Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Een en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
22 Jezus trok rond door steden en dorpen,
gaf er onderricht en zette zijn reis voort naar Jeruzalem.
23 Iemand vroeg Hem:
"Heer, zijn het er weinig die gered worden?"
Maar Hij sprak tot hen:
24 "Spant u tot het uiterste in
om door de nauwe deur binnen te komen,
want, Ik zeg u, velen zullen het proberen,
maar er niet in slagen binnen te komen.
25 Als eenmaal de huisvader is opgestaan
en de deur gesloten heeft
en gij dan buiten op de deur begint te kloppen
en te roepen:
Heer, doe open!
zal Hij u antwoorden:
Ik weet niet waar gij vandaan komt.
26 Dan zult ge opwerpen:
In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken,
en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven.
Maar weer zal zijn antwoord zijn:
Ik weet niet waar gij vandaan komt.
27 Gaat weg van Mij,
gij allen bedrijvers van ongerechtigheid.
28 Daar zal geween zijn en tandengeknars,
wanneer gij Abraham, Isaäk en Jakob en al de profeten
zult zien in het Rijk Gods,
terwijl ge zelf buitengeworpen zult zijn.
29 Zij zullen komen uit het oosten en het westen,
uit het noorden en het zuiden,
en aanzitten in het Koninkrijk Gods.
30 Denkt eraan: er zijn laatsten die eersten
en eersten die laatsten zullen zijn."
22 Lucas 13,22-30

Niet meteen op de tekst afgaan, maar eerst de eigen gesteltenis verzorgen. Me losmaken uit mijn eenzelvigheid en zelfgenoegzaamheid door mijn geest wat te laten rusten bij Hem. In de omgang met Hem moet ik me ervoor openstellen, dat ik heel andere antwoorden zou kunnen krijgen op mijn vragen dan ik verwacht. Dus een open houding, niets per se willen vasthouden. Hij mag het zeggen.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, even blijven stilstaan, me zijn heilige tegenwoordigheid te binnen brengen, dat Hij me ziet. Nu is het immers nog de tijd van de genade. Een gebaar maken van eerbied voor Hem die nu de genade geeft en straks het oordeel.

Het gebed ingaan door de houding aan te nemen, liggend, zittend of geknield al naargelang ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Dat vraag ik dan ook als een genade voor heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis: Jezus bevindt zich op reis naar Jeruzalem, op de smalle weg door de nauwe deur naar zijn redding. Hoewel er heel wat toeloop is, zijn het er toch maar weinigen die zich helemaal aan Hem geven. Dat kan geleid hebben tot een vraag: "zijn het er weinig die gered worden?" Jezus geeft geen antwoord op de vraag zelf, maar reageert op de mentaliteit vanwaaruit die vraag gesteld wordt, de mentaliteit van een (geïnteresseerde) buitenstaander. Door zijn antwoord probeert Jezus hem tot een betrokkene te maken. Hem en allen die verkeren in een positie als de zijne, de Joden, die dreigen onverschillig heen te leven langs het genade-aanbod en de christenen die het voorrecht hebben gehad Hem te mogen leren kennen en het nu ook allemaal maar vanzelfsprekend vinden.

Ook breng ik me de plaats voor de geest: op weg naar Jeruzalem, op weg naar de stad van het lijden waarheen Jezus vol overgave zijn schreden richtte: "... aanvaardde Hij vastberaden de reis naar Jeruzalem" (9,51). Het uur van de hoogste openbaring van Gods liefde nadert, het laatste genade-aanbod. Maar de mensen dreigen er onverschillig langs heen te leven.

Ik vraag om de bijzondere genade: om een innerlijke kennis van Christus onze Heer, niet een theoretische kennis waarbij ik niet met mijn hele bestaan betrokken ben, maar een existentiële kennis.

 
"Jezus trok rond door steden en dorpen, gaf er onderricht en zette zijn reis voort naar Jeruzalem."

Vanaf 9, 51 is Jezus op reis naar Jeruzalem. Toen Hij die reis aanvaardde, deed Hij dat vastberaden. Het was een eigen keuze. Jezus wordt niet door de omstandigheden geleid. Voor Hem telt niet of het er veel of weinig zijn die Hem volgen. Hij is daar alleen bezorgd om in het eigen belang van de mensen. Verder laat Hij dat met een gerust hart over aan zijn Vader. Wat Hij wel weet is, dat Hij hun laatste redding is. Maar dat schijnt nog niet doorgedrongen te zijn in het hoofd van de vraagsteller.

 
"Iemand vroeg Hem: Heer, zijn het er weinig die gered worden? Maar Hij sprak tot hen: Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen, want Ik zeg u, velen zullen proberen binnen te komen, maar zij zullen daar niet in slagen."

Het is de vraag van een buitenstaander. Als was Jezus een nieuwsbron, goed geïnformeerd over allerlei, over rampen en overlevenden enz. Maar Jezus zegt tot hem en tot ons allemaal: Jullie eigen huis staat in brand. En Ik ben geen nieuwsbron, Ik ben zelf hét goede nieuws. Ik ben jullie Redder waardoor jullie levend gered kunnen worden. Tenminste als je je tot het uiterste toe inspant. Of in een ander beeld: de opvarende van een zinkend schip vraagt aan de kapitein in alle argeloosheid: "Zullen het er velen zijn die er nog levend vandaan zullen komen?" Dat zijn geen vragen voor zulke situaties. Het is pompen of verdrinken. Alles of niets. Het is je laatste kans. Besef ik voldoende dat Jezus niet alleen mijn Redder is, maar ook mijn enige, mijn laatste Redder?

 
"Als eenmaal de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft en gij dan buiten op de deur begint te kloppen en te roepen: Heer, doe open! zal Hij u antwoorden: Ik weet niet waar gij vandaan komt."

De onverbiddelijke toon van de huisvader lijkt in tegenspraak met de zachtmoedigheid en het mededogen waarmee Jezus in het evangelie zich aan ons toont. Is dat nu de goede Herder? Ja. Want Jezus doet niet alleen een genade-aanbod, maar Hij is ook het laatste genade-aanbod. Na Hem komt er geen ander meer. Als je dit aanbod niet aanneemt, dan is het onherroepelijk over. De slachtoffers van de ramp die de wereld heeft getroffen, hebben recht op deze mededeling. En daarom is dat liefde, niet minder dan het genade-aanbod zelf. Stel: de kapitein van het zinkende schip zegt tegen de opvarenden dat zij zich allen naar de reddingsboten moeten begeven, maar Hij vertelt er niet bij, dat er maar één reddingsboot in zeewaardige toestand is. Met andere woorden: het is levensgevaarlijk je bekering uit te stellen. Jezus is onze enige en laatste reddingsboot naar de hemel.

 
"Dan zult ge opwerpen: in uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven. Maar weer zal zijn antwoordzijn: Ik weet niet waar gij vandaan komt. Gaat weg van Mij, gij allen bedrijvers van ongerechtigheid."

Dit zegt Jezus tot de zelfverzekerde Joden. Zij hielden tafelgemeenschap met Jezus zonder zijn volgeling te worden. Zij waren ervan op de hoogte dat Jezus in hun straten onderricht gaf, maar zij werden er niet koud of warm van. Het feit dat Jezus zo rakelings nabij is gekomen, is voor de Joden geen vrijkaartje voor de hemel. Maar precies hetzelfde kunnen alle christenen zich aantrekken: wie als christen Jezus heeft leren kennen, met Hem aan tafel is in de zondagse eucharistie en zich nog van allerlei extra onderricht in cursussen en weekends laat geven, moet niet denken, dat hij daarmee een introductie voor de hemel op zak heeft. Zeker, onze redding is het werk van God. Het heet niet voor niets "gered wórden", namelijk door God. Maar er is niets wat Gods reddende werkzaamheid zo blokkert dan de zelfverzekerdheid in de geest van: ik ben binnen, mij kunnen ze niets meer maken, ik hoef me niet meer dik te maken, ik heb het op zak. Dat is een farizeïsche houding. Houd ik bij al mijn inspanning het besef, dat ik het niet verdien, dat alles genade is en blijft?

 
"Daar zal geween zijn en tandengeknars, wanneer gij Abraham, Isaäk en Jakob en al de profeten zult zien in het Rijk Gods, terwijl ge zelf buitengeworpen zult zijn. Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, en aanzitten in het Koninkrijk Gods."

Strenge woorden, niet om ons af te schrikken, maar om ons wakker te schudden uit onze zelfgenoegzaamheid. Laat men de woorden over het oordeel uit zijn bewustzijn weg, dan wordt het wonder van het genade-aanbod tot een vanzelfsprekendheid. Dan gebeurt ook ons waarvoor Jezus de Joden heeft willen waarschuwen, dat de eerstgenodigden met lede ogen moeten toezien, dat de heidenen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden wel binnengaan, maar zijzelf buiten moeten blijven. Wij verkeren in de situatie van de Joden van destijds die blasé waren geworden met al hun geestelijke rijkdommen. Geestelijk hadden zij hun schaapjes op het droge. Wij zijn als de vrouw uit Samaria tot wie Jezus verzuchtend sprak: "Als ge enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven" (Joh 4,10).

 
"Denkt eraan: er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn."

Wij als "eersten", als bijzonder begenadigden kunnen ons alleen tegen deze omkering van de verhoudingen indekken door ons in ons bewustzijn zoveel mogelijk op de laatste plaats te houden: "Als iemand van u (de eerstgeroepen leerlingen) de eerste wil zijn (en blijven), zal hij de laatste van allen en de dienaar van allen moeten wezen" (Mc 9,35). Want "alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden" (18,14). Dat woord spreekt Jezus aan het eind van de parabel van de Farizeeër en de tollenaar. Het bewustzijn van de hoge begenadiging kan blijkbaar alleen bewaard worden in het nederig besef dat men tekort schiet in het beantwoorden aan die genade: "Wij dragen deze schat (van onze begenadiging) in aarden vaten" (2 Kor 4,7).

Aan het eind gesprekken voeren met Jezus die Zelf, volgens een woord van de geestelijke leidsman van Charles de Foucauld, definitief beslag gelegd heeft op de laatste plaats; met de Vader in de hemel voor Wie de laatste plaats een heilige plaats is, de meest door Hem bezochte plaats op onze aarde. Een Onze Vader bidden.

Dan wat afstand nemen voor de evaluatie of reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooid is iemand als de spanning er wat uit is, als het nieuwe er wat van af is. Datgene waarmee hij verstrooid is, zegt me dan tegelijk waar er voor mij wel spanning zit.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar wist Jezus bij mij de routine te doorbreken en werd voor mij het oude weer nieuw.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is het begin van die nieuwheid die nooit meer veroudert.