Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 21 | naar de streek van Tyrus en Sidon. |
| 22 | trad een Kananeese vrouw uit dat gebied naar voren, luid roepend: "Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld." |
| 23 | Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: "Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen." |
| 24 | "Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden." |
| 25 | wierp zich voor zijn voeten neer en zei: "Heer, help mij!" |
| 26 | "Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven." |
| 27 | want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen." |
| 28 | "Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd." En van dat ogenblik was haar dochter genezen. |
| Matteüs 15, 21-28 |
In het inwendige gebed leeft men van een kracht die vanuit het diepst van het hart opwelt. Het is iets wat wij niet zelf kunnen maken. Wij worden aangeraakt door Hem. Om voeling te krijgen met die diepte in ons, eerst de geest wat laten rusten bij Hem.
Een paar passen voor de plaats staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, lettend op mijn geloof méér dan op mijn noden. Me klein maken in een gebaar, zoals de vrouw die zich voor zijn voeten neerwierp.
Het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, een houding die past bij mijn verlangen om van Hem te ontvangen. Ik kan mijn openheid voor Hem nog in de hand werken door in een gebed om de genade te vragen, dat heel mijn leven in het teken mag staan van deze bereidheid: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Om echt aan het evangelie deel te nemen, overzie ik de geschiedenis: In het heidenland komt Hem een vrouw tegemoet die haar nood tegen Hem uitschreeuwt: zij heeft een dochter die van de duivel is bezeten en verschrikkelijk wordt gekweld. Jezus negeert haar en, als zij blijft aandringen, geeft Hij de reden aan: zijn Vader zond Hem alleen tot de verloren schapen van het huis Israël. Maar iets drijft die vrouw om vol te houden, zodat zij zelfs uit de meest botte afwijzing van Jezus nog een reden weet te vinden om haar toch te verhoren. Jezus onderkent de hemelse oorsprong van het geloof van de vrouw en kondigt haar de inwilliging van haar verlangen aan. Met zijn compliment over het geloof van de heidin zou Jezus de joodse vrouwen jaloers kunnen maken, jaloers op haar grote geloof, zoals Hij eerder de joodse mannen afgunstig had trachten te maken met zijn compliment over het geloof van de heidense honderdman (8,10-13).
De plaats waar dit is geschied: in de streek van Tyrus en Sidon, rijke stadsstaten die vanouds op de Joden neerzagen, een plaats die enigszins lijkt op onze ontkerstende samenleving.
Om genade te kunnen krijgen moet men ernaar verlangen. Maar dat verlangen naar een bijzondere genade is zelf een genade. Het is een teken, het begin van wat God in ons gaat voltooien. Hier zal ik vragen om een diepe kennis van Jezus' heilig Hart zoals de vrouw in dit evangelie toont te hebben.
In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van
Tyrus en Sidon.
Jezus is niet in zijn eigen land, bij zijn eigen land- en geloofsgenoten, maar tussen de heidenen, de ongelovigen. Een situatie waarin veel volgelingen van Jezus zich momenteel bevinden. Joden en heidenen verhouden zich tot elkaar als "haves" en "have-nots", als geestelijk rijken en armen: "Hun behoort de aanneming tot zonen, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus voort naar het vlees, die, boven alles verheven, God is" (Rom 9,4-5). Maar met heel hun geestelijke rijkdom liepen de joden gevaar zich zelfgenoegzaam te installeren in de oude heilsbedeling en zich zodoende te sluiten voor de nieuwe. Zelfgenoegzaamheid is de bekoring van geestelijk bevoorrechten, de joden toen en de christenen nu.
Wie arm is voor God, kan van God ontvangen. Het is zaak om mij in alle schamelheid en gebrekkigheid voor God te stellen en van de nood een deugd te maken, zoals de Kananeese vrouw deed.
Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw uit dat
gebied naar voren, luid roepend: Heb medelijden met mij, Heer,
Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt
verschrikkelijk gekweld."
Een arme vrouw, in meer dan één opzicht: godsdienstig, maatschappelijk en familiaal: een heidin, een vrouw, en om de maat vol te maken: met een dochter die van de duivel bezeten was. De vraag is niet zozeer: kan dat? Wat is daarvan te denken? Maar: waar ben ik zoals die vrouw? In dit gebeuren wordt gezegd wat er is met dé mens en wat God daaraan wil doen. Waar ben ik als die vrouw, niet behorend tot de bevoorrechten, eruit liggend, met misprijzen aangezien? Of waar ben ik als haar kind? Bezeten in plaats van bezitter; bezeten door verlangen naar geld, aanzien, gelding, contacten, prestaties, bevestiging, geborgenheid?
luid roepend: "Heb medelijden met mij, Heer" ...
In het Grieks vertaald heet het letterlijk: Kyrie eleison. Wij
kennen dat als een heel oud gebed. Blijkbaar een gebed voor alle
tijden en voor alle mensen, rijk en arm, ziek en gezond, jong en
oud, geleerd en ongeletterd. Als mensen voor God komen te staan,
dan zeggen zij allemaal: "Heer, ontferm U." En wanneer God ons
ziet: "werd Hij door medelijden bewogen" (14,14; 9,36).
Dat Jezus medelijden met haar zal hebben, is de gelovige intuïtie
van de vrouw. Zij kan in zijn hart kijken. Dwars door de harde,
afwijzende buitenkant heen.
Maar Jezus gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen
wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: "Stuur die
vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen."
De vrouw gaat door zoals bedelaars in het Oosten dat kunnen, en
zoals gelovigen gewend zijn: nooit ophouden, niet versagen, het
nooit opgeven. Dat is de kracht van de kerk. Zij bouwt op het
rotsvaste vertrouwen dat eens de redding zal dagen. Zij bouwt
niet op menselijke zekerheden. Zij ziet iets wat geen mens kan
zien. Als niemand er meer iets in ziet, ziet het geloof er nog
iets in.
De leerlingen worden geïrriteerd en willen haar weg
hebben. Zoals zij het volk weg willen laten sturen: "Stuur dus
het volk weg" (14,15) en zoals zij de kinderen bars afwezen
(19,13).
Hij antwoordde: "Ik ben alleen maar tot de verloren
schapen van het huis van Israël gezonden."
Jezus reageert anders dan zijn leerlingen: niet vanuit persoonlijke gevoelens van irritatie, maar vanuit wat aan de grondslag ligt van heel Jezus' doen en laten: de zending door zijn Vader. Jezus herinnert zijn leerlingen aan de beperking van zijn zending: "begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël" (10,5-6).
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten
neer en zei: "Heer, help mij!" Hij gaf haar ten antwoord: "Het is
niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de
honden te geven."
Wie zou het de vrouw kwalijk genomen hebben, als zij zich nu geërgerd zou hebben teruggetrokken? Of berustend, fatalistisch, gelaten, uitgedoofd. Maar het lijkt er wel op of ze gewoon beter weet wat er in Jezus eigenlijk omgaat. Het heeft er iets van dat ze het gevraagde eigenlijk al gekregen heeft, maar dat ze dit alleen nog bevestigd moet krijgen. Ze moet als het ware alleen nog maar het woord aan Jezus' mond ontlokken. In haar hart gelooft ze, dat Jezus haar niet zal weigeren. Die diepe inkijk in het binnenste van Jezus, haar diepe geloof maakt haar ook vindingrijk. In de harde afwijzing haalt ze triomfantelijk de verhoring tevoorschijn die er, als een parel in de harde schaal van een schelp, in verborgen ligt. In dit woord van de hond verbergt zich voor haar een kans, tenminste als ze het gelovig wil aannemen. Wanneer zij het wil aannemen als een woord van de Heer. En dat doet ze. Want wie heeft gelijk behalve Hij alleen? En wie is zij, dat zij zich boven zijn woord zou durven verheffen? Zij laat zich dit woord van de (heiden)honden gelovig aanzeggen, zonder tegenspraak. En dan roept dit woord als vanzelf in haar verlossingsbehoeftige ziel de voorstelling wakker:
"Toch wel, Heer", - sprak zij - "want de honden eten immers
toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters
vallen."
Zij speelt de bal die Jezus haar toewierp, terug en het woord
waarmee Jezus haar afwijst, wordt voor haar tot een woord waarin
zij haar vertrouwen kan uitspreken. Geen "nee, maar", maar
spontane, stralende toestemming met het beeld dat Hij zelf haar
geschonken heeft. Volgens de logica van haar gelovige hart.
Zij is als de arme Lazarus voor de deur van de rijke vrek. De
arme Lazarus zou zijn honger willen stillen met de broodkruimels
van de tafel van de rijkaard (Lc 16,21).
En zou zij dan
tevergeefs wachten voor de deur van de goddelijke barmhartigheid
die de Vader in Jezus opendoet?
De woorden uit het evangelie waar ik meer moeite mee heb, en de
dingen in mijn leven waarmee ik uit mij zelf geen raad weet, zijn
dikwijls de dingen waarmee God mij meer wil leren. Tenminste,
wanneer ik ermee naar Hem toega.
"
Daarop zei Jezus haar: "Vrouw, ge hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd." En van dat ogenblik was haar
dochter genezen.
Wanneer iemand zó gelooft, wanneer iemand zich niet tot rechter over Gods woord en Gods gedrag verheft, maar omgekeerd zich door Gods woord laat leren, dan heeft hij groot geloof: "Vrouw, ge hebt een groot geloof!" Het geloof is sterker dan iedere afwijzende macht. Als iemand zich laat afwijzen, dan hebben alleen vlees en bloed gesproken. Dan wil iemand alleen maar Jezus naar zich toehalen, voor zijn karretje spannen. Dan is het niet de Vader die hem naar Jezus toe trekt: "Niemand kan tot Mij komen, wanneer de Vader die Mij gezonden heeft, niet trekt" (Joh 6,43). Uit die goddelijke bron heeft ook Petrus zijn kennis van Jezus geput: "niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is" (16,17). Het was dus de Vader zelf die door de heilige Geest raakte aan het hart van de vrouw en zo Jezus over de grenzen van Israël naar de heidenwereld heeft geroepen. Deze arme, eenvoudige vrouw is in de volharding van haar gebed, in haar geduld, in haar gelovig vertrouwen, maar ook in haar verhoord worden een beeld van de toekomstige kerk. En een zuster van de moeder van Jezus.
In Kana bewerkte het geloof van Maria de opheffing van de tijdgrens die door de Vader aan Jezus was gesteld: "Nog is mijn uur niet gekomen." Het "uur" is het uur van de Vader. Zijn uur breekt aan op het moment, dat Maria de geloofsbeproeving doorstaat en gelooft: "Doet maar wat Hij u zeggen zal" (Joh 2,5). Op dezelfde manier wordt Jezus door het geloof van de Kananese vrouw bewogen om de grens ("de scheidsmuur" tussen Joden en heidenen, Ef 2,14) te overschrijden die Hem door de Vader gesteld was. In beide gevallen wordt het geloof door Jezus beproefd of het van de Vader is.
Lest best. Het einde van het gebed kan het beste geschieden op de wijze van gesprekjes, al hoeft men natuurlijk niet met de gesprekjes tot het einde te wachten. Wel heeft er in het gebed eenzelfde verloop plaats als in dit evangelie: van op afstand schreeuwen en roepen komt het geleidelijk aan tot naderbij komen voor een gesprek. Ik stort mijn hart uit bij de vrouw, bij Jezus en tenslotte bij de Vader die hier steeds op de achtergrond aanwezig was. Een Onze Vader bidden.
Na afloop kan ik even nadenken hoe het gegaan is. Daarbij is het
goed om erop te letten hoe de verschillende geesten op mij hebben
ingewerkt; of met andere woorden: Nagaan of ik tot
onderscheiding van geesten kan komen
