Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Eenentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
13 Toen Jezus in de streek
van Caesarea van Filippus gekomen was,
stelde Hij zijn leerlingen deze vraag:
"Wie is, volgens de opvatting van de mensen,
de Mensenzoon?"
14 Zij antwoordden:
"Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia,
weer anderen Jeremia of een van de profeten."
15 "Maar gij - sprak Hij tot hen -,
wie zegt gij dat Ik ben?"
16 Simon Petrus antwoordde:
"Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God."
17 Jezus hernam:
"Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona,
want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard
maar mijn Vader die in de hemel is.
18 Op mijn beurt zeg Ik u:
Gij zijt Petrus;
en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen
en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
19 Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen
en wat gij zult binden op aarde,
zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde,
zal ook in de hemel ontbonden zijn."
20 Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk
iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.
Matteüs 16, 13-20

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Afdalen in mezelf waar al het bijkomstige van mij afvalt, alles wat "vlees en bloed" is, wat de "opvattingen van de mensen" mij leren. Dat alles laten vallen, zodat ik daar kom waar ik uit Gods hand mijn vrijheid ontvang om open te komen voor Jezus als een geheim uit de hemel, dat mij door de Vader in de hemel wordt geopenbaard.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, sta ik stil en richt ik de blik omhoog: ik zie hoe Hij mij ziet, zoals Hij in Simon, een mens van vlees en bloed, de rots heeft gezien. Door een gebaar mijn eerbied laten groeien.

Het gebed ingaan in de houding die het beste in staat is het besef van Gods aanwezigheid te ondersteunen, liggend, zittend of geknield, maar zo min mogelijk bewegen zodat ik erop kan letten hoe ik in mijn geweten bewogen wórd, zoals Petrus door de Vader in de hemel bewogen werd vóórdat hij Jezus als de Christus beleed.
In deze houding vraag ik om de genade, dat ik God mag dienen zoals Hij alleen gediend wil worden: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De volgende drie stapjes hebben de bedoeling mij dichter bij Jezus, de Zoon van de levende God, te brengen als de Persoon in Wie de Vader zich helemaal heeft uitgesproken:
Eerst overzie ik in grote lijnen de geschiedenis:

  1. De belijdenis van de mensen: "Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?" Deze belijdenis is tevens de belijdenis van de verdeeldheid: "sommigen ... anderen ... weer anderen."
  2. De belijdenis van de kerk: "Maar gíj ..." door de mond van woordvoerder Petrus.
  3. De belijdenis van Jezus: "Op mijn beurt zeg Ik u."
  4. Na de belijdenis een zwijggebod.

De plaats: in de streek van Caesarea van Filippus, dat wil zeggen op heidens gebied, in de verborgenheid. Misschien bij een massieve, indrukwekkende rotspartij ter plaatse. Een rots kon de Israëliet aan God doen denken: "Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind" (Psalm 18,2). De kerk, gefundeerd op het Petrusambt, is het geestelijk rotsmassief in de wereld, het werk van God in onze geschiedenis, bezield door een dood-bestendig leven.
Ook mijn eigen plaats zien: dat ik niet gewoon maar bij mensen hoor, maar bij de kerk en daardoor andere opvattingen heb. Kerk ontstaat doordat niet iedereen in Jezus ziet wat Petrus krachtens goddelijke openbaring in Hem ziet. Ik onderscheid me van de mensen doordat ik in Jezus zie wat de Vader in de hemel mij over Hem openbaart.

Aangezien het om een goddelijk geheim gaat, moet ik eerst weer vragen om een bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus mijn Heer, om Hem beter te leren kennen als de "Zoon van de levende God", als de door Gods Geest Gezalfde, om Hem meer van harte lief te hebben en Hem meer van nabij te volgen.

 
Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: "Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?"

Jezus leidt zijn zelfopenbaring in met een vraag aan de leerlingen. En die vraag aan de leerlingen leidt Hij weer in met een vraag naar de opvattingen van de mensen. Eerst moet duidelijk worden dat mensen in Jezus niet de Christus zien. Eerst moet het onvermogen en de onwetendheid van de mensen aan het licht komen. In de heilige Schrift wordt ook de menselijke onwetendheid geopenbaard. Hier wordt dus op goddelijke wijze geopenbaard, dat mensen uit zichzelf Jezus niet kennen. Maar ook binnen de kerk moeten de grote woorden van ons heilig geloof steeds weer opnieuw op de proef worden gesteld; of wij ze wel met de juiste inhoud geloven. Eigenlijk mogen we deze titels alleen gebruiken, wanneer we bij het uitspreken ervan contact hebben met degene over wie wij spreken. In de liturgie doen wij dat bijvoorbeeld door bij het uitspreken van de zoete Naam Jezus het hoofd te buigen of door in het koorgebed een diepe buiging te maken bij het "eer aan de Vader". En steeds weer mag ons geloof gepaard gaan met de erkenning van ons ongeloof: "Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!" (Mc 9,24) Het geloof is een wonder. Elke keer opnieuw. Maar dit wonder kan alleen geschieden na de deemoedige belijdenis van eigen onmacht om te geloven.
"Mensenzoon" is de titel waarmee Jezus bij voorkeur zichzelf aanduidt. Het betekent een combinatie van zwakheid en heerlijkheid. Van zwakheid: "De Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten" (8,20); "De Mensenzoon zal worden overgeleverd" (20,18); "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (20,28). Van heerlijkheid: "De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden" (13,41); "Bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid" (19,28).
Juist die combinatie maakt het geheim van Jezus ondoordringbaar voor de mens. In de aanvaarding van zwakheid en grootheid van Jezus ligt onze redding. En zo kan de vraag voor ons ook luiden: Wie is de echte mens? Wie is de redder van de humaniteit? Wie is de mens naar Gods bedoelingen. Wie is er met Gods Geest gezalfd?

 
"Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten."

De belijdenis van "vlees en bloed" en "volgens de opvattingen van de mensen" is tevens de belijdenis van de verdeeldheid: "sommigen ... anderen ... weer anderen ... of ..." De waarheid onder de mensen is gebroken, gefragmenteerd. Mensen zijn dan ook onderling en innerlijk verdeeld. Daarin wil Jezus verandering brengen door zichzelf in de plaats te stellen van de vele leiders en ideaalbeelden: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven" (Joh 14,6).
Wel hebben de mensen een zekere overeenkomst in hun verwachtingen. Het zijn allemaal profetische figuren. Dat is wat de mensen nog steeds van de kerk verwachten: iets profetisch, een profetisch woord over het huwelijk zoals Johannes de Doper sprak; een profetisch woord over sociale gerechtigheid zoals onder andere de profeet Jeremia deed en ook Johannes de Doper (Lc 3,10-14). Kerk moet bevrijden, emanciperen, de armen helpen zich te verlossen van de onderdrukking door de rijken, de vrouwen helpen zich te bevrijden van de overheersing door de mannen. Daar is de kerk ook voor. Maar zij mag haar opdracht niet daartoe terugbrengen. Want de kerk is ervoor om armen en rijken, vrouwen en mannen te winnen voor Christus. Christus is onze enige echte rijkdom. Christus is de schat uit de hemel die door de Vader aan de kerk werd toevertrouwd. Zij deelt deze schat uit, wanneer zij haar werken van barmhartigheid en haar sociale actie laat inspireren door de prediking van het evangelie, door missionering en het uitdelen van de sacramenten. De kerk is dus niet wereldvreemd, maar zij is ook niet zonder meer van de wereld. Kortom: niet ván de wereld (hemels), wel ín de wereld.

 
"Maar gij" - sprak Hij tot hen -, "wie zegt gij dat Ik ben?"

Jezus stelt het voor alsof er twee soorten mensen zijn: "de mensen", met "de opvattingen van de mensen", die zich laten leiden door "vlees en bloed". En dan heb je nog een ander soort mensen, mensen van wie Jezus uitdrukkelijk een ander antwoord verwacht op de vraag naar zijn identiteit. En die andere soort mensen, dat zijn de leerlingen wier woordvoerder Petrus is, mensen die zich niet laten leiden door "vlees en bloed", maar door "mijn Vader die in de hemel is". Worden er tot de kerk dan een speciaal soort mensen geroepen? Nee, niet de gelovigen uit zichzelf zijn anders, maar Jezus is anders. Door met Jezus om te gaan, wordt iemand anders en doordat wij in de kerk samen met Jezus omgaan, beginnen wij ons als groep af te tekenen tegenover de andere mensen, krijgen wij een ander levensgevoel, een andere moraal, een andere maatschappij-opvatting, een ander lichaam.
Kerk is wezenlijk anders. Dat anders-zijn wil de kerk behouden, want alleen zo kan zij de wereld veranderen: "Wordt andere mensen, met een nieuwe visie" (Rom 12,2).
Hoe sta ik tegenover het anders-zijn van Jezus, van de kerk? Schaam ik mij ervoor? Bidden en de sacramenten ontvangen is dé manier om Jezus' uitstraling te ondergaan en zich door Hem te laten veranderen.

 
Simon Petrus antwoordde: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God."

Jezus stelde de vraag aan alle leerlingen (Wie zeggen 'jullie'?), maar het is alleen Petrus die namens alle anderen het antwoord formuleert. Zo functioneert Petrus in heel het evangelie. Hij is de eerste: de eerstgeroepene (4,18), de eerstgenoemde onder de apostelen: "als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd" (10,2), de woordvoerder namens de anderen: soms stelt alleen Petrus een vraag, maar richt Jezus zich in zijn antwoord tot allen (15,15-17; 18,21.35; 19,27-29).
Blijkbaar was de kerk hiërarchisch vanaf het begin, al tijdens Jezus' aardse leven, met een 'heilig' leiderschap, heilig, hemels of door God gegeven en niet volgens menselijke ordeningsprinciepen van stand, ras, geld, kennis, macht enz.
Tegenover de menselijke antwoorden formuleert Petrus, aangedreven door de heilige Geest, het kerkelijke credo: "Gij", Jezus van Nazaret, "zijt de Zoon van de levende God".
Ik kan dat Petrus nu nazeggen, niet vanuit gewoonte of plicht, maar vanuit mijn geloof, vanuit die diepte in mij waar ook mijn hart door de "vinger van Gods rechterhand", de heilige Geest, wordt aangeraakt.

 
Jezus hernam: "Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is."

Jezus zegt: niet je eigen menselijk inzicht, maar het licht van God liet je zo zuiver zien. Het geloof, in Jezus Christus, is een ingestorte deugd, evenals de hoop en de liefde. Dat betekent: het wordt je van bovenaf ingestort, geopenbaard, niet door vlees en bloed, maar door "mijn Vader die in de hemel is". Ook mijn geloof is een directe deelname aan het kennen en beminnen van de Vader en de Zoon in de heilige Geest. Daar, in het hart van de goddelijke Drieëenheid, is de kerk ontstaan en ontstaat de kerk steeds weer opnieuw. De kerk vernieuwt zich dan ook niet zozeer door sociale actie, herstructurering, vergaderen, beleidsverbetering, alswel door een vernieuwde Christus- en Godservaring. Kerkvernieuwing begint in het gebed. Want alleen God weet wie Jezus is: "Niemand kent de Vader tenzij de Zoon" (11,27).
Bij het doopsel was het alleen de Vader wiens stem uit de open hemel over Jezus sprak: "Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb" (3,17). En op de berg van Jezus' verheerlijking was het weer de Vader die zijn Zoon aan ons voorstelt: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld" (17,5). Dit duizelingwekkend geheim, dat de Vader die zetelt in het ondoorgrondelijke licht, mij, armzalige mens, in zijn hartsgeheimen opneemt, voltrekt zich nu ook tijdens het gebed in mij.

 
"Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen."

Zinspelend op zijn nieuwe naam Kephas (Aramees voor steenrots) zegt Jezus: "Gij zijt Kephas (steenrots) en op deze Kephas (steenrots) zal Ik mijn kerk bouwen." Op de belijdenis van Petrus spreekt Jezus nu zijn belijdenis uit. De belijdenis van Petrus, die ene eenmalige persoon, wordt nu door Jezus vastgeklonken aan een milieu, aan een gemeenschap, de kerk. Bij het overhandigen van zijn genade-geschenk zegt Jezus erbij hoeveel jaren garantie erop zit: een eeuwige garantie. De zuivere belijdenis is in Jezus' kerk doodbestendig. Een mens, vergankelijk als alle anderen, wordt door Jezus tot rots gemaakt. Een rots, we denken dan aan een bergmassief: vastheid, hechtheid, onbeweeglijkheid. Dat zijn de eigenschappen die het Joodse volk in de loop van de geschiedenis in God is gaan zien. Niet wankel, veranderlijk, wispelturig, onbetrouwbaar zoals de afgoden van de naburige volkeren, maar onbeweeglijk, soliede als een rots: "Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind" (Ps 18); "Voor ieder die vlucht tot Hem, is Hij een rots. Want wie is er God dan de Heer alleen? Wie is ons een rots tenzij God" (Ps 18,32; ook: Ps 28,11; 31,3; 62,3).
Wordt hier een mens vergoddelijkt? Niet de mens, de persoon, maar zijn ambt. Het Petrus-ambt heeft inderdaad goddelijke eigenschappen. Steeds weer zien we hoe de kerk dodelijke crises te boven komt. En zouden wij, die een diepgaande crisis meemaken van beschaving en kerk, dan bang zijn, dat de kerk het dit keer niet zal overleven?

 
"Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn; en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn."

Een sleutel is symbool van macht. Jezus draagt zijn sleutelmacht over aan Petrus. Niet de Farizeeën, die pretenderen de sleutelmacht van "het Rijk der hemelen" te bezitten en mensen van de gemeenschap met God te kunnen uitsluiten (23,13), maar Petrus krijgt de sleutelmacht.
Petrus krijgt van Jezus de macht om leiding te geven, te verkondigen, te genezen, macht ook om mensen binnen te laten in het koninkrijk der hemelen of ervan uit te sluiten. Want dat betekent dat binden en ontbinden. Binden is het uitspreken van de ban waardoor iemand uit de geloofsgemeenschap wordt gestoten. En ontbinden is de ban opheffen en hem weer toelaten tot de gemeenschap (zie ook 18,18). Het oordeel van het leerambt wordt door God zelf bekrachtigd.
Petrus en de kerk kunnen voor ons het rijk der hemelen openen en sluiten. God in de hemel staat garant voor de kerk op aarde. Men hoeft zich er niet over te verbazen, als mensen het hier moeilijk mee hebben. Toch mag er niets vanaf gedaan worden. Het is even fantastisch als de eucharistie. Trouwens, kerk en eucharistie zijn van dezelfde soort. In de eucharistie viert de kerk zichzelf, namelijk als levend van een leven vanachter de dood. Vanachter de dood vloeit de kerk een geheel nieuw leven toe, waarin Jezus werkelijk tegenwoordig is.
Zijn werkelijke tegenwoordigheid maakt het geheim uit van de kerk. Dat maakt dat bepaalde daden onfeilbaar zijn: wanneer de paus officieel iets leert, en ook de bisschoppen wanneer zij iets leren in eenheid met de paus. Maar mensen kunnen dit niet aan, wanneer zij niet eerst door het sacrament van de eucharistie zijn heengegaan en vanuit die kracht zijn gaan leven. Het is dan ook niet toevallig dat onmiddellijk na de belijdenis van Petrus, de belijdenis van Jezus volgt over zijn lijden. Dat wordt al aangekondigd in de slotzin:

 
Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was. Van dit ogenblik af begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, dat Hij daar veel zou moeten lijden (16,20-21).

Wanneer de Messias-titel op Jezus zou worden toegepast, zou het onderricht van de Vader worden verruild door het onderricht van de mensen en hun politieke aspiraties waarmee ze de Messias-titel zijn gaan opvullen. De rest van het onderricht laat Jezus over aan zijn Vader, wanneer deze Hem in de school van het lijden zal gaan vormen (Hebr 4,8). Pas vanachter de dood mag de Messias-titel opnieuw worden gebezigd. Zoals wij Jezus als de Christus bij voorkeur vieren in de eucharistie, dat wil zeggen: in de viering van zijn lijden en dood. Wat wij aan Jezus hebben, weten wij vooral, wanneer lijden ons overvalt.

Aan het eind gesprekjes voeren met Petrus, met Jezus als met een goede vriend: ontspannen, vertrouwelijk, want Hij is nederig, dat wil zeggen: ontvangt heel zijn goddelijke grootheid van de Vader. Tenslotte bij de Vader mij uitspreken. Een Onze Vader bidden, samen met Jezus en de kerk, langzaam, eerbiedig.

In een andere houding, zodat ik wat kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Daar heb ik me laten leiden door "vlees en bloed", "door de opvattingen van de mensen".
  2. Waar waren we wél bij elkaar? Waar werd ik opgenomen in de hartsgeheimen van de goddelijke Drieëenheid?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Iets van die onvergankelijkheid van de kerk dient zich soms ook al aan in het gebed doordat het in mijn hart blijft doorgaan, zonder dat ik er verder moeite voor hoef te doen.

Jezus en Petrus