Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Achttiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
13 In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus:
"Meester, zeg aan mijn broer,
dat hij de erfenis met mij deelt."
14 Maar Jezus antwoordde hem:
"Man, wie heeft Mij over u beiden tot rechter
of bemiddelaar aangesteld?"
15 En Hij sprak tot hem:
"Pas op en wacht u voor alle hebzucht!
Want geen enkel bezit, - al is dit nog zo overvloedig -
kan uw leven veilig stellen."
16 Hij vertelde hun de volgende gelijkenis:
"Het land van een rijk man had een grote oogst
opgeleverd.
17 Daarom overlegde deze bij zichzelf:
Wat moet ik doen?
Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen.
18 En hij zei:
Dit ga ik doen:
ik breek mijn schuren af en bouw grotere:
daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren bergen.
19 Dan zal ik tot mij zelf zeggen:
Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren;
rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!
20 Maar God sprak tot hem: Dwaas!
Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen;
en al die voorzieningen die je getroffen hebt,
voor wie zijn die dan?
21 Zo gaat het met iemand die schatten vergaart
voor zichzelf,
maar niet rijk is bij God."
Lucas 12,13-21

Eerst de eigen gesteltenis controleren. Sta ik open voor een vervulling van Godswege en voor zijn heilige wil? Of heb ik alles zelf in handen en draai ik om mijn eigen middelpunt? Eerst de geest laten rusten bij Hem, in de bereidheid om van Hem elk antwoord te aanvaarden. Een paar passen van de plaats van het gebed breng ik me staande zijn tegenwoordigheid te binnen. Ik open het venster naar God toe. Met Hem sta ik nu in een onmiddellijke relatie. Daarmee niet wachten tot het uur van mijn dood zoals de dwaze rijke. Ik laat dit besef nog dieper tot me doordringen door een gebaar te maken van eerbied.

Ik neem de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik aandacht kan opbrengen voor de innerlijke bewegingen waardoor God me iets te kennen wil geven.

Ik vraag om de genade, dat ik mij in mijn leven ook mag laten leiden door die innerlijke bewegingen, opdat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie de grote lijn van de geschiedenis: In de vraag van zeker iemand beluistert Jezus een hebzuchtige mentaliteit. Dat is voor Hem aanleiding om aan de hand van een gelijkenis te waarschuwen tegen de hebzucht. Een fixatie op het hebben van aardse goederen maakt iemand dicht voor God. Hebzucht is ook mogelijk in het gebed: per se gevoelens willen hebben of mooie ideeën. Het gaat in het gebed om de inzet van het geloof doordat men wíl bidden en zich eerlijk wil openstellen voor God.

De plaats: Jezus richt zich tot de menigte. Hij spreekt dreigende taal jegens mensen die nog niet besloten zijn Hem te volgen zoals zijn leerlingen. Voor deze laatsten heeft Hij de meer bemoedigende gelijkenissen van raven en veldkruid (12,22-34). Omdat zij omwille van Hem alles hebben verlaten, mogen zij rekenen op Gods bijzondere zorg. Jezus spreekt hier dus tot de bezittende klasse, tot de bezitter in mij.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen, met een innerlijke kennis, hoe Hij om mijnentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat ik rijk zou worden door zijn armoede (2 Kor 8,9). Als ik me eens rijk zou voelen met Hem!

 
"In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus: Meester, zeg aan mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt. Maar Jezus antwoordde hem: Man, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld? En Hij sprak tot hem: Pas op en wacht u voor alle hebzucht!"

We krijgen hier een flard uit een gesprek te horen. Iemand zegt iets tot Jezus. Jezus zegt iets terug tot hem. Het gesprek is ook de vorm van het gebed. Zeker in het begin als God nog niet alles voor iemand geworden is. De kunst van het bidden is: niet alleen zelf aan het woord zijn, maar ook het antwoord van God te beluisteren. Maar daarvoor is het nodig, dat iemand zich innerlijk openstelt. Het antwoord dat iemand niet wíl horen, hoort hij ook niet. Dat is het verschil met de situatie in het evangelie. Daar krijgt de man een heel ander antwoord dan hij verwacht, of hij daar nu innerlijk voor openstond of niet. Er is een blanco opstelling nodig in alles wat wij in het gebed aan God voorleggen of met Hem bespreken. We noemen dat ook wel een houding van "heilige onverschilligheid". Dat betekent niet, dat het je allemaal niets kan schelen. Want dat is meer ongevoeligheid. Heilige onverschilligheid betekent, dat het voor je diepere op de Heilige aangelegde wezen niet zo'n verschil maakt of Hij nu dit of dat antwoord zal geven op je vraag. De kunst van het bidden is: open vragen stellen, vragen die zowel met ja als met nee beantwoord kunnen worden. Jezus voelt dat de man niet onverschillig is. Hij komt niet met een open vraag, in de geest van: ergens zou ik wel graag willen, dat mijn broer de erfenis met mij deelt, maar ik vind het ook goed, dat de zaak niet geklaard wordt. Bij de man kon Jezus maar één kant uit. Jezus voelt zich onder druk gezet, dezelfde druk die de man op zichzelf en op zijn broer uitoefent: hij moest en hij zou die erfenis hebben. Hij zit vast aan zijn begeerte naar rijkdom. Maatschappelijk en juridisch gezien is hij een arme, een behoeftige: zonder erfenis en zonder het recht dat hem toekomt. Maar voor God is hij een rijke, rijk aan begeerte naar rijkdom. Hij is een heb-zuchtige. Daarom antwoordt Jezus: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht!" Zo kan iemand ook hebzuchtig zijn in het gebed, bijvoorbeeld wanneer hij zijn armoede voor God niet accepteert. De kunst van het bidden is goed om te gaan met je armoede van geest, met je niet kunnen bidden.

 
"Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: Het land van een rijk man had een grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf ..."

De man houdt een monoloog. Hij spreekt niet tot zijn vrouw of kinderen, tot zijn rentmeester. Nee, hij overlegt "met zichzelf". Hij draait om zichzelf heen. Zijn bezit kluisterde hem aan zichzelf. Verstrooiingen tijdens het gebed (en ook erbuiten) zijn alleenspraken in de geest van de dwaze rijke. Zij hebben betrekking op dingen waarmee ik op een heb-zuchtige en ik-kerige manier omga.

 
"Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen."

Wat had die man anders moeten doen met zijn grote oogst? De laatste zin van dit evangelie suggereert, dat hij ervan had moeten uitdelen aan de armen. Want dat is de manier van het evangelie om rijk te worden bij God: "Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen; verschaft u beurzen die niet verslijten, en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel" (12,33). Melkplas en boterberg zijn de "grotere schuren" voor het egoïsme in onze dagen. Maar ook de enkeling komt soms ogen en oren te kort om te kunnen consumeren wat hij allemaal wil zien, lezen, horen, voelen, ervaren.

 
"Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan!" Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?"

Tot drie keer toe wordt in de oorspronkelijke taal een woord gebruikt, dat zowel "ziel" als "leven" betekent: "Dan zal ik tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt een grote rijkdom liggen ... Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je ziel van je opeisen." De man doet alsof zijn ziel van hem is. Hij gaat met zijn ziel om juist zoals met zijn rijkdommen: op een a-religieuze manier, dat wil zeggen alsof God er niets over te zeggen zou hebben, alsof hijzelf heer en meester is. Maar het leven is een gave, van dag tot dag geschonken om het van dag tot dag te ontvangen uit de hand van God, in de bereidheid om het steeds weer terug te schenken.
Ik kan deze religieuze levenshouding nu inoefenen door met open handen mijzelf en alles wat ik heb, uit Gods hand te ontvangen en me erop voor te bereiden om het in de eucharistie aan God terug te schenken in vereniging met het levensoffer van Jezus.

Aan het einde vertragend besluiten door gesprekken te voeren, open gesprekken met Jezus die om mijnentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was. En met zijn Vader die zijn enige Zoon voor mij heeft overgeleverd. Een Onze Vader bidden, zodat ik het bij de volgende eucharistie met meer eigen ervaring kan bidden.

De reflexie dient ervoor om de ervaring van het gebed over de drempel van het gebed heen vast te houden in het leven erna én om me meer bewust te maken van wat mij van Hem afhoudt.

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ga ik op een heb-zuchtige manier om met mensen en dingen.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar brak Hij door de muur die ik om mezelf heb opgetrokken, heen en kwam er een contact met Hem tot stand?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is het mooiste van het gebed: wanneer Hij me zo heeft aangegrepen, dat het na afloop van het gebed nog waarneembaar blijft.