Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Negentiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
22 Na de broodvermenigvuldiging
dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan
en alvast naar de overkant te varen,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
23 Toen Hij het volk had weggezonden,
ging Hij de berg op om in afzondering te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
24 De boot was reeds een heel eind
uit de kust verwijderd
en werd geteisterd door de golven,
want zij hadden tegenwind.
25 Tegen de morgen
kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe.
26 Maar toen de leerlingen
Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek,
omdat zij een spook meenden te zien
en zij begonnen van angst te schreeuwen.
27 Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen:
"Weest gerust, Ik ben het.
Vreest niet."
28 "Heer, - antwoordde Petrus - als Gij het zijt,
zeg mij dan dat ik over het water
naar U toe moet komen."
29 Waarop Jezus sprak:
"Kom!"
Petrus stapte uit de boot
en liep over het water naar Jezus toe.
30 Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was,
werd hij bang;
hij begon te zinken en schreeuwde:
"Heer, red mij!"
31 Terstond stak Jezus zijn hand uit
en greep hem vast,
terwijl Hij tot hem zei:
"Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?"
32 Nadat zij in de boot gestapt waren,
ging de wind liggen.
33 De inzittenden wierpen zich voor Hem neer
en zeiden:
"Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God."
Matteüs 14, 22-33

Het gebed moet opstijgen uit de diepte van mijn ik, vanuit die diepte van mijn wezen waar ik gebed bén, waar Hij zich al in liefde verenigd heeft met mij. Dus eerst beginnen de geest te laten rusten bij Hem die mij het eerst heeft liefgehad. Bidden is niet Gods tegenwoordigheid oproepen, maar mij ervan bewust maken hoe Hij mij met zijn liefde voorkómt.

Staande, een paar passen voor de plaats waar ik wil bidden, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet. Vanaf de berg, tijdens zijn samenzijn met zijn Vader in het gebed, is Jezus begaan met zijn leerlingen op het meer. Zo is Hij het ook nu met mij. Dat is de eigenlijke werkelijkheid: zien hoe Hij mij ziet. Leven onder Gods aanschijn.
Me klein maken in een gebaar, zoals er staat van de "inzittenden": zij "wierpen zich voor Hem neer".

Dan het gebed ingaan in de houding waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Afstand doen van het ongeordende bewegen om zo te beleven dat het op de bewegingen van de Ander aankomt, hoe Hij mij beweegt. In die houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Dit vragen van hulp is wezenlijk voor het gebed. Want bidden is leven uit de kracht van God, doorleven hoe alles wat men doet, van God afhankelijk is. Bidden zonder dat besef van afhankelijkheid is zoveel als zonder bijzondere hulp over water willen lopen.

Nadat ik geprobeerd heb me de houding van de Zoon eigen te maken tegenover zijn hemelse Vader, stel ik me er nu voor open hoe de Vader zich door zijn eigen Zoon meedeelt aan ons. Dit doe ik eerst door me de geschiedenis te binnen te brengen. Na de broodvermenigvuldiging zendt Jezus de mensen weg. Het samenzijn met Hem in gebed en liturgie is nooit alleen zaligmakend. Hij laat zich ook ontmoeten in de vlakte van het gewone leven en in de stormen van het bestaan. Jezus zendt zijn leerlingen in de boot, dat wil zeggen: in een vorm van afzondering van de andere mensen. Daar worden zij overgeleverd aan de elementen, het onvaste bestand van het water, de duisternis, de tegenwind en het geweld van de golven waardoor zij worden geteisterd. Maar midden op het meer, met zware tegenwind en hoge golven, aan het eind van de nacht krijgen zij een ontmoeting met Jezus die, komend van de Vader, door zijn heerlijkheid eerst vrees aanjaagt en dan zijn onuitsprekelijke vrede meedeelt.
Wat eerst de groep overkomt, overkomt daarna Petrus alleen, gedreven door zijn verlangen om bij Jezus te zijn. Zoals ook in andere situaties laat Petrus zich leiden door spontane gevoelens van edelmoedigheid en aanhankelijkheid, maar voorbijlevend aan zijn zwakte. Dat wordt hem noodlottig. Jezus confronteert hem met zijn nog maar zwakke geloof. Dit is de geschiedenis ook van de jonge kerk: keer op keer heeft zij in haar doodsangst vanwege de vervolgingen, de geruststellende tegenwoordigheid van haar Heer bespeurd. Die geschiedenis gaat door tot op de huidige dag: want Hij is met ons "alle dagen".
De plaats zien: de berg, het meer in de diepte, de boot in de nacht, tegenwind, hoge golven.
Ook de plaatsen zien in mijn eigen leven waar mijn geloof in God op een zware proef werd gesteld.

Voordat ik met mijn hart het geheim binnenga, vraag ik eerst om de bijzondere genade. Het is een geheim van Jezus die openbaart Wie Hij is: Zoon van God in Wie de Vader bij ons wil zijn met zijn geruststellende tegenwoordigheid. Dus zal ik vragen om de genade een innerlijke kennis te mogen ontvangen van Christus onze Heer, een kennis die mij overeind doet blijven in beproevingen.

 
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen.

Jezus dwong... Waarom dwingen? Er zit iets van aandrang in. Het zou te maken kunnen hebben met bepaalde aspiraties van de joden zoals Johannes die vermeldt bij hetzelfde woestijnwonder: "Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan, zeiden ze: Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen. Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen" (Joh 6,14-15). De leerlingen en de menigte zijn voor vasthouden, uitzakken, euforie ("Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan", 17,4). Jezus is voor loslaten. Hij neemt de vrijheid om te bidden. Of liever: Hij bevecht deze vrijheid. Hij neemt zichzelf als het ware van de mensen af: gaan jullie maar naar huis en gaan jullie in de boot. De lichamelijke afstand tussen Jezus en zijn leerlingen en de menigte beeldt uit wat bidden is. In het bidden neemt men allereerst afstand van wat men kan doen, om te vertrouwen op wat een Ander kan doen. In het bidden beleeft men dat God alleen genoeg is.

 
Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen.

Jezus op de berg, in de nacht, alleen. Alleen met zijn Vader, uit wiens hand Hij het brood ontvangen had, naar wie Hij terugkeerde. Wát er gebeden werd door de Zoon, wordt niet vermeld. Maar dat is ook niet nodig. Want het gebed heeft geen inhoud buiten de Persoon die bidt. In het gebed geeft Jezus zichzelf aan de Vader en ontvangt Hij zichzelf van de Vader terug. Ik hoef me maar in die onzegbare uitwisseling van personen te laten opnemen. Sterker, ik ben erin opgenomen. Sinds mijn doopsel. Als kind van God. Ik hoef me dat nu maar bewust te maken.
Wanneer ik niet kan bidden, kan ik altijd Jezus voor me laten bidden. Hij bidt namens heel het menselijk geslacht. Als er staat, dat Jezus de berg opging om in afzondering te bidden en dat Hij daar alleen was, dan moeten wij dat alleen-zijn verstaan als een samen-zijn in gebed met de Vader ten behoeve van ons. Geen ogenblik raken wij, mensen, uit de gedachten van Jezus weg. Hij neemt ons met zich mee in zijn alleen-zijn met de Vader. Wanneer wij ons alleen wanen, is dat schijn.

 
De boot was reeds een heel eind uit de kust verwijderd en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind.

De leerlingen midden op het meer zijn het beeld van de christen die zich heeft losgemaakt van de vaste wal van de gewone maatschappelijke zekerheden en zich niet meer oriënteert op de kustlijn van de vertrouwde menselijke geborgenheid. In de navolging van Christus verkeert de christen op een "onvast bestand". Men heeft het leven niet meer in eigen hand. Zolang de kerk door de maatschappij met rust gelaten wordt, is er niets aan de hand. De boot van de kerk geeft een nieuwe, hogere geborgenheid. Maar wanneer er een vervolging losbreekt, golven van arrestaties over de kerk heenvallen en de christenen door doodsangst worden overvallen, dan hebben ze het gevoel nergens meer te zijn: terug kunnen ze niet meer en Jezus in wiens naam ze bijeen zijn, lijkt ver weg. Nu hebben ze helemaal niemand meer. Tenminste, zo lijkt het.

 
Tegen de morgen kwam Jezus te voet over het meer naar hen toe.

Tegen de morgen pas, dus helemaal aan het eind van de nacht, nadat Jezus hen zo lang alleen heeft laten tobben, pas toen kwam Jezus naar hen toe.
Voor ons gevoel kan het heel lang duren, voordat Jezus ons verhoort. Die tijd dient ervoor om ons te oefenen in geloof en hoop: "wij, die ... reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam. In deze hoop zijn wij gered. Maar men spreekt niet van hopen, als men het voorwerp van zijn hoop reeds aanschouwt: wie verwacht nog wat hij al ziet? Daar onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met standvastigheid" (Rom 8,23-25): "Wie in troosteloosheid is, moet zich moeite geven om te volharden in geduld. Dit is tegengesteld aan de kwellingen die hem overkomen. En hij moet overwegen dat hij spoedig getroost zal worden" (Geestelijke Oefeningen nr. 321).

 
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek, omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen.

De angst die de leerlingen overvalt, is de angst die zich altijd van mensen meester maakt, wanneer zij geconfronteerd worden met Gods verhevenheid en heiligheid. Bij zulk een ontmoeting wordt de mens als het ware uit zijn voegen getild doordat hem ineens duidelijk wordt hoe de zekerheid die hij buiten God zocht, totaal ongegrond blijkt te zijn.
De mens is dan nergens meer. Het is nodig, dat een mens dit doormaakt, alvorens God zich aan hem kan openbaren als de enige vaste bestaansgrond.

 
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: "Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet."

Wat Jezus zei tot de lamme (9,2) en tot de vrouw met bloedvloeiing (9,22), zegt Hij nu tot zijn leerlingen: "Weest gerust ... Heb goede moed"; "Ik ben (het). Vreest niet." Het eerste wat Jezus doet, is niet: de storm bedaren, maar midden in het vóórtdurende noodweer zijn aanwezigheid laten ervaren: "Ik ben (het)."
Mijn levensbootje wordt soms heen en weer geslingerd door heftige gevoelens, door golven van emoties. Ik lijk eraan overgeleverd. Ik heb er geen greep meer op. Dan heb ik iets van een klein kind. Wat doen mensen, wanneer ze een klein kind helemaal in tranen zien, in angst en beven? Dan gaan ze erheen, nemen het op schoot, drukken het tegen zich aan en laten het zo de eigen aanwezigheid ervaren.
Precies zó doet Jezus bij ons: het eerste wat Hij doet, is niet de storm tot bedaren brengen (de oorzaken van angst wegnemen), maar midden in het noodweer zijn aanwezigheid laten ervaren: "Ik ben het." Dat is het wat het geloof mij geven kan: een aanwezigheid.
Voor wie geloven, gaat er niet iets af van de moeilijkheden van het leven, maar er komt Iemand bij waardoor zij grotere moeilijkheden kunnen dragen. Wat doe ik in gevoelens van angst, verdriet, eenzaamheid, onzekerheid? Sluit ik me dan op in mezelf? Of laat ik me in die gevoelens gaan? Of geef ik me rustig over aan de liefdevolle nabijheid van Jezus die me broederlijk geruststelt?

 
"Heer", - antwoordde Petrus - "als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen."

Petrus moet zijn waar Jezus is. Maar hij kan niet uit zichzelf komen. Zo is het ook met het gebed: het is als lopen over water. Je kunt er geen stap zetten zonder genade.


Waarop Jezus sprak: "Kom!" Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: "Heer, red mij!"

Wat gebeurt er in het geloof? De globale, fundamentele geloofsintuïtie van Gods reddende nabijheid in Jezus wordt afgekneld door meer emotionele gevoelens van angst voor de tegenkrachten waarop men gefixeerd raakt. Petrus raakt geobsedeerd door de hevigheid van de wind en verloor Jezus uit het oog. Daarmee verloor Hij de Enige die hem tot dragende grond kon zijn. Maar midden in die uiterste nood, ontsnapt hem het kerkelijk smeekgebed: "Heer, red mij!" (zie ook: 8,25)
Petrus verwoordt met dit gebed de diepste nood van heel de mensheid. Daartoe is Jezus gekomen: "om te redden wat verloren was" (18,11). Want de hemelse Vader "wil niet dat een van deze kleinen verloren gaat" (18,14).


Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: "Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?"

Petrus krijgt een verwijt van kleingelovigheid. Toen Jezus hem eenmaal gezegd had: "Kom!", had hij moeten gehoorzamen en alle andere gevoelens ondergeschikt maken aan de gehoorzaamheid van het geloof. Met dit woordje "kom" heeft Jezus eens Petrus (samen met Andreas) geroepen: "Komt, volgt Mij" (4,19). Dit woord herhaalt Jezus steeds weer opnieuw: "Komt allen tot Mij" (11,28). Wij zijn geroepen om te komen tot de bruiloft: "Komt dus naar de bruiloft" (22,4). Vóór de heilige communie spreekt God door de kerk opnieuw tot mij: "Zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam" ("tot de maaltijd des Heren"). Die uitnodiging hangt boven de mensheid tot aan het einde der tijden: "De Geest en de Bruid zeggen: Kom! Laat wie het hoort, zeggen: Kom! Wie dorst heeft, kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet" (Apok 22,17). Ik kan niet doen alsof die roep niet geklonken heeft, en naar eigen believen mijn leven inrichten zoals de eerstgeroepenen: "maar zij wilden niet komen" (22,3).

 
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: "Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God."

Zo is ons hele geloof ontstaan. Jezus doet iets, een verlossend ingrijpen in een noodsituatie, op het meer van Galilea, in de jonge kerk. De volgelingen worden erdoor tot in hun hart geraakt. Ze komen tot overtuiging: dit is van God, Deze hier is de Zoon van God. Daarvan leggen zij getuigenis af, eerst in een gebaar van aanbidding, later in de verkondiging.
Ik kan mij nu bij de leerlingen aansluiten door me in een gebaar van aanbidding neer te buigen voor Hem en te zeggen: "Waarlijk, Gij zijt de Zoon van God." Eventueel zeg ik het nog eens met mijn eigen woorden.

Aan het eind niet meteen ophouden en afbreken, maar gesprekjes voeren met Jezus en de Vader. Langzaam en eerbiedig een Onze Vader bidden.

De tijd na afloop van het gebed leent zich er bijzonder voor om te onderscheiden welke geesten zich in mij bewegen. Beantwoord daarvoor de volgende vragen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen zoek ik vastheid buiten Hem.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar heb ik aan den lijve ondervonden hoe Hij de Heer is over de machten van natuur en geschiedenis.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat kunnen gevoelens zijn zoals die door de inzittenden van de boot werden beleefd.

Jezus en Petrus