Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 13 | van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: "Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?" |
| 14 | "Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten." |
| 15 | wie zegt gij dat Ik ben?" |
| 16 | "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God." |
| 17 | "Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. |
| 18 | Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. |
| 19 | en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn." |
| 20 | iemand te zeggen, dat Hij de Christus was. |
| Matteüs 16, 13-20 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Afdalen in mezelf waar al het bijkomstige van mij afvalt, alles wat "vlees en bloed" is, wat de "opvattingen van de mensen" mij leren. Dat alles laten vallen, zodat ik daar kom waar ik uit Gods hand mijn vrijheid ontvang om open te komen voor Jezus als een geheim uit de hemel, dat mij door de Vader in de hemel wordt geopenbaard.
Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, sta ik stil en richt ik de blik omhoog: ik zie hoe Hij mij ziet, zoals Hij in Simon, een mens van vlees en bloed, de rots heeft gezien. Door een gebaar mijn eerbied laten groeien.
Het gebed ingaan in de houding die het beste in staat is
het besef van Gods aanwezigheid te ondersteunen, liggend,
zittend of geknield, maar zo min mogelijk bewegen zodat ik erop
kan letten hoe ik in mijn geweten bewogen wórd, zoals Petrus door
de Vader in de hemel bewogen werd vóórdat hij Jezus als de
Christus beleed.
In deze houding vraag ik om de genade, dat ik God mag
dienen zoals Hij alleen gediend wil worden: dat al mijn
bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in
dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
De volgende drie stapjes hebben de bedoeling mij dichter bij
Jezus, de Zoon van de levende God, te brengen als de Persoon in
Wie de Vader zich helemaal heeft uitgesproken:
Eerst overzie ik in grote lijnen de geschiedenis:
De plaats: in de streek van Caesarea van Filippus, dat wil
zeggen op heidens gebied, in de verborgenheid. Misschien bij een
massieve, indrukwekkende rotspartij ter plaatse. Een rots kon de
Israëliet aan God doen denken: "Mijn God, de rots waar ik
toevlucht vind" (Psalm 18,2). De kerk, gefundeerd op het
Petrusambt, is het geestelijk rotsmassief in de wereld, het werk
van God in onze geschiedenis, bezield door een dood-bestendig
leven.
Ook mijn eigen plaats zien: dat ik niet gewoon maar bij mensen
hoor, maar bij de kerk en daardoor andere opvattingen heb. Kerk
ontstaat doordat niet iedereen in Jezus ziet wat Petrus krachtens
goddelijke openbaring in Hem ziet. Ik onderscheid me van de
mensen doordat ik in Jezus zie wat de Vader in de hemel mij over
Hem openbaart.
Aangezien het om een goddelijk geheim gaat, moet ik eerst weer vragen om een bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus mijn Heer, om Hem beter te leren kennen als de "Zoon van de levende God", als de door Gods Geest Gezalfde, om Hem meer van harte lief te hebben en Hem meer van nabij te volgen.
Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus
gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: "Wie is,
volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?"
Jezus leidt zijn zelfopenbaring in met een vraag aan de
leerlingen. En die vraag aan de leerlingen leidt Hij weer in met
een vraag naar de opvattingen van de mensen. Eerst moet duidelijk
worden dat mensen in Jezus niet de Christus zien. Eerst moet het
onvermogen en de onwetendheid van de mensen aan het licht komen.
In de heilige Schrift wordt ook de menselijke onwetendheid
geopenbaard. Hier wordt dus op goddelijke wijze geopenbaard, dat
mensen uit zichzelf Jezus niet kennen. Maar ook binnen de kerk
moeten de grote woorden van ons heilig geloof steeds weer opnieuw
op de proef worden gesteld; of wij ze wel met de juiste inhoud
geloven. Eigenlijk mogen we deze titels alleen gebruiken, wanneer
we bij het uitspreken ervan contact hebben met degene over wie
wij spreken. In de liturgie doen wij dat bijvoorbeeld door bij
het uitspreken van de zoete Naam Jezus het hoofd te buigen of
door in het koorgebed een diepe buiging te maken bij het "eer aan
de Vader". En steeds weer mag ons geloof gepaard gaan met de
erkenning van ons ongeloof: "Ik geloof, kom mijn ongeloof te
hulp!" (Mc 9,24) Het geloof is een wonder. Elke keer opnieuw.
Maar dit wonder kan alleen geschieden na de deemoedige belijdenis
van eigen onmacht om te geloven.
"Mensenzoon" is de titel waarmee Jezus bij voorkeur zichzelf
aanduidt. Het betekent een combinatie van zwakheid en
heerlijkheid. Van zwakheid: "De Mensenzoon heeft niets waar Hij
zijn hoofd op kan laten rusten" (8,20); "De Mensenzoon zal worden
overgeleverd" (20,18); "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend
te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs
voor velen" (20,28). Van heerlijkheid: "De Mensenzoon zal zijn
engelen uitzenden" (13,41); "Bij de wedergeboorte, wanneer de
Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid"
(19,28).
Juist die combinatie maakt het geheim van Jezus ondoordringbaar
voor de mens. In de aanvaarding van zwakheid en grootheid van
Jezus ligt onze redding. En zo kan de vraag voor ons ook luiden:
Wie is de echte mens? Wie is de redder van de humaniteit? Wie is
de mens naar Gods bedoelingen. Wie is er met Gods Geest gezalfd?
"Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer
anderen Jeremia of een van de profeten."
De belijdenis van "vlees en bloed" en "volgens de opvattingen van
de mensen" is tevens de belijdenis van de verdeeldheid:
"sommigen ... anderen ... weer anderen ... of ..." De waarheid
onder de mensen is gebroken, gefragmenteerd. Mensen zijn dan ook
onderling en innerlijk verdeeld. Daarin wil Jezus verandering
brengen door zichzelf in de plaats te stellen van de vele leiders
en ideaalbeelden: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven" (Joh
14,6).
Wel hebben de mensen een zekere overeenkomst in hun
verwachtingen. Het zijn allemaal profetische figuren. Dat is wat
de mensen nog steeds van de kerk verwachten: iets profetisch, een
profetisch woord over het huwelijk zoals Johannes de Doper sprak;
een profetisch woord over sociale gerechtigheid zoals onder
andere de profeet Jeremia deed en ook Johannes de Doper (Lc 3,10-14).
Kerk moet bevrijden, emanciperen, de armen helpen zich te
verlossen van de onderdrukking door de rijken, de vrouwen helpen
zich te bevrijden van de overheersing door de mannen. Daar is de
kerk ook voor. Maar zij mag haar opdracht niet daartoe
terugbrengen. Want de kerk is ervoor om armen en rijken, vrouwen
en mannen te winnen voor Christus. Christus is onze enige echte
rijkdom. Christus is de schat uit de hemel die door de Vader aan
de kerk werd toevertrouwd. Zij deelt deze schat uit, wanneer zij
haar werken van barmhartigheid en haar sociale actie laat
inspireren door de prediking van het evangelie, door missionering
en het uitdelen van de sacramenten. De kerk is dus niet
wereldvreemd, maar zij is ook niet zonder meer van de wereld.
Kortom: niet ván de wereld (hemels), wel ín de wereld.
"Maar gij" - sprak Hij tot hen -, "wie zegt gij dat Ik
ben?"
Jezus stelt het voor alsof er twee soorten mensen zijn: "de
mensen", met "de opvattingen van de mensen", die zich laten
leiden door "vlees en bloed". En dan heb je nog een ander soort
mensen, mensen van wie Jezus uitdrukkelijk een ander antwoord
verwacht op de vraag naar zijn identiteit. En die andere soort
mensen, dat zijn de leerlingen wier woordvoerder Petrus is,
mensen die zich niet laten leiden door "vlees en bloed", maar
door "mijn Vader die in de hemel is". Worden er tot de kerk dan
een speciaal soort mensen geroepen? Nee, niet de gelovigen uit
zichzelf zijn anders, maar Jezus is anders. Door met Jezus om te
gaan, wordt iemand anders en doordat wij in de kerk samen met
Jezus omgaan, beginnen wij ons als groep af te tekenen tegenover
de andere mensen, krijgen wij een ander levensgevoel, een andere
moraal, een andere maatschappij-opvatting, een ander lichaam.
Kerk is wezenlijk anders. Dat anders-zijn wil de kerk behouden,
want alleen zo kan zij de wereld veranderen: "Wordt andere
mensen, met een nieuwe visie" (Rom 12,2).
Hoe sta ik tegenover
het anders-zijn van Jezus, van de kerk? Schaam ik mij ervoor?
Bidden en de sacramenten ontvangen is dé manier om Jezus'
uitstraling te ondergaan en zich door Hem te laten veranderen.
Simon Petrus antwoordde: "Gij zijt de Christus, de Zoon
van de levende God."
Jezus stelde de vraag aan alle leerlingen (Wie zeggen
'jullie'?), maar het is alleen Petrus die namens alle anderen het
antwoord formuleert. Zo functioneert Petrus in heel het
evangelie. Hij is de eerste: de eerstgeroepene (4,18), de
eerstgenoemde onder de apostelen: "als eerste, Simon die Petrus
wordt genoemd" (10,2), de woordvoerder namens de anderen: soms
stelt alleen Petrus een vraag, maar richt Jezus zich in zijn
antwoord tot allen (15,15-17; 18,21.35; 19,27-29).
Blijkbaar was de kerk hiërarchisch vanaf het begin, al tijdens
Jezus' aardse leven, met een 'heilig' leiderschap, heilig,
hemels of door God gegeven en niet volgens menselijke
ordeningsprinciepen van stand, ras, geld, kennis, macht enz.
Tegenover de menselijke antwoorden formuleert Petrus, aangedreven
door de heilige Geest, het kerkelijke credo: "Gij", Jezus van
Nazaret, "zijt de Zoon van de levende God".
Ik kan dat Petrus nu
nazeggen, niet vanuit gewoonte of plicht, maar vanuit mijn
geloof, vanuit die diepte in mij waar ook mijn hart door de
"vinger van Gods rechterhand", de heilige Geest, wordt
aangeraakt.
Jezus hernam: "Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want
niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die
in de hemel is."
Jezus zegt: niet je eigen menselijk inzicht, maar het licht van
God liet je zo zuiver zien. Het geloof, in Jezus Christus, is een
ingestorte deugd, evenals de hoop en de liefde. Dat betekent: het
wordt je van bovenaf ingestort, geopenbaard, niet door vlees en
bloed, maar door "mijn Vader die in de hemel is". Ook mijn geloof
is een directe deelname aan het kennen en beminnen van de Vader
en de Zoon in de heilige Geest. Daar, in het hart van de
goddelijke Drieëenheid, is de kerk ontstaan en ontstaat de kerk
steeds weer opnieuw. De kerk vernieuwt zich dan ook niet zozeer
door sociale actie, herstructurering, vergaderen,
beleidsverbetering, alswel door een vernieuwde Christus- en
Godservaring. Kerkvernieuwing begint in het gebed. Want alleen
God weet wie Jezus is: "Niemand kent de Vader tenzij de Zoon"
(11,27).
Bij het doopsel was het alleen de Vader wiens stem uit de open
hemel over Jezus sprak: "Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in
wie Ik welbehagen heb" (3,17). En op de berg van Jezus'
verheerlijking was het weer de Vader die zijn Zoon aan ons
voorstelt: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn
behagen heb gesteld" (17,5). Dit duizelingwekkend geheim, dat de
Vader die zetelt in het ondoorgrondelijke licht, mij, armzalige
mens, in zijn hartsgeheimen opneemt, voltrekt zich nu ook tijdens
het gebed in mij.
"Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze
steenrots zal Ik mijn kerk bouwen en de poorten van de hel zullen
haar niet overweldigen."
Zinspelend op zijn nieuwe naam Kephas (Aramees voor steenrots)
zegt Jezus: "Gij zijt Kephas (steenrots) en op deze Kephas
(steenrots) zal Ik mijn kerk bouwen." Op de belijdenis van Petrus
spreekt Jezus nu zijn belijdenis uit. De belijdenis van Petrus,
die ene eenmalige persoon, wordt nu door Jezus vastgeklonken aan
een milieu, aan een gemeenschap, de kerk. Bij het overhandigen
van zijn genade-geschenk zegt Jezus erbij hoeveel jaren garantie
erop zit: een eeuwige garantie. De zuivere belijdenis is in
Jezus' kerk doodbestendig. Een mens, vergankelijk als alle
anderen, wordt door Jezus tot rots gemaakt. Een rots, we denken
dan aan een bergmassief: vastheid, hechtheid, onbeweeglijkheid.
Dat zijn de eigenschappen die het Joodse volk in de loop van de
geschiedenis in God is gaan zien. Niet wankel, veranderlijk,
wispelturig, onbetrouwbaar zoals de afgoden van de naburige
volkeren, maar onbeweeglijk, soliede als een rots: "Mijn God, de
rots waar ik toevlucht vind" (Ps 18); "Voor ieder die vlucht tot
Hem, is Hij een rots. Want wie is er God dan de Heer alleen? Wie
is ons een rots tenzij God" (Ps 18,32; ook: Ps 28,11; 31,3;
62,3).
Wordt hier een mens vergoddelijkt? Niet de mens, de persoon, maar
zijn ambt. Het Petrus-ambt heeft inderdaad goddelijke
eigenschappen. Steeds weer zien we hoe de kerk dodelijke crises
te boven komt. En zouden wij, die een diepgaande crisis meemaken
van beschaving en kerk, dan bang zijn, dat de kerk het dit keer
niet zal overleven?
"Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en
wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn;
en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel
ontbonden zijn."
Een sleutel is symbool van macht. Jezus draagt zijn sleutelmacht
over aan Petrus. Niet de Farizeeën, die pretenderen de
sleutelmacht van "het Rijk der hemelen" te bezitten en mensen
van de gemeenschap met God te kunnen uitsluiten (23,13), maar
Petrus krijgt de sleutelmacht.
Petrus krijgt van Jezus de macht
om leiding te geven, te verkondigen, te genezen, macht ook om
mensen binnen te laten in het koninkrijk der hemelen of ervan uit
te sluiten. Want dat betekent dat binden en ontbinden. Binden is
het uitspreken van de ban waardoor iemand uit de
geloofsgemeenschap wordt gestoten. En ontbinden is de ban
opheffen en hem weer toelaten tot de gemeenschap (zie ook 18,18).
Het oordeel van het leerambt wordt door God zelf bekrachtigd.
Petrus en de kerk kunnen voor ons het rijk der hemelen openen en
sluiten. God in de hemel staat garant voor de kerk op aarde. Men
hoeft zich er niet over te verbazen, als mensen het hier moeilijk
mee hebben. Toch mag er niets vanaf gedaan worden. Het is even
fantastisch als de eucharistie. Trouwens, kerk en eucharistie
zijn van dezelfde soort. In de eucharistie viert de kerk
zichzelf, namelijk als levend van een leven vanachter de dood.
Vanachter de dood vloeit de kerk een geheel nieuw leven toe,
waarin Jezus werkelijk tegenwoordig is.
Zijn werkelijke
tegenwoordigheid maakt het geheim uit van de kerk. Dat maakt dat
bepaalde daden onfeilbaar zijn: wanneer de paus officieel iets
leert, en ook de bisschoppen wanneer zij iets leren in eenheid
met de paus. Maar mensen kunnen dit niet aan, wanneer zij niet
eerst door het sacrament van de eucharistie zijn heengegaan en
vanuit die kracht zijn gaan leven. Het is dan ook niet toevallig
dat onmiddellijk na de belijdenis van Petrus, de belijdenis van
Jezus volgt over zijn lijden. Dat wordt al aangekondigd in de
slotzin:
Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te
zeggen, dat Hij de Christus was. Van dit ogenblik af begon Jezus
zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest
gaan, dat Hij daar veel zou moeten lijden (16,20-21).
Wanneer de Messias-titel op Jezus zou worden toegepast, zou het onderricht van de Vader worden verruild door het onderricht van de mensen en hun politieke aspiraties waarmee ze de Messias-titel zijn gaan opvullen. De rest van het onderricht laat Jezus over aan zijn Vader, wanneer deze Hem in de school van het lijden zal gaan vormen (Hebr 4,8). Pas vanachter de dood mag de Messias-titel opnieuw worden gebezigd. Zoals wij Jezus als de Christus bij voorkeur vieren in de eucharistie, dat wil zeggen: in de viering van zijn lijden en dood. Wat wij aan Jezus hebben, weten wij vooral, wanneer lijden ons overvalt.
Aan het eind gesprekjes voeren met Petrus, met Jezus als met een goede vriend: ontspannen, vertrouwelijk, want Hij is nederig, dat wil zeggen: ontvangt heel zijn goddelijke grootheid van de Vader. Tenslotte bij de Vader mij uitspreken. Een Onze Vader bidden, samen met Jezus en de kerk, langzaam, eerbiedig.
In een andere houding, zodat ik wat kan schrijven, de vragen van
de reflexie beantwoorden:
