Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Drie en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
25 Toen talloze mensen met Jezus meetrokken,
keerde Hij zich om en zei tot hen:
26 "Als iemand naar Mij toekomt,
die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen,
zijn broers en zusters,
ja zelfs zijn eigen leven niet haat,
kan hij mijn leerling niet zijn.
27 Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt
kan hij mijn leerling niet zijn.
28 Als iemand van u een toren wil bouwen,
zal hij dan niet eerst
er voor gaan zitten om een begroting te maken
of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien?
29 Anders zou het hem kunnen overkomen,
- als hij de fundering heeft gelegd
en niet in staat is het werk te voltooien -
30 dat allen die het zien, hem gaan bespotten en zeggen:
Die man begon te bouwen,
maar hij was niet in staat het einde te halen.
31 Of welke koning zal,
- als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken -
niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is
om met tienduizend man het hoofd te bieden
aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt?
32 Zo niet,
dan stuurt hij,
als de tegenstander nog ver weg is
een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.
33 Zo kan niemand van u mijn leerling zijn
als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit."
Lucas 14,25-33

Bij een langere tijd van inwendig gebed hoort een langere voorbereiding. Uitwendig en vooral inwendig. We beginnen met het inwendige: eerst de geest wat laten rusten bij Hem. Alle zelfzuchtige, ik-betrokken bindingen loslaten om me te binden aan Hem alleen.

Bij de plaats van het gebed, staande een paar passen ervandaan, me God te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken ten opzichte van Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik vrij kom voor hoe Hij mij beweegt. In deze houding vraag ik om de genade, dat, zoals ik nu ben, ik zo heel mijn leven mag zijn, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik breng me de geschiedenis te binnen: Jezus heeft succes. Er trokken tenminste talloze mensen met Hem mee. Jezus wil echter geen nalopers, maar navolgers. Eerst legt Hij de eisen op tafel: algehele ontzegging. Daarna in parabel van torenbouwer en koning-legeraanvoerder drukt Hij zijn volgelingen op het hart, dat er met de liefde niet te marchanderen valt.

De plaats waar het gebeurde: ergens onderweg naar Jeruzalem, de stad van zijn nederlaag. Dat brengt Hem ertoe zijn volgelingen te waarschuwen. Zij volgen Hem als een held, een overwinnaar. Maar Hij zal helemaal niet als een held sterven. Wel als een getuige van Gods liefde.

De bijzondere genade: dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, zodat Hij me kan motiveren om alle andere bindingen ondergeschikt te maken aan de band met Hem.

 
"In die tijd trokken talloze mensen met Hem mee; Hij keerde zich om en zei tot hen: ..."

Blijkbaar moet Jezus zich omkeren om iets tot zijn leerlingen te kunnen zeggen. Jezus volgen wilde toen ook letterlijk zeggen: Hem voor laten gaan en zelf achter Hem aan lopen. Wanneer Petrus Jezus probeert af te houden van zijn kleine weg van de overlevering, dan reageert Jezus met de woorden: "Ga weg, satan, terug!" Petrus was blijkbaar uit zijn ondergeschikte positie naar voren komen lopen en voor Jezus uit Hem gaan bezweren: "Dat verhoede God, Heer." Als Jezus zijn woorden afwijst, wijst Hij hem tevens ook op zijn positie als leerling, namelijk achter Jezus, "terug" op de tweede plaats. Petrus mag de eerste zijn, maar onder en achter Jezus.
Het mag misschien onsympathiek lijken, dat je bij Jezus alleen maar te volgen hebt, dat je altijd volgzaam moet zijn en dat Hij de eerste is. Maar dan moeten we weten waarin Jezus zo graag de eerste wil zijn: in het dienen, in het tweede zijn, de mindere-zijn. Want het doel waarheen Jezus zijn leerlingen voorgaat, is Jeruzalem, waar "de Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen van de mensen" (9,44). Jezus is een leider die ons meevoert naar een neergang. Geen triomftocht, maar eerder een aftocht. Jezus is onze Meester in het minder-zijn. En daarvoor alles op alles zetten.

 
"Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn."

De band met Hem is zo innig, zo allesbeheersend, dat alle andere bindingen hun absolute gelding verliezen. Dat waren toen en zijn nu nog steeds in de eerste plaats de banden van het bloed. Jezus is zozeer het nieuwe leven, dat alle aardse nieuwheid oud is vergeleken bij Hem, de eeuwige jeugd en nieuwheid in eigen Persoon. Allen worden oud: vader en moeder van wie je je eigen leven gekregen hebt; je eigen vrouw of man uit wie een mens dagelijks het leven vernieuwt; kinderen die je zelf nieuw hebt voortgebracht; ja zelfs, je eigen leven waardoor je je zelf vernieuwt. Alleen de liefde van Jezus verwelkt nooit.
Jezus noemt met opzet vormen van tussenmenselijke betrekkingen die niet ontstaan door onze eigen vrije wil, zoals bijvoorbeeld vriendschap, maar die door het gebod van God zijn ingesteld en ook door Hem worden beschermd: "Eert uw vader en uw moeder." Dat gebod wordt door Jezus niet opgeheven. Zijn woorden gelden alleen in geval van conflict. Wanneer iemand voor een keuze wordt gesteld: Jezus of zijn ouders, broer, zus, kind, vrouw, dan moet hij, zoals het dan ook bij Matteüs letterlijk wordt geformuleerd, Jezus "méér beminnen" (Mt 10,37). De leerling moet niet vader en moeder haten, maar de achterstelling van Jezus bij vader en moeder. Dat moet hij met grote beslistheid, ja met afschuw van zich afgooien. In die zin moet de leerling ook zijn eigen leven haten, ofwel zichzelf verloochenen, dat is doen alsof hij zichzelf niet kent.

 
"Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn."

Het zware van het volgen van Jezus zit hem gewoonlijk in het verlies van dierbaren die je keuze voor Jezus afwijzen. Men wordt een vreemde in zijn eigen familie, voor vrouw, man, kinderen. Dat is een steeds weer terugkerend kruis. Niet een kruis waaraan men een keer wordt vastgeslagen en dan is het voorbij. Men moet dit kruis dagelijks dragen. Daarom wordt de leerling van Jezus meestal niet afgebeeld aan het kruis, maar onder het kruis, de kruisdragende Jezus achterna. De moeite van die last wordt kruis genoemd, omdat ze in de navolging van de kruisdragende Jezus wordt opgelopen en daarmee ook zijn wijding en zegen ontvangt.
Zie ik in mijn moeilijkheden een uitnodiging om me meer met Hem te verenigen?

 
"Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst ervoor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien?...
Of welke koning zal - als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken - niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is...?"

Door deze vergelijkingen wil Jezus de leerling niet confronteren met de vraag óf hij hem wel zal navolgen. Want daarover werd al beslist door de roeping tot navolging. Het gaat Hem er alleen om de leerling te confronteren met de vraag hóe hij Hem zal navolgen: zonder voorwaarden in te bouwen zich helemaal met Jezus verenigen. Daartoe wil Jezus hem motiveren door te demotiveren, aanmoedigen door te ontmoedigen, aantrekken door af te schrikken. De oude mens in ons wordt erdoor afgeschrikt, de nieuwe mens gefascineerd.

 
"Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit."

De liefde durft vragen. De liefde durft alles te vragen. Er kan ook alleen maar van liefde sprake zijn, wanneer alles wordt gevraagd en gegeven. Ik zou bij mij zelf eens na kunnen gaan of ik Hem iets kan geven wat voor mij op dit moment alles betekent. Dat kunnen soms heel kleine dingen zijn, dingen waarin ik veel van mijzelf heb geïnvesteerd.

Eindigen met een gesprekje. Met Jezus die mij voorgaat op de weg van de totale liefde. Met de Vader in de hemel die van mij persoonlijk houdt, wanneer Hij mij verenigd ziet met Jezus. Een Onze Vader bidden.

In een wat andere houding zodat ik kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen leef ik het leven van de oude mens. Het zijn mensen en dingen die ik nog niet wil loslaten omwille van de vereniging met Hem in het gebed.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik door de liefde van Jezus zo geraakt, dat ik mijn natuurlijke zwaartekracht wist te overwinnen?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?