Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 22 | dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. |
| 23 | ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. |
| 24 | uit de kust verwijderd en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. |
| 25 | kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe. |
| 26 | Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek, omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. |
| 27 | "Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet." |
| 28 | zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen." |
| 29 | "Kom!" Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. |
| 30 | werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: "Heer, red mij!" |
| 31 | en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: "Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?" |
| 32 | ging de wind liggen. |
| 33 | en zeiden: "Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God." |
| Matteüs 14, 22-33 |
Het gebed moet opstijgen uit de diepte van mijn ik, vanuit die diepte van mijn wezen waar ik gebed bén, waar Hij zich al in liefde verenigd heeft met mij. Dus eerst beginnen de geest te laten rusten bij Hem die mij het eerst heeft liefgehad. Bidden is niet Gods tegenwoordigheid oproepen, maar mij ervan bewust maken hoe Hij mij met zijn liefde voorkómt.
Staande, een paar passen voor de plaats waar ik wil bidden,
omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet. Vanaf de berg,
tijdens zijn samenzijn met zijn Vader in het gebed, is Jezus
begaan met zijn leerlingen op het meer. Zo is Hij het ook nu met
mij. Dat is de eigenlijke werkelijkheid: zien hoe Hij mij ziet.
Leven onder Gods aanschijn.
Me klein maken in een gebaar, zoals er staat van de
"inzittenden": zij "wierpen zich voor Hem neer".
Dan het gebed ingaan in de houding waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Afstand doen van het ongeordende bewegen om zo te beleven dat het op de bewegingen van de Ander aankomt, hoe Hij mij beweegt. In die houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dit vragen van hulp is wezenlijk voor het gebed. Want bidden is leven uit de kracht van God, doorleven hoe alles wat men doet, van God afhankelijk is. Bidden zonder dat besef van afhankelijkheid is zoveel als zonder bijzondere hulp over water willen lopen.
Nadat ik geprobeerd heb me de houding van de Zoon eigen te maken
tegenover zijn hemelse Vader, stel ik me er nu voor open hoe de
Vader zich door zijn eigen Zoon meedeelt aan ons. Dit doe ik
eerst door me de geschiedenis te binnen te brengen. Na de
broodvermenigvuldiging zendt Jezus de mensen weg. Het samenzijn
met Hem in gebed en liturgie is nooit alleen zaligmakend. Hij
laat zich ook ontmoeten in de vlakte van het gewone leven en in
de stormen van het bestaan. Jezus zendt zijn leerlingen in de
boot, dat wil zeggen: in een vorm van afzondering van de
andere mensen. Daar worden zij overgeleverd aan de elementen, het
onvaste bestand van het water, de duisternis, de tegenwind en het
geweld van de golven waardoor zij worden geteisterd. Maar midden
op het meer, met zware tegenwind en hoge golven, aan het eind van
de nacht krijgen zij een ontmoeting met Jezus die, komend van de
Vader, door zijn heerlijkheid eerst vrees aanjaagt en dan zijn
onuitsprekelijke vrede meedeelt.
Wat eerst de groep overkomt, overkomt daarna Petrus alleen,
gedreven door zijn verlangen om bij Jezus te zijn. Zoals ook in
andere situaties laat Petrus zich leiden door spontane gevoelens
van edelmoedigheid en aanhankelijkheid, maar voorbijlevend aan
zijn zwakte. Dat wordt hem noodlottig. Jezus confronteert hem met
zijn nog maar zwakke geloof.
Dit is de geschiedenis ook van de jonge kerk: keer op keer heeft
zij in haar doodsangst vanwege de vervolgingen, de
geruststellende tegenwoordigheid van haar Heer bespeurd. Die
geschiedenis gaat door tot op de huidige dag: want Hij is met ons
"alle dagen".
De plaats zien: de berg, het meer in de diepte, de boot in
de nacht, tegenwind, hoge golven.
Ook de plaatsen zien in mijn eigen leven waar mijn geloof in God
op een zware proef werd gesteld.
Voordat ik met mijn hart het geheim binnenga, vraag ik eerst om de bijzondere genade. Het is een geheim van Jezus die openbaart Wie Hij is: Zoon van God in Wie de Vader bij ons wil zijn met zijn geruststellende tegenwoordigheid. Dus zal ik vragen om de genade een innerlijke kennis te mogen ontvangen van Christus onze Heer, een kennis die mij overeind doet blijven in beproevingen.
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen
in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen.
Jezus dwong... Waarom dwingen? Er zit iets van aandrang in. Het zou te maken kunnen hebben met bepaalde aspiraties van de joden zoals Johannes die vermeldt bij hetzelfde woestijnwonder: "Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan, zeiden ze: Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen. Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen" (Joh 6,14-15). De leerlingen en de menigte zijn voor vasthouden, uitzakken, euforie ("Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan", 17,4). Jezus is voor loslaten. Hij neemt de vrijheid om te bidden. Of liever: Hij bevecht deze vrijheid. Hij neemt zichzelf als het ware van de mensen af: gaan jullie maar naar huis en gaan jullie in de boot. De lichamelijke afstand tussen Jezus en zijn leerlingen en de menigte beeldt uit wat bidden is. In het bidden neemt men allereerst afstand van wat men kan doen, om te vertrouwen op wat een Ander kan doen. In het bidden beleeft men dat God alleen genoeg is.
Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om
in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar
alleen.
Jezus op de berg, in de nacht, alleen. Alleen met zijn Vader, uit
wiens hand Hij het brood ontvangen had, naar wie Hij
terugkeerde. Wát er gebeden werd door de Zoon, wordt niet
vermeld. Maar dat is ook niet nodig. Want het gebed heeft geen
inhoud buiten de Persoon die bidt. In het gebed geeft Jezus
zichzelf aan de Vader en ontvangt Hij zichzelf van de Vader
terug. Ik hoef me maar in die onzegbare uitwisseling van personen
te laten opnemen. Sterker, ik ben erin opgenomen. Sinds mijn
doopsel. Als kind van God. Ik hoef me dat nu maar bewust te
maken.
Wanneer ik niet kan bidden, kan ik altijd Jezus voor me laten
bidden. Hij bidt namens heel het menselijk geslacht. Als er
staat, dat Jezus de berg opging om in afzondering te
bidden en dat Hij daar alleen was, dan moeten wij dat
alleen-zijn verstaan als een samen-zijn in gebed met de Vader ten
behoeve van ons. Geen ogenblik raken wij, mensen, uit de
gedachten van Jezus weg. Hij neemt ons met zich mee in zijn
alleen-zijn met de Vader. Wanneer wij ons alleen wanen, is dat
schijn.
De boot was reeds een heel eind uit de kust verwijderd en
werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind.
De leerlingen midden op het meer zijn het beeld van de christen die zich heeft losgemaakt van de vaste wal van de gewone maatschappelijke zekerheden en zich niet meer oriënteert op de kustlijn van de vertrouwde menselijke geborgenheid. In de navolging van Christus verkeert de christen op een "onvast bestand". Men heeft het leven niet meer in eigen hand. Zolang de kerk door de maatschappij met rust gelaten wordt, is er niets aan de hand. De boot van de kerk geeft een nieuwe, hogere geborgenheid. Maar wanneer er een vervolging losbreekt, golven van arrestaties over de kerk heenvallen en de christenen door doodsangst worden overvallen, dan hebben ze het gevoel nergens meer te zijn: terug kunnen ze niet meer en Jezus in wiens naam ze bijeen zijn, lijkt ver weg. Nu hebben ze helemaal niemand meer. Tenminste, zo lijkt het.
Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het meer naar
hen toe.
Tegen de morgen pas, dus helemaal aan het eind van de nacht,
nadat Jezus hen zo lang alleen heeft laten tobben, pas toen kwam
Jezus naar hen toe.
Voor ons gevoel kan het heel lang duren,
voordat Jezus ons verhoort. Die tijd dient ervoor om ons te
oefenen in geloof en hoop: "wij, die ... reeds de eerstelingen
van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen
lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons
lichaam. In deze hoop zijn wij gered. Maar men spreekt niet van
hopen, als men het voorwerp van zijn hoop reeds aanschouwt: wie
verwacht nog wat hij al ziet? Daar onze hoop gericht is op het
onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met
standvastigheid" (Rom 8,23-25): "Wie in troosteloosheid is, moet
zich moeite geven om te volharden in geduld. Dit is tegengesteld
aan de kwellingen die hem overkomen. En hij moet overwegen dat
hij spoedig getroost zal worden" (Geestelijke Oefeningen
nr. 321).
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek, omdat zij een spook meenden te zien en
zij begonnen van angst te schreeuwen.
De angst die de leerlingen overvalt, is de angst die zich altijd
van mensen meester maakt, wanneer zij geconfronteerd worden met
Gods verhevenheid en heiligheid. Bij zulk een ontmoeting wordt de
mens als het ware uit zijn voegen getild doordat hem ineens
duidelijk wordt hoe de zekerheid die hij buiten God zocht, totaal
ongegrond blijkt te zijn.
De mens is dan nergens meer. Het is
nodig, dat een mens dit doormaakt, alvorens God zich aan hem kan
openbaren als de enige vaste bestaansgrond.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: "Weest gerust, Ik
ben het. Vreest niet."
Wat Jezus zei tot de lamme (9,2) en tot de vrouw met
bloedvloeiing (9,22), zegt Hij nu tot zijn leerlingen: "Weest
gerust ... Heb goede moed"; "Ik ben (het). Vreest niet." Het
eerste wat Jezus doet, is niet: de storm bedaren, maar midden in
het vóórtdurende noodweer zijn aanwezigheid laten ervaren: "Ik
ben (het)."
Mijn levensbootje wordt soms heen en weer geslingerd
door heftige gevoelens, door golven van emoties. Ik lijk eraan
overgeleverd. Ik heb er geen greep meer op. Dan heb ik iets van
een klein kind. Wat doen mensen, wanneer ze een klein kind
helemaal in tranen zien, in angst en beven? Dan gaan ze erheen,
nemen het op schoot, drukken het tegen zich aan en laten het zo
de eigen aanwezigheid ervaren.
Precies zó doet Jezus bij ons: het
eerste wat Hij doet, is niet de storm tot bedaren brengen (de
oorzaken van angst wegnemen), maar midden in het noodweer zijn
aanwezigheid laten ervaren: "Ik ben het." Dat is het wat het
geloof mij geven kan: een aanwezigheid.
Voor wie geloven, gaat er
niet iets af van de moeilijkheden van het leven, maar er komt
Iemand bij waardoor zij grotere moeilijkheden kunnen dragen. Wat
doe ik in gevoelens van angst, verdriet, eenzaamheid,
onzekerheid? Sluit ik me dan op in mezelf? Of laat ik me in die
gevoelens gaan? Of geef ik me rustig over aan de liefdevolle
nabijheid van Jezus die me broederlijk geruststelt?
"Heer", - antwoordde Petrus - "als Gij het zijt, zeg mij
dan dat ik over het water naar U toe moet komen."
Petrus moet zijn waar Jezus is. Maar hij kan niet uit zichzelf komen. Zo is het ook met het gebed: het is als lopen over water. Je kunt er geen stap zetten zonder genade.
"
Waarop Jezus sprak: "Kom!" Petrus stapte uit de boot en
liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe
hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en
schreeuwde: "Heer, red mij!"
Wat gebeurt er in het geloof? De globale, fundamentele
geloofsintuïtie van Gods reddende nabijheid in Jezus wordt
afgekneld door meer emotionele gevoelens van angst voor de
tegenkrachten waarop men gefixeerd raakt. Petrus raakt
geobsedeerd door de hevigheid van de wind en verloor Jezus uit
het oog. Daarmee verloor Hij de Enige die hem tot dragende grond
kon zijn. Maar midden in die uiterste nood, ontsnapt hem het
kerkelijk smeekgebed: "Heer, red mij!" (zie ook: 8,25)
Petrus
verwoordt met dit gebed de diepste nood van heel de mensheid.
Daartoe is Jezus gekomen: "om te redden wat verloren was"
(18,11). Want de hemelse Vader "wil niet dat een van deze kleinen
verloren gaat" (18,14).
"
Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast,
terwijl Hij tot hem zei: "Kleingelovige, waarom hebt ge
getwijfeld?"
Petrus krijgt een verwijt van kleingelovigheid. Toen Jezus hem eenmaal gezegd had: "Kom!", had hij moeten gehoorzamen en alle andere gevoelens ondergeschikt maken aan de gehoorzaamheid van het geloof. Met dit woordje "kom" heeft Jezus eens Petrus (samen met Andreas) geroepen: "Komt, volgt Mij" (4,19). Dit woord herhaalt Jezus steeds weer opnieuw: "Komt allen tot Mij" (11,28). Wij zijn geroepen om te komen tot de bruiloft: "Komt dus naar de bruiloft" (22,4). Vóór de heilige communie spreekt God door de kerk opnieuw tot mij: "Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam" ("tot de maaltijd des Heren"). Die uitnodiging hangt boven de mensheid tot aan het einde der tijden: "De Geest en de Bruid zeggen: Kom! Laat wie het hoort, zeggen: Kom! Wie dorst heeft, kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet" (Apok 22,17). Ik kan niet doen alsof die roep niet geklonken heeft, en naar eigen believen mijn leven inrichten zoals de eerstgeroepenen: "maar zij wilden niet komen" (22,3).
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind
liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden:
"Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God."
Zo is ons hele geloof ontstaan. Jezus doet iets, een verlossend
ingrijpen in een noodsituatie, op het meer van Galilea, in de
jonge kerk. De volgelingen worden erdoor tot in hun hart geraakt.
Ze komen tot overtuiging: dit is van God, Deze hier is de Zoon
van God. Daarvan leggen zij getuigenis af, eerst in een gebaar
van aanbidding, later in de verkondiging.
Ik kan mij nu bij de leerlingen aansluiten door me in een gebaar
van aanbidding neer te buigen voor Hem en te zeggen: "Waarlijk,
Gij zijt de Zoon van God." Eventueel zeg ik het nog eens met mijn
eigen woorden.
Aan het eind niet meteen ophouden en afbreken, maar gesprekjes voeren met Jezus en de Vader. Langzaam en eerbiedig een Onze Vader bidden.
De tijd na afloop van het gebed leent zich er bijzonder voor om
te onderscheiden welke geesten zich in mij bewegen.
Beantwoord daarvoor de volgende vragen:
