Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Twee en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Toen Jezus op een sabbat het huis
van een van de voornaamste Farizeeën binnenging
om de maaltijd te gebruiken,
hielden zij Hem voortdurend in het oog.
7 Daar Hij opmerkte,
hoe de genodigden de voornaamste plaatsen
aan tafel uitzochten,
hield Hij hun de volgende gelijkenis voor:
8 Wanneer gij door iemand
op een bruiloft wordt uitgenodigd,
ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats.
Het zou kunnen zijn,
dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd
die voornamer is dan gij,
9 en dat degene die u en hem genodigd heeft,
u komt zeggen:
Sta uw plaats aan hem af.
Dan zoudt ge vol schaamte
de minste plaats moeten innemen.
10 Maar ga, wanneer ge ergens genodigd wordt,
op de minste plaats aanliggen.
Als degene die u heeft uitgenodigd, dan komt
zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op.
Zo zal u eer te beurt vallen
in het oog van allen die met u aanliggen.
11 Want al wie zichzelf verheft zal vernederd,
en wie zichzelf vernedert zal verheven worden."
12 Hij zei ook nog, nu tot zijn gastheer:
"Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft,
nodig dan niet uw vrienden, broers
en bloedverwanten uit
en ook geen rijke buren.
Het zou kunnen zijn,
dat zij op hun beurt u uitnodigen
en gij het dus terugkrijgt.
13 Maar als ge een gastmaal geeft,
nodig armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.
14 Gelukkig zult ge zijn,
omdat zij het u niet kunnen vergelden.
Het zal u vergolden worden
bij de opstanding van de rechtvaardigen."
Lucas 14,1.7-14

Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Doordat Hij mijn gezelschap is, wordt het gezelschap van de vrienden, bloedverwanten enz. wat gerelativeerd. Dat maakt mij vanzelf al wat rustiger. Want is het niet juist het gezelschap van mensen, hun (vermeende) verwachtingen van mij waardoor ik me laat opjagen en niet gewoon mijzelf ben?

Staande, een paar passen van de bidplaats, breng ik me een ogenblik zijn tegenwoordigheid te binnen. Ik probeer te zien hoe Hij mij ziet. Heel anders dan de schriftgeleerden Hem zien: "Zij hielden Hem voortdurend in het oog" om Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Hij ziet ons en Hij merkt hoe wij elkaar zien: ogendienst van de beter gesitueerden met uitsluiting van de armen. Jezus heeft juist oog voor onooglijken. Hij leert ons dat in dit evangelie. Wij leren dit van Hem door Hem nu in dit gebed liefdevol te beschouwen. Want al schouwende wórden wij wat we beschouwen. Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik vrij kom voor de innerlijke bewegingen, hoe ik bewogen word door de Vader die op de achtergrond de hoofdrol speelt in het menselijk drama. Ik vraag het als een genade, dat ik zo heel mijn leven mag zien, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis: Jezus, aangelegen aan een gastmaal, merkt op hoe de genodigden de meest eervolle plaatsen uitzoeken. Dat is niet beleefd, zegt Jezus, maar het brengt ook niet zoveel eer. De meeste eer krijgt iemand, wanneer hij die niet zelf neemt, maar wanneer die als ongewild wordt geschonken. Dat doet Jezus onweerstaanbaar aan zijn Vader denken: Hij verheft die zich vernederen. Eigenlijk zouden niet alleen de gasten moeten proberen eer te verwerven bij de Vader in de hemel, maar ook de gastheren zouden dat moeten doen: door alleen maar mensen uit te nodigen die het hun niet kunnen vergelden. Dat mes snijdt aan twee kanten: zelf krijgen zij er een eervolle plaats door bij het hemelse gastmaal en hier op aarde krijgen de menselijke verhoudingen al iets van de hemel waar de nederigen worden verheven. Als God de gastheer van ons leven wordt, gaan wij op een andere, meer menselijke manier met elkaar om.

Ik stel mij de plaats voor ogen waar dit geschiedde: in een voornaam huis. Meer in het bijzonder kan ik mij de situaties voor ogen stellen waar ik het moeilijk heb om de mensen niet naar de ogen te zien, alleen God voor ogen te hebben en me niet te laten leiden door motieven van eerzucht of ogendienst.

Ik vraag om de bijzondere genade van een innerlijke kennis van Christus de Heer als de gastheer van mijn leven, zodat dit doordringt in al mijn menselijke verhoudingen.

 
"Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om er de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog."

De sabbat was voor de Joden de gedenkdag van de schepping én van de bevrijding uit Egypte. De instelling van de sabbat was een teken van Gods verbondstrouw. Op die dag vierde Israël, dat God de Heer met dit volk bezig is, het heiligt (Ex 31,13). Zoals de zondag nog steeds de dag is waarop christenen vieren dat God met ons bezig is. Nu in het gebed is God ook met mij bezig. Bidden is God de kans geven zijn heilswerk aan mij te verrichten. Er is vertrouwen en overgave nodig aan Gods goede werk en bedoeling met mij. Het is een goed begin van het gebed me te realiseren: ik ben Gods zondagskind.

 
"Daar Hij opmerkte hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten..."

Voor "genodigden" staat een woord dat eigenlijk "geroepenen" betekent. Deze gasten komen dus omdat zij geroepen zijn. Het initiatief ligt helemaal bij de gastheer. Maar eenmaal ter plaatse aangekomen, beginnen zij het initiatief over te nemen en zichzelf naar voren te dringen. Zij gebruiken de maaltijd als een gelegenheid om zelf in het zonnetje te komen. Hier wordt het door Jezus geobserveerd bij de gasten van de Farizeeër. Maar elders staat het van de leerlingen: "Zij kregen woorden over de vraag wie van hen wel de grootste was" (9,46). Met name Jakobus en Johannes worden genoemd als eerzuchtige leerlingen die belust zijn op de ereplaatsen aan Jezus' rechter- en linkerhand. Maar de andere leerlingen blijken uit hetzelfde hout gesneden. Ze werden immers kwaad op de beide broers, toen zij er lucht van kregen (Mc 10,35-45). Lucas vermeldt, dat deze giftige eerzucht zelfs de serene sfeer aan het laatste avondmaal verpest heeft: "Er ontstond twist onder hen wie van hen wel de voornaamste mocht zijn" (22,24). De ijdele eer is de voornaamste invalspoort voor de duivel. Staat niet alle streven naar rijkdom in functie van het streven naar eer? Willen de mensen niet meer hébben om in de ogen van anderen meer te záˇájn? Waar ligt mijn gevoeligheid voor eer?

 
"... hield Hij hun de volgende gelijkenis voor: Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats."

Waarom een uitnodiging voor een "bruiloft"? Jezus zat toch aan een gewone maaltijd aan? In de parabel spreekt Jezus over een bruiloftsmaal, opdat wij er een les uit zouden trekken voor heel ons leven. Wij zijn immers allemaal geroepen om een feestmaaltijd te houden met God: "De Heer van de legerscharen richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan" (Jes 25,6). En wel heel precies een bruiloftsfeest: "Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon" (Mt 22,2). Van het nieuwe Jeruzalem heeft Johannes gezien hoe het "schoon als een bruid, van God uit de hemel neerdaalde" (Openb 20,2); "Laat ons blij zijn en juichen en Hem de eer geven: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam en zijn Bruid heeft zich reeds getooid" (Openb 19,7).
Wij worden door Jezus uitgenodigd om God te gaan zien als de gastheer van ons leven en samenleven. Dan worden de verhoudingen anders, ja omgekeerd.

 
"Het zou kunnen zijn dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij, en dat degene die u en hem genodigd heeft, u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen. Maar wanneer ge ergens genodigd wordt, ga dan op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt, zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen."

Ogenschijnlijk een les in tafeletikette en menselijke omgangsvormen, maar in feite een les in christelijke levensbeschouwing. God is onze gastheer. Dat kunnen we ons te binnen brengen wanneer wij samen aan tafel zitten. Hij is nog veel meer onze gastheer bij de eucharistie. Die tafel is gedekt met zijn Woord en met zijn Lichaam en Bloed. Het samenzijn bij de eucharistie zou het model moeten zijn voor onze omgang met elkaar buiten de eucharistie. Dan gaat er veel veranderen. Als je God hoog hebt, als Hij een grote plaats inneemt in je hart, dan zal het je vanzelf gemakkelijker vallen om met een mindere plaats genoegen te nemen. Wanneer je veel gevoel hebt voor God, dan word je er vanzelf minder gevoelig voor, wanneer een ander je opzij drukt, je de pas afsnijdt, met de eer gaat strijken, je niet aan het woord laat komen of je op een gevoelige plek raakt. God is zo groot, dat de verschillen die er tussen mensen zijn en blijven, er minder toe doen. Al die verschillen waar wij ons zo druk over maken, wat betekent dat toch in de ogen van God!
Maar God is niet alleen groot, Hij is ook barmhartig. Hij is teder. Hij heeft oog voor de onooglijken.

 
"Want alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden."

Vernederd worden en verheven worden! Door wie? Door wie anders dan door God van Wie Maria in het magnificat zegt, dat Hij de geringen verheft (1,52). Godzelf is de gastheer die zal zeggen: "Vriend, ga hoger op." Paulus zegt van God, dat "Hij de geringen troost" (2 Kor 7,6). Jakobus en Petrus zeggen in koor: "God weerstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (Jak 4,6; 1 Petrus 5,5). God heeft zijn eigen vormen van discriminatie: de vernederden, de marginalen, de randgevallen, de outcasts, de vogelvrijverklaarden, kortom de slachtoffers van de discriminatie van de mensen.
Jezus wil, dat de mensen al hier op aarde beginnen met zijn voorkeur over te nemen. En daarom richt Hij zich nu tot zijn gastheer.

 
"En Jezus zei ook nog, nu tot zijn gastheer: Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt. Maar als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Gelukkig zult ge zijn omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen."

De mensenfamilie is verdeeld in partijen. In natuurlijke partijen: bloedverwanten. En in maatschappelijke partijen: vrienden en rijke buren. Deze vormen zogenaamde "in-groepen", gesloten, exclusieve groeperingen, gesloten circuits van mensen die elkaar de bal toespelen; in het zakenleven: heren die onder elkaar het een en ander regelen waarbij de ene (vrienden)dienst de andere waard is. Wat is daarop tegen? Dat de arme, de mindere er naast zit. God wil niet, dat het goed (de rijkdom, de eer, de genegenheid) in een klein kringetje rond blijft draaien. Hij wil, dat het juist daar terecht komt waar het het meeste nodig is. Hoe zou mijn leven (aan tafel, in de vrije tijd, bij het werk, in de familie enz.) eruit zien, wanneer ik Jezus' stelregel ging uitvoeren?

Aan het eind een gesprekje met Jezus die Zelf de minste plaats heeft ingenomen en met de Vader in de hemel die een zwak plekje heeft voor de vernederden. Een Onze Vader bidden.

Dan wat afstand nemen voor een terugblik of reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Dikwijls spelen menselijke verhoudingen een rol in mijn verstrooiingen. Daarin komt tot uiting wat ik wil zijn in de ogen van anderen, voor wie ik iets doe of laat.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar sprak Hij tot mij: "Vriend, ga hoger op?"
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?