanneer men ergens te gast is geweest. Bij het afscheid richt men zich nog even persoonlijk tot de gasten en in het bijzonder tot de gastheer en de gastvrouw. Ik richt me in een gesprekje tot Jezus en stort bij Hem mijn hart uit zoals een vriend bij zijn vriend. Ten slotte ga ik naar de Vader van Jezus; in zijn handen beveel ik mijn geest. Een Onze Vader.
Tenslotte neem ik wat afstand van het gebed en denk erover na hoe
het is gegaan, door de vragen van de reflexie te
beantwoorden:
