Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Drieëntwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
15 "Wanneer uw broeder gezondigd heeft,
wijs hem dan onder vier ogen terecht.
Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen.
16 Maar luistert hij niet,
haal er dan nog een of twee personen bij,
opdat alles beruste
op de verklaring van twee of drie getuigen.
17 Als hij naar hen niet wil luisteren,
leg het dan voor aan de kerk.
Wil hij ook naar de kerk niet luisteren,
beschouw hem dan als een heiden of tollenaar.
18 Voorwaar, Ik zeg u:
Wat gij zult binden op aarde
zal ook in de hemel gebonden zijn,
en wat gij zult ontbinden op aarde
zal ook in de hemel ontbonden zijn.
19 Eveneens zeg Ik u:
Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen
- het moge zijn wat het wil -
zullen zij het verkrijgen
van mijn Vader die in de hemel is.
20 Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam,
daar ben Ik in hun midden."
Matteüs 18, 15-20

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem, zodat ik vrij kom voor het diepere in me, waar ik een kind ben van God, waar ik uit zijn hand voortkom en vanwaaruit ik een nieuwe verhouding kan hebben met de mensen van de kerk: als broeder en zuster.

Enkele passen voor de plaats waar ik ga bidden, stil blijven staan, me bewust maken van zijn tegenwoordigheid: Hij is er, God die mijn leven wil leiden. Zien hoe Hij "in de hemel" mij "op aarde" ziet (v. 18). Mij dan klein maken in een gebaar van aanbidding.

Dan ingaan in het gebed in de houding waarin ik vermoed Hem het meeste te kunnen vinden. In die houding vraag ik om de genade dat ook de houding van mijn hele leven zo mag zijn, dat mijn léven gebed mag worden: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Wij zijn opgenomen in Gods geschiedenis met de mensen. God is de goede herder. Een goede herder schrijft het afgedwaalde schaap niet af. Hij gaat het achterna, totdat Hij het vindt: "Zo wil ook uw hemelse Vader niet dat een van deze kleinen verloren gaat" (18,14). Ook de broeders van de kerk moeten er alles voor doen om hun dwalende broeder terug te winnen. Er worden nu een paar rechtsregels gegeven hoe men zich in de kerk te gedragen heeft tegenover dwalende broeders: 1. terechtwijzing onder vier ogen; 2. haal er één of twee personen als getuigen bij; 3. voorleggen aan de kerk. Wil zo iemand ook niet naar de kerk luisteren, dan wordt hij in de ban gedaan, dat wil zeggen buiten de gemeenschap gesloten. Dit kerkelijk oordeel wordt door God bekrachtigd: "in de hemel gebonden". Hij moet beschouwd worden als "een heiden of een tollenaar", dat wil zeggen als mensen die buiten de kerkgemeenschap staan. Een hard oordeel. Maar de bedoeling is niet hard. Want dat afstand nemen is niet om iemand aan zijn lot over te laten, maar om iemand tot inkeer te brengen en dan te "ontbinden". Want Jezus gaat verder: "Eveneens zeg Ik u: Wanneer twee of drie eensgezind op aarde iets vragen ..." Het begint dus bij het conflict. Het conflict komt tot een hoogtepunt. Dan komt de inkeer, de vrijspraak en de opheffing van de ban. Hij hoort er weer helemaal bij en kan nu samen met de anderen "eensgezind" bidden en "verenigd zijn in mijn Naam". De dwalende broeder is weer teruggekeerd tot de goede herder: "Ik in hun midden". De ban dient in de kerk ter genezing. Het is een medicinale straf.

De plaats zien waar zich dit afspeelt: de kerk als de plaats waar mensen bewust en gewild hun leven op God richten, met Christus in hun midden.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik mag inzien dat de zonde een inbreuk is op de kerkgemeenschap en dat daarom de vergeving ook altijd een verzoening moet zijn met de kerk, met het lichaam van Christus, waartegen de zonde zich richtte.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen."

Het gaat hier over een "broeder". Dat is in het evangelie de kerkbroeder, met wie men een heel eigen verhouding heeft. Binnen de kerk ziet men elkaar dus niet zomaar als "mens", die er dan ook mag zijn, maar als iemand van God, als iemand dus die in Gods ogen uniek is. Hij maakt deel uit van dat leger van "kleinen" van wie God absoluut niet wil dat er één van verloren gaat (18,14). "Zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is" (18,10). Daarop zullen wij worden geoordeeld: "Alwat gij gedaan hebt voor één dezer geringsten van mijn broeders, dat hebt gij voor Mij gedaan" (25,14). Het is bepaald minder gemakkelijk om geduldig en liefdevol te zijn voor de mensen van de eigen groep. Maar Jezus doet een nieuw en werkzaam motief aan de hand om toch te beminnen: het zijn Jezus' eigen broeders en zusters.
In het evangelie wordt alles kerkelijk gezien. Dus ook de zonde. De zonde, welke dan ook, is altijd ook een afbreken van broederschap. Wie zichzelf zoekt in een zondige handeling, wordt ego-centrischer, minder beschikbaar voor de anderen. En andersom: wie méér van God is, is ook meer één met de anderen.
Omdat de zonde altijd een inbreuk is op de broederschap, daarom is ook de vergeving van de zonden kerkelijk.

 
"Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen."

Bij een conflict worden drie vredespogingen voorzien:

  1. een persoonlijke terechtwijzing;
  2. een confrontatie met getuigen;
  3. een uitspraak door de kerk als hoogste instantie.
De drie staan niet los van elkaar, maar 1 en 2 werken naar de uitspraak van de kerk toe. Daarom worden in 2 die getuigen genoemd. Die zijn nodig voor de kerk. Want daar geldt de aloude rechtsregel: "Op het woord van twee of drie getuigen krijgt iedere zaak haar beslag" (2 Kor 13,1; zie ook: 1 Tim 5,19). Getuigenis geven hoort thuis in de rechtspraak. De kerk is de gemeenschap van mensen die in broederlijk samenzijn het getuigenis verzorgen omtrent Jezus ten overstaan van de rechtbank van de wereld. De wereld oordeelt over de zaak van Jezus. En wat doe je als kerk? Uitkomen voor Hem! Getuigenis afleggen. Ook al kost het je wat: "Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen" (10,18). Dat geldt ook voor mij nu, want: "De Blijde Boodschap van het Koninkrijk zal over heel de wereld verkondigd worden tot getuigenis van alle volkeren en dan zal het einde komen" (24,14).
Durf ik voor Hem uit te komen, wanneer dat van mij gevraagd wordt?

 
"Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de kerk. Wil hij ook naar de kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar."

Het gaat hier om iemand die niet alleen tegen een norm van de kerk zondigt, maar die ook die kerkelijke norm niet wil aanvaarden. Zo iemand stelt zich buiten de kerkgemeenschap. Dat wordt door de ban of ex-communicatie officiëel vastgelegd. Hij is voor onze gemeenschap net als een heiden of een tollenaar, die er ook niet bij horen. Heidenen en tollenaars horen er niet bij, omdat ze er een onevangelische manier van groepsvorming op nahouden: beminnen die zij beminnen en alleen de mensen van hun eigen groep groeten (5,46-47). Zij sluiten zich op in hun eigen kliek. Met het gevolg, dat de mensen die niets hebben terug te geven, erbuiten vallen. Zo ongeveer als de arme landen met wie nauwelijks handel kan worden gedreven, omdat ze niets hebben terug te geven.
Laat ik me in de omgang met anderen ook wel eens leiden door zo'n onevangelisch selectieprincipe, bijvoorbeeld door liefst alleen maar om te gaan met de interessante, boeiende, begaafde, geestige mensen enz?

 
"Voorwaar, Ik zeg u: Wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn."

Binden en ontbinden zijn technische termen voor uit de gemeenschap stoten of met de ban beleggen en weer in de gemeenschap opnemen of de ban opheffen. Hier wordt plechtig verzekerd dat God de beslissingen van de kerk bekrachtigt. Wie niet naar de kerk luistert, luistert niet naar God: "Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij. Wie Mij verstoot, verstoot Hem die Mij gezonden heeft" (Lc 10,16).
Blijkbaar is Christus zelf in de leiding van de kerk werkzaam, met heel zijn volmacht. Vanwege die aanwezigheid van Christus is ook het gebed in de kerk zo machtig. Dat wordt nu in het laatste vers met evenzoveel woorden verzekerd: "Want ... daar ben Ik in hun midden."

 
"Eveneens zeg Ik u: Wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen - het moge zijn wat het wil - zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden."

Dit sluit aan bij het voorafgaande. Als de zonde is vergeven, de inbreuk op de broederlijke gemeenschap ongedaan is gemaakt door de ontbinding van de ban, dan is de weg weer vrij voor een ongestoorde eenheidsbeleving in de liturgie. Eenheid met elkaar doordat men in Jezus' Naam bijeen is. Jezus is de band van eenheid. Die eenheid met Hem zuivert ook ons vragen. We moeten de dingen in zijn geest vragen. Die geest van Jezus is een geest van geven: "Geef aan wie van u vraagt, en wend u niet af als iemand van u lenen wil" (5,42).
God veronderstelt, dat wij van onze kant graag en veel geven: "Vraagt en u zal gegeven worden ... Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt?" Als je zo zelveloos leeft, dat je aan anderen geeft wat zij je vragen, dan zullen jouw vragen zelveloos worden. Dat is de voorwaarde voor de verhoring van je vragen. Ons uitdrukkelijk uitspreken van de Naam van Jezus motiveert de Vader om ons te verhoren.

Aan het eind de gesprekjes om niet zo maar uit het gebed weg te lopen, maar om integendeel het aan het einde te verdiepen en te verinnigen: met Jezus als met een vriend. Me dan door Jezus naar de Vader laten brengen en Hem zijn bemiddelaarsrol laten vervullen. Bij de Vader zelf mij uitspreken. Een Onze Vader.

In een houding zodat ik kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden om zodoende tot onderscheiding te komen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen wijzen mij waar mijn leven nog niet wordt beheerst door de geest van het evangelie, de geest van broederliefde, van verzoening en verbondenheid met Jezus en de Vader.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Zo weet ik wat mij met Hem verbindt.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Jezus is altijd met zijn kerk, in de leiding, in het gebed, maar ook daarbuiten. Dat kan ik merken, wanneer ik na afloop een verbondenheid met Hem ervaar.

Wijs hem dan onder vier ogen terecht