Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Negentiende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
35 "Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend!
36 Gedraagt u als mensen
die wachten op de terugkomst van hun heer
die naar de bruiloft is om,
als hij aankomt en klopt,
hem aanstonds open te doen.
37 Gelukkig de dienaars
die de heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u:
Hij zal zich omgorden
en hij zal hen aan tafel nodigen
en langs hen gaan om te bedienen.
38 Al komt hij ook in de tweede of de derde nachtwake,
gelukkig die dienaars die hij zo aantreft.
39 Begrijpt dit wel:
als de eigenaar van het huis wist
op welk uur de dief zou komen
zou hij niet laten inbreken in zijn huis.
40 Weest ook gij bereid,
omdat de Mensenzoon komt
op het uur waarop gij het niet verwacht."
41 Petrus vroeg Hem nu:
"Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons
of voor iedereen?"
42 De Heer sprak:
"Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn,
die de heer over zijn dienstvolk zal aanstellen
om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven?
43 Gelukkig de knecht
die de heer bij zijn aankomst daarmee bezig vindt.
44 Waarlijk, Ik zeg u:
Hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit.
45 Maar zegt die knecht bij zichzelf:
Mijn heer blijft nog wel een poosje weg,
en begint hij de knechten en dienstmeisjes te slaan,
en gaat hij zich te buiten aan spijs en drank,
46 dan zal de heer van die knecht komen
op een dag dat hij hem niet verwacht
en op een uur dat hij niet kent;
en hij zal hem met het zwaard straffen
en hij zal hem zo het lot doen ondergaan
van de ontrouwen.
47 De knecht die de wil van zijn heer kende,
maar geen beschikkingen trof
noch handelde volgens diens wil,
zal zwaar getuchtigd worden.
48 Wie echter in onwetendheid
dingen heeft gedaan die tuchtiging verdienen,
zal slechts licht gestraft worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven zal veel worden geëist;
en van hem aan wie veel is toevertrouwd
zal des te meer worden gevraagd."
Lucas 12,35-48

Beginnen de geest te laten rusten bij Hem, bij mijn schat in de hemel. Mij ontdoen van alles wat mijn geest gevangen houdt en mij opjaagt. Mijn geest in ontvankelijkheid brengen voor Hem zoals de dienaren die wachten op de terugkomst van hun heer.

Een paar passen voor de bidplaats even stilstaan om me zijn tegenwoordigheid te binnen te brengen. Het geloof vernieuwen, dat Hij van zijn kant nog veel meer uitziet naar de vereniging bij de wederkomst dan ik. Het gebed is een voorproefje daarvan. Enigszins zoals de eucharistie een voorgave is van de komende heerlijkheid (pignus futurae gloriae). Dan maak ik een gebaar van eerbied zoals een dienaar voor zijn heer van wiens liefde hij zeker is.

Ik ga het gebed in door de houding van het gebed aan te nemen, liggend, zittend of geknield, al naargelang het mij helpt mijn openheid voor Hem te schragen en te ondersteunen. In deze houding vraag ik om de genade, dat heel mijn leven zal ingericht worden vanuit die openheid voor God, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Zoals het levensgevoel van die dienaars helemaal wordt bepaald door de verwachte terugkomst van hun heer.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: Jezus voorziet hoe het zou kunnen gaan, als Hij er niet meer is. Uit het oog, uit het hart. In drie beelden vermaant Hij tot waakzaamheid: het beeld van de dienaren die wachten op de terugkomst van hun heer, het beeld van de onverwachts inbrekende dief, het beeld van de beheerder of rentmeester die een heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld, als een bijzondere vermaning tot waakzaamheid voor de leiders van de kerk. Het is onze geschiedenis tot op de dag van vandaag. Zolang de geschiedenis duurt.

Ik stel me de plaats voor ogen: heel de schepping. Volgens Paulus "ziet de schepping met vurig verlangen uit naar het ogenblik, dat de heerlijkheid der kinderen Gods openbaar zal worden" ... "de hele natuur zucht en lijdt barensweeën, altijd door" (Rom 8,19.22). En in die schepping "ook wijzelf, die ... reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen ... onze hoop is gericht op het onzichtbare" (Rom 8,23.25).

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Jezus Christus mag leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik de sporen van zijn aanwezigheid mag kennen die Hij overal in de schepping, in de natuur en in de kerk van zichzelf heeft nagelaten. Wij mogen met Jezus omgaan achter de sluier van de zintuigelijkheid.

 
"Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend. Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun heer die naar de bruiloft is om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen. Gelukkig de dienaars die de heer bij zijn komst wakende zal vinden."

Wie zich in die tijd voor een reis gereedmaakte, of voor het werk, trok het lange, enigszins slepende bovenkleed op door een gordel om het middel, zodat de voeten vrij kwamen. Zo moesten de Joden doen bij het eten van het paaslam, alvorens zij de uittocht aanvaardden: "En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor de Heer" (Exodus 12,11). Jezus roept mij als zijn leerling op tot een nieuwe uittocht, weg uit de wereld van het gangbare, het gewone en alledaagse, het leven van deze aeon (dat is het tijdperk van deze wereld) tegenover die van de toekomstige wereld die voor Jezus en zijn volgelingen nu al begint. Weg van de vleespotten van Egypte, weg van een bestaan dat opgaat in eten, drinken, zich kleden. "Want de wereld die wij zien, gaat voorbij" (1 Kor 7,31).
Hoe gaat het eraan toe in een huis dat op het punt staat het hoogtepunt van zijn geschiedenis te beleven? Alles ademt er een feestelijke voorvreugde. Men doet de dingen anders, méér bezield van ijver en liefde. Ieder heeft zijn taak, maar allen zijn één van hart. Natuurlijk gaat niemand naar bed en hoe langer het duurt, des te bezorgder is men, dat men het kloppen van de heer niet mist.
Het huis is de schepping. De tijd dat de heer afwezig is, is de tussentijd, de tijd tussen de eerste en tweede komst van Jezus Christus. Deze tijd heeft veel weg van een nacht. Het licht van Christus, het licht van de wereld is nog niet in volle glorie zichtbaar, want de wereld volhardt in zelfgenoegzaamheid. Het is één nacht waarop de eeuwige duur van de nieuwe tijd zal volgen, een dag zonder avond: "de stad (het nieuwe Jeruzalem) heeft het licht van zon en maan nodig, want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam ... en er zal geen nacht meer zijn" (Openb 21,23).
Deze dag brak aan met de opstanding van Jezus Christus. Toen viel er een straal van zijn onvergankelijke licht in de harten der christenen: bij hun doopsel. Nu wordt het nooit meer echt donker in de wereld. Het duister van de wereld wordt verlicht door de brandende lampen van Jezus' volgelingen. Zijn liefde heeft ze ontstoken en de verwachting van zijn komst houdt ze brandend. Paulus spreekt van de christenen als van mensen "die temidden van een boos geslacht stralen als sterren in het heelal" (Fil 2,15).

 
"Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun heer die naar de bruiloft is."

Waarom blijft de heer weg? De parabel zegt: terwille van een bruiloft. Zijn eigen bruiloft wellicht? Hij haalt zijn bruid op uit haar ouderlijk huis en voert haar plechtig naar zijn eigen huis. De menselijke geschiedenis is niets anders dan dat God doende is de gezamenlijke mensheid binnen te halen in het nieuwe en eeuwige verbond: "Ik neem u als mijn bruid, voor altijd" (Hosea 2,21). Dit proces is de verborgen, maar eigenlijke inhoud van de wereldgeschiedenis, ook van mijn persoonlijke levensgeschiedenis. Tot aan de voleinding verlooft Hij zich met de zielen die Paulus of een ander bij Hem brengt (2 Kor 11,2). En aan het einde der tijden verschijnt de kerk "als een bruid die zich voor haar man heeft getooid" (Apoc 21,2). Maar in de parabel verschijnt de bruid niet. Of toch wel?

 
"Gelukkig de dienaars die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal zich omgorden en hij zal hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen."

De bruid verschijnt in deze parabel niet, evenmin als in de parabel van de tien bruidsmeisjes of van het koninklijke bruiloftsmaal. Degenen die de Heer vol bereidheid en vreugde verwachten, zullen bij zijn verschijnen zelf als "bruid" geopenbaard worden. Dit wordt uitgedrukt in het uitrusten van de genodigden aan de gemeenschappelijke tafel waar Hijzelf dient en rondgaat. Dat doet Jezus nu al in de eucharistie. Aan de eucharistie kunnen we zien wat Hij met ons voor heeft in de eeuwigheid. Want eucharistie is vóór-gave, gave vooraf van de werkelijkheid die komen gaat.

 
"Al komt hij ook in de tweede of derde nachtwake, gelukkig die dienaars die hij zo aantreft."

De nacht werd in die dagen verdeeld in drie of vier nachtwaken van elk vier of drie uur. Vanaf zes uur 's avonds tot de volgende ochtend zes uur. De tweede en derde nachtwaken vinden plaats in het holst van de nacht of helemaal aan het eind van de nacht. Wie zo'n lange, haast uitzichtloos lange tijd doorbrengt in waakzaamheid, het hart liefdevol bereid houdend voor de Heer, krijgt een zaligheid toebedeeld. Want gelukkig betekent "zalig".

 
"Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij niet laten inbreken in zijn huis. Weest ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht."

Een vergelijking die opgaat op slechts één enkel punt: de onverwachtheid. Gods plannen gaan die van de mensen te boven. De mens moet zich aanpassen en inpassen. Niet andersom.

 
"Petrus vroeg Hem nu: Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons of voor iedereen?"

Petrus vraagt: Bedoelt U deze gelijkenis voor ons die in het gewijde ambt staan of voor iedereen, voor alle volgelingen? Blijkbaar heeft de kerk van meet af aan uit twee onderscheiden groeperingen bestaan die niet tot elkaar te herleiden zijn: priester en leek. Maar die tweedeling tussen priester en leek is nu ook weer niet zo, dat wat voor de een geldt, niet zou gelden voor de ander. De eerste gelijkenis geldt voor allen. Allen moeten waakzaam zijn, leven vanuit het einde. Niemand mag opgaan in het hier en nu, in het voor de hand liggende. Dan pas krijgen de ambtsdragers hun eigen plaats door een aparte, voor hen alleen bestemde gelijkenis waarin hun die waakzaamheid nog eens extra wordt ingescherpt.

 
"De Heer sprak: Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn, die de Heer over zijn dienstvolk zal aanstellen om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven?"

De parabel leert een grotere verantwoordelijkheid voor degenen die in de leiding staan. Nu zou het weer kunnen zijn, dat zij die in de kerk niet in de leiding staan, dit weer naast zich neerleggen. Zij kunnen denken, dat zij als ondergeschikte helemaal geen verantwoordelijkheid hebben en dat zij hun verantwoordelijkheid kunnen afwentelen op de leiders: het zijn de bisschoppen, de priesters ("het verraad der klerken"). Maar wat binnen de kerk de leiders zijn tegenover de onderdanen, dat zijn de christenen tegenover de hele wereld: de geroepen leiders, stad op de berg, het zout van de aarde.

 
"Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist; en van hem aan wie veel is toevertrouwd, zal des te meer worden gevraagd."

Van ieder van ons kan worden gezegd, dat hem veel is toevertrouwd. Petrus zegt in zijn eerste brief aan pasgedoopte christenen: "Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2,9).
Dat is bestemd voor ieder van ons. Als iemand van ons valt, verliezen velen het evenwicht. Als bij een christen het licht van het geloof uitvalt, dooft er een sprankje hoop in de harten van gelovigen én ongelovigen.

Vertragend eindigen door gesprekjes te voeren met Petrus, met Jezus die zelf gewaakt en gebeden heeft. Zijn waakzaam oog op me laten rusten. Ik kan me realiseren, dat Hij niets van wat de Vader Hem heeft toevertrouwd, verloren laat gaan (Joh 6,39). Tenslotte me door Jezus bij de Vader laten brengen en mijn hart uitstorten bij Hem. Want het is de Vader zelf die mij veel heeft toevertrouwd en die van mij veel zal vragen. Een Onze Vader bidden.

De terugblik of reflexie kan mij inzicht geven hoe het feitelijk staat met mijn waakzaamheid:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik niet waakzaam, ga ik op in dingen en mensen, terwijl het verband zoek is met de nieuwe wereld.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar merkte ik iets van zijn waakzaamheid voor mij. Want ik kan niet bij Hem zijn, als Hij niet bij mij is.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is dan wat de Vader mij nu persoonlijk toevertrouwt.