Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 21 | begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn, op de derde dag zou verrijzen. |
| 22 | en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!" |
| 23 | "Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil." |
| 24 | "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. |
| 25 | zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden. |
| 26 | heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn eigen leven? |
| 27 | in de heerlijkheid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden." |
| Matteüs 16, 21-27 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Hoe doe je dat? Door aandacht te schenken aan de bewegingen van je hart. Erop letten wat daar gebeurt en aannemen wat daar gebeurt. Is er onrust? Dan het uithouden bij die onrust. Er niet van weglopen. Zo wordt men dieper dan de eigen onrust. Dus het niet zoeken in abstracte gedachten van een ander, ook al zijn die nog zo mooi of lelijk, maar ook niet ondergaan in de eigen gevoelens, ook al zijn die nog zo mooi of lelijk. Eenvoudig bij Hem zijn op die diepte van je wezen waar je nog ongedeeld bent, niet verdeeld in denken en voelen.
Enkele passen voor de plaats waar ik ga bidden, blijven stilstaan om de beweging naar het gebed af te remmen en zo op grotere diepte te komen. Staande kijk ik omhoog en zie hoe Hij mij ziet. Ik maak mij klein in een gebaar van eerbied, van aanbidding zoals Jezus zich klein maakte voor de wil van zijn Vader.
In dit besef, dat ik door Hem word gekend en bemind, ga ik het gebed in en neem ik de houding aan waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden. Door de houding van het lichaam bepaal en ondersteun ik de houding van de geest. Dat zoeken en vinden van Hem is de inzet van het gebed. Het zou ook de inzet moeten zijn van heel het leven. Daarom vraag ik dat nu ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit, dat ik me niet laat leiden door menselijke overwegingen, maar door wat God wil.
Ik breng me de geschiedenis voor de geest. Deze verloopt in drieën. Jezus tekent zijn eigen weg als een kruisweg, een passiviteit ten dode toe. Daarop volgt de reactie van Petrus. Hij vertolkt het gewone menselijke denken. Maar Jezus gaat ertegen in als tegen een boosaardige macht: satan. Daarop laat Jezus een nieuwe bevestiging volgen van zijn kruiswijsheid. Het is en blijft kruis, voor zichzelf, maar ook voor zijn volgelingen. Ik word dus gered door me te laten redden. Ik hoef mij dus niet zelf te redden.
De plaats zien: zijn plaats in de wereldgeschiedenis. De laatste plaats en tegelijk de meest centrale plaats. Alles wordt gerekend vóór en na Christus. En binnen de kerk staat het kruisbeeld in het middelpunt. Staat het kruis ook midden in mijn leven? Of ergens aan de marge, in een donker hoekje?
Vóór ik dit geheim probeer binnen te dringen, vraag ik eerst de bijzondere genade om een innerlijke, dat is een smakende, liefdevolle kennis te krijgen van Christus onze Heer om Hem meer lief te hebben en van meer nabij te volgen.
In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te
maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou
moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de
schriftgeleerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn, op
de derde dag zou verrijzen.
Wat Jezus aan zijn leerlingen verkondigt, druist tegen alles in.
Jezus "moet". Jezus' "moeten" komt vooral voor bij het lijden en
de dood: "... dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij
daar veel zou moeten lijden" (zie ook: 17,12; 26,54; 12,50;
3,13-15). Van wie of van wat moet Jezus dat eigenlijk? Het is
het moeten van het geweten. Zo drukken mensen dat wel meer uit:
"Toen wist ik dat dit of dat moest zeggen of doen." Dat
betekent: Wat mij ertoe bewogen heeft, was iets van binnenuit,
volledig overtuigend, volstrekt motiverend. Welnu: daar waar
Jezus volstrekt zichzelf is, waar Hij de Zoon is van de Vader,
waar zijn diepste "Ik" ligt, zijn hoogste zelfontplooiing en
hoogste vrijheid, daar wil Hij wat precies het omgekeerde lijkt
van vrijheid en zelfontplooiing: lijden en dood zijn immers
vormen van zelfvervreemding. Zo drukt Jezus het dan ook uit: "Wie
zijn leven wil redden, zal het verliezen; en wie zijn leven
verliest om Mijnentwil, zal het vinden."
Het is vooral dat passieve waartegen de mens zich verzet. En
passief is Jezus. In het lijden, maar ook in de verrijzenis: "op
de derde dag ... verrijzen". Letterlijk staat er: "opgewekt
worden", namelijk door de Vader. En zo maakt Jezus
duidelijk wie de Vader is: de actieve aan wie Hij veilig alles
kan overlaten. Eigen wegen gaan zou een belediging van de Vader
zijn, een vooruitgrijpen op wat aan de Vader is voorbehouden. Zo
kunnen wij het lijden op een christelijke manier beleven: een
menselijk falen en, in gebreke blijven, dat echter door God zal
worden aangevuld.
Waar zou ik in mijn leven de activiteit van de Vader beter tot
haar recht kunnen laten komen?
Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig
daarover te onderhouden: "Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U
nooit overkomen!"
De reactie van Petrus heeft iets van dwingen (8,26), op het hart drukken (12,16), snauwen (20,31) of van bars iets zeggen (19,13), alsof Jezus een boze geest was die zo nodig door Petrus moest worden uitgedreven. Maar niet in Jezus, doch in Petrus zelf is een boze geest, die zich aandient in zijn verzet tegen het lijden. Mijn verzet tegen het lijden, tegen de kleine weg is niet zo onschuldig, te vergoelijken als: "algemeen menselijk". Jezus gaat er tenminste tegen aan als tegen een boze geest:
"Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: "Ga weg,
satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden
door menselijke overwegingen en niet door wat God wil."
Wat opvalt is, dat Petrus door Jezus wordt teruggewezen: "Terug!" Blijkbaar was Petrus uit zijn positie van volgeling naar voren gekomen en had hij zich losgenmaakt van zijn plaats achter Jezus. Hij was bezwerend terzijde van Jezus gaan lopen. Deze verbreking van de plaatselijke positie achter Jezus aan, illustreert het losbreken uit zijn geestelijke positie van het leerling-zijn. Jezus' scheldwoord mag misschien wat overdreven klinken. Maar dan is het toch goed om te zien waarvoor Jezus zijn hele gezag in het geding brengt: namelijk om zijn kleine weg te beschermen tegen de grootheidsaspiraties van Petrus. Het verschil tussen Jezus en ons is: wij willen een "goddelijke" mens, een mens die boven de gewone voorwaarden van het menselijke bestaan verheven is en Jezus wil een "menselijke God" zijn, een God die onderworpen is aan de voorwaarden van het gewone mensenleven.
En daarna tot zijn leerlingen: "Wie mijn volgeling wil
zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis
op te nemen."
Jezus wil iedereen achter zich aan hebben, maar dan als
volgelingen en niet als nalopers of meelopers. Ergens lopen
mensen dan achter zichzelf aan. Zij zoeken zichzelf. Maar als je
Jezus volgt, zeg je juist nee tegen je zelf. Dat is in de taal
van het evangelie: jezelf verloochenen, doen alsof je je niet
kent, zoals Petrus deed alsof hij zijn Meester niet kende.
Trouwens Petrus stond daarin niet alleen, maar met heel het volk:
"De God van Abraham, Isaäk en Jakob, de God van onze vaderen,
heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd
en voor Pilatus verloochend. Gij hebt de Heilige en
Gerechte verloochend en als gunst de vrijlating van een
moordenaar gevraagd" (Hand 6,13-14).
Het volgen wordt sterk bepaald door het kruisdragen. Want het is
het volgen van een Kruisdrager. De volgeling volgt een
Uitgewezene: "Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij
niet waardig" (10,38).
Maar in het volgen ontstaat er een gemeenschap met Jezus.
Volgeling en Meester voltrekken gezamenlijk hetzelfde
levensontwerp. De volgeling stapt in de voetstappen van zijn
Meester. Hij baant niet een eigen weg waarbij hoogstens de manier
van doen afgekeken wordt. Paulus zegt het zo: "Gij weet toch dat
de doop, waardoor wij één zijn geworden met Christus Jezus,
ons heeft doen delen in zijn dood? Door de doop in zijn dood zijn
wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de
macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven
zouden leiden. Zijn wij één met Hem geworden door het beeld
van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn
opstanding, in de overtuiging, dat onze oude mens met Hem
gekruisigd is" (Rom 6,3-6). In de zelfvervreemding van het lijden
vinden we de gemeenschap met Hem. Zo kan ook bij ons de diepste
zelfvervreemding in de dood leiden tot de diepste
zelfverwerkelijking doordat wij leven in Hem.
"Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar
wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden."
Buiten Jezus om is lijden ondraaglijk, zinloos, onvruchtbaar. Maar in vereniging met Hem wordt alles anders: het leven wordt anders, maar vooral het sterven wordt anders. We sterven in Hem weg. Christen-zijn is de kunst van het verliezen: je eer, je gezicht, je leven.
Aan het eind niet zomaar opstaan en weglopen, maar juist zoals na een gewoon gesprek iets hartelijks zeggen: tot Maria, tot Jezus die ons voorgaat, ook nu. Vragen of Hij voor me wil bemiddelen bij zijn Vader. Me uitspreken bij de Vader. Een Onze Vader.
Van houding veranderen zodat ik wat kan schrijven om via het
antwoord op de volgende vragen te onderscheiden welke
geesten mij bewegen:
