Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen:
49 "Vuur ben Ik op aarde komen brengen,
en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait!
50 Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik Mij
totdat het volbracht is.
51 Meent gij,
dat Ik op aarde vrede ben komen brengen?
Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid.
52 Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn;
drie zullen er staan tegenover twee
en twee tegenover drie;
de vader tegenover de zoon
en de zoon tegenover de vader;
53 de moeder tegenover de dochter
en de dochter tegenover de moeder,
de schoondochter tegenover haar schoondochter
en de schoondochter tegenover de schoonmoeder."
Lucas 12,49-53

Niet onmiddellijk met het gebed beginnen. Een langere tijd van inwendig gebed vraagt om een langere voorbereiding. Beginnen mijn geest wat te laten rusten bij Hem, dat wil zeggen mijn geest openmaken voor Hem die "komt" van Godswege: als een "vuur".

Bij de plaats van het gebed een moment stilstaan om me Gods tegenwoordigheid te binnen te brengen, dat Hij me ziet, welwillend, bereid om voor mij door het vuur heen te gaan. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield alnaargelang ik denk Hem het beste te kunnen vinden. Daarop wil ik in dit gebed bedacht zijn. Dat vraag ik dan ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis:

  1. Jezus zegt gekomen te zijn om vuur op aarde te brengen, het vuur van de liefde, van de heilige Geest.
  2. Jezus realiseert zich, dat Hijzelf door dit vuur zal worden verteerd. Dat is het doopsel in de wateren van het lijden. Hij voelt zich beklemd.
  3. Daarmee keert Hij de bestaande verwachtingen om en wordt een steen des aanstoots waaraan de geesten zich scheiden: geen vrede, maar verdeeldheid. Tot in de oercel van de menselijke samenleving, het gezin. Deze geschiedenis is actueel tot op de dag van vandaag.

Ik stel me de plaats voor waar dit geschiedt: in Jezus' eigen leven, in de breuk tussen joden en christenen, heel de geschiedenis van het christendom tot op de dag van vandaag in mijn eigen milieu, mijn familie.

Ik vraag om de bijzondere genade: om een innerlijke kennis van de Heer, dat ik het vuur mag voelen waardoor Hij wordt aangegrepen om Hem zo méér terug te beminnen en Hem van méér nabij te volgen, in vrijheid tegenover de mensen.

 
"In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: Vuur ben Ik op aarde komen brengen en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait."

Niet alle vuur is even heilig. Niet alle vurigheid is van de goede geest. Je hebt een heilig en een onheilig vuur. Eens werden de zonen van de donder aangegrepen door zo'n onheilig vuur, toen de Samaritanen hen niet wilden ontvangen: "Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen? Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht" (9,54-55). Dat is het vernietigende vuur dat Johannes de Doper zag aankomen: "Elke boom die geen goede vruchten draagt, wordt gekapt en in het vuur geworpen" (3,9) "... het kaf zal Hij verbranden in onuitblusbaar vuur" (3,17). Omdat Jezus niet met dit vuur kwam, werden de leerlingen van Johannes de Doper geërgerd. Jezus kwam zonder dat vuur en daarom vroegen zij: "Zijt Gij de Komende of hebben wij een ander te verwachten?" (7,20) Dat is hetzelfde vuur waardoor mensen vlam vatten als zij kwaad worden of ongeduldig, als zij zich laten leiden door hun natuurlijke impulsen. Door dat soort vuur worden mensen aangegrepen als zij anderen de mantel uitvegen, of de behoefte voelen om het mes erin te zetten of om de wereldorde ondersteboven te keren. Dan grijpen zij vooruit op het oordeel dat alleen aan God toekomt. Van Jezus zegt Petrus echter: "Hij die geen zonde heeft gedaan en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overliet aan Hem die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2,22-23).
Het vuur dat Jezus is komen brengen is het vuur van de heilige Geest: "Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur" (3,16). Het is het vuur dat in de apostelen begon te branden, toen Jezus hun de schriften verklaarde: "Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" (24,32). Dat vuur daalde met pinksteren op de kerk neer: "Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest" (Hand 2,3-4).
Welk is het verschil tussen het onheilige en het heilige vuur? Het ene slaat naar buiten en verschroeit en vernietigt daar alles waarmee het in aanraking komt. Het heilige vuur slaat naar binnen en veroorzaakt er een binnenbrand. Jezus wordt er Zelf door verteerd: "De ijver voor uw huis zal Mij verteren" (Joh 2,17). De tempelreiniging waarop Jezus zijn ijver richtte, leidde uiteindelijk tot de vernietiging van de tempel van zijn eigen lichaam.

 
"Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is."

Jezus wordt van angst vervuld, wanneer Hij eraan denkt, dat het oordeel van God zich plaatsvervangend tegen Hem zal richten. Het lijden zal eens als een watervloed over Hem heenbreken: "Hoe beklemd voel Ik Mij ..." De doodsangst van Getsemani zendt haar boden voor zich uit. Dit vooruitweten van zijn gruwelijk lijden heeft zijn leven lang als een steen op Jezus' Hart gedrukt. Dat maakt zijn lijden wezenlijk verschillend van het lijden van wie dan ook. Mensen zeggen wel eens: Als ik dat geweten had, zou ik er nooit aan begonnen zijn. Jezus wist. Toch begon Hij eraan. Bovendien kon Hij als God "zijn vijanden vernietigen" (Ignatius, Geestelijke Oefeningen nr. 196), maar Hij deed het niet. Jezus leed vrijwillig. Hij leed, omdat Hij wilde lijden. Dat Hij een lijdende Messias wilde zijn, dat was een bron van ergernis. Daaraan scheiden zich de geesten. Ten tijde van Jezus. Tot op de dag van vandaag.

 
"Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen zeg Ik u, juist verdeeldheid."

Jezus heeft het lijden gemaakt tot een middel van verzoening en verlossing. Maar daaruit ontstaat verdeeldheid en onvrede. Zelf kwam Hij vrede brengen: toen Jezus geboren werd, werd God geprezen om de vrede: "Vrede op aarde onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft" (2,14). Hij zendt vrouwen heen in vrede: "Ga in vrede" (7,50; 8,48). Het eerste woord dat zijn leerlingen bij het binnentreden van een huis moeten uitspreken, is het woord "vrede": "Vrede aan dit huis" (10,5). En Jezus' vaste begroetingswoord na zijn verrijzenis was: "Vrede zij u" (24,36; Joh 20,20.21.26). Maar deze vrede is niet los verkrijgbaar. Los van Jezus. De vrede zit aan Hem vast. Als je niet in Hem gelooft, je niet overgeeft aan de weg van het kruis, krijg je geen vrede. Integendeel: onvrede binnen in je en verdeeldheid naar buiten. Zo ontstaat kerk: het vredesdomein van Jezus waartegen de wereld zich afzet. Het is dus niet zo, dat sinds Jezus "alle mensen broeders worden" (slotzang van Beethovens 9e symphonie). Want om broeder en zuster te kunnen worden van elkaar, moet je eerst broeder en zuster worden van Jezus. Maar Hij is een teken van tegenspraak.

 
"Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn; drie zullen er staan tegenover twee en twee tegenover drie; de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader; de moeder tegenover de dochter en de dochter tegenover de moeder, de schoonmoeder tegenover de schoondochter en de schoondochter tegenover de schoonmoeder."

Alle banden en verbanden moeten worden opengebroken om zich in te voegen in de band met Jezus, "Middelaar van een nieuw verbond" (Hebr 9,15). De familieband is de sterkste van alle. Daarom hoeft alleen maar deze worden genoemd. A fortiori geldt hetzelfde van alle andere banden.

Aan het slot gesprekjes voeren met Jezus die voor mij door het vuur is gegaan en zich als mens ontdaan heeft van alle menselijke banden, zelfs van die van zijn moeder. Me dan door Jezus laten inleiden bij de Vader. Naar de Vader gaan. Hij staat nooit tegenover zijn kinderen, als zij zich aan zijn Zoon binden. Alle gedachten en gevoelens laten binnenstromen in het Onze Vader, zodat dit gebed van Jezus met een nieuwe gevoelslading gebeden kan worden in de volgende eucharistie.

De terugblik of reflexie stelt mij in staat te zien waar ik nog niet zo en waar ik wel verbonden ben met Jezus:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was?
  2. Waar waren we wel bij elkaar?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?