Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vierentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
21 In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak:
"Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet,
hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven?
Tot zevenmaal toe?"
22 Jezus antwoordde hem:
"Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe
maar tot zeventig maal zevenmaal.
23 Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning
die rekening en verantwoording wilde vragen
aan zijn dienaren.
24 Toen hij hiermee begon,
bracht men iemand bij hem
die tienduizend talenten schuldig was.
25 Daar hij niets had om te betalen,
gaf de heer het bevel hem te verkopen
met vrouw en kinderen en al wat hij bezat
om zo de schuld te vereffenen.
26 Maar de dienaar wierp zich voor hem neer
en smeekte:
Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.
27 De heer kreeg medelijden met die dienaar,
liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt.
28 Maar toen die dienaar buiten kwam,
trof hij daar een andere dienaar
die hem honderd denariën schuldig was;
hij greep hem bij de keel en zei:
Betaal wat je schuldig bent.
29 De andere dienaar wierp zich voor hem neer
en smeekte:
Heb geduld met mij en ik zal u betalen.
30 Maar hij weigerde
en liet hem zelfs in de gevangenis zetten,
totdat hij zijn schuld betaald zou hebben.
31 Toen nu de overige dienaars zagen
wat er gebeurd was,
waren zij diep verontwaardigd
en gingen hun heer alles vertellen.
32 Daarop liet de heer de dienaar roepen en sprak:
Jij, lelijke knecht,
heel die schuld heb ik je kwijtgescholden,
omdat je mij erom gesmeekt hebt.
33 Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben
met je mededienaar,
zoals ik met jou medelijden heb gehad?
34 En in toorn ontstoken,
leverde zijn heer hem over aan de beulen,
totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben.
35 Zo zal ook mijn hemelse Vader
met ieder van u handelen
die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt."
Matteüs 18, 21-35

Het begin van het gebed ligt buiten het gebed, namelijk in het verzorgen van de gesteltenis van mijn geest, want dat is instrument van gebed. Het is goed mijn geest wat te laten rusten door contact te zoeken met Hem. Gedachten en gevoelens op de tweede plaats. Eerst Hem zoeken.

Een paar passen voor de plaats van het gebed stilstaan, me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen. Ik heb iets van die knecht met zijn gigantische schuld. Bij die situatie past een gebaar: "de dienaar wierp zich voor hem neer".

Dan het gebed ingaan door de gebedshouding aan te nemen, zo min mogelijk bewegen, zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen word: bijvoorbeeld door gevoelens van wrok of van medelijden, dankbaarheid enz. Hoe meer ik leef voor God, des te beter kan ik bidden.
Daarom is het goed mijn verlangen te vernieuwen naar de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: Petrus, in zijn hoedanigheid van woordvoerder van de kerk, vraagt naar de grenzen van de vergeving aan de broeders en zusters van de kerk. Jezus geeft hem een tweevoudig antwoord: 1. er is geen grens; 2. er is wel een motief voor zo'n grenzeloze vergevingsgezindheid.

De plaats van die knecht met zijn onbetaalbare schuld, voor de voeten van zijn heer, hem smekend om genade, dat is mijn geestelijke plaats. Er zou mij veel onheil bespaard blijven, wanneer dat in mijn bewustzijn levendig bleef.

Daarbij aansluitend vraag ik om de bijzondere genade, dat ik een innerlijke kennis mag hebben van Christus onze Heer, dat wil zeggen: een kennis die me anders maakt door me het besef te geven zelf een begenadigd iemand te zijn.

 
In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: "Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?"

Petrus treedt hier op als woordvoerder van de kerk. Het gaat over kerkelijke verhoudingen waar mensen voor elkaar broeders en zusters zijn, omdat God hun Vader is. Dat het over het kerkbroederschap gaat, blijkt ook uit het antwoord van Jezus aan het einde: "Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt." Petrus alleen stelde de vraag. Allen krijgen een antwoord: "ieder van u". Blijkbaar sprak Petrus als woordvoerder voor de hele groep: "Hoe vindt U, dat het er bij ons in de kerk aan toe zou moeten gaan, wanneer de ene broeder tegen de ander misdoet?" Trouwens, alleen al het gebruik van het woord "broeder" wijst erop, dat wij hier in kerkelijk milieu zitten. Dat de christenen elkaar met broeder en zuster aanspraken, klonk voor de heidenen wereldvreemd (Tertullianus). Als ik moeite heb in iemand mijn broeder of zuster te zien, dan kan ik me bewust maken, dat God haar of zijn Vader is en zo voor die persoon bidden.

 
"Tot zevenmaal toe?"

Zeven keer vergeven is eigenlijk al alles. Want zeven is het getal van de volheid: "De rechtvaardige valt zevenmaal per dag". Petrus had immers al wel gemerkt, dat het vergeven Jezus na aan het hart lag. Maar altijd vergeven kon er toch maar nauwelijks bij hem in. Daarom die vraag. Dat is de vraag die mensen heel gemakkelijk op de lippen komt: "Moet ik dan alles maar nemen?" "Moet ik altijd weer de eerste stap zetten?" Dat is de vraag van Petrus: "Tot zevenmaal toe?"

 
Jezus antwoordde hem: "Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe maar tot zeventig maal zevenmaal."

Om er beduusd van te worden. Niet altijd, maar altijd maal altijd. Vergeven tot op het dwaze af. De ander mag nooit het gevoel krijgen, dat er een grens is aan mijn vergevingsgezindheid. Anders gaat God ook grenzen stellen aan zijn vergevingsgezindheid jegens mij. Bij het laatste oordeel. Het hele Rijk Gods hangt dus om zo te zeggen van vergevingsgezindheid aan elkaar.

 
"Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren."

Merkwaardig op het eerste gezicht is, dat Jezus in zijn parabel gaat spreken over het Rijk der hemelen als uitleg hoe onze onderlinge verhoudingen moeten zijn in de kerk hier op aarde! Maar het is dan ook zo, dat de kerk het Rijk der hemelen als spiegel voorgehouden krijgt. Want de verhoudingen van de hemel moeten heersen in de kerk op aarde. Of met andere woorden: in de kerk begint het Rijk der hemelen al gestalte aan te nemen. De christenen genieten in de kerk "de hemelse gaven, ontvangen de heilige Geest, ervaren het heerlijke woord van God en de krachten van de toekomstige wereld" (Hebr 5,4-5). Daar hoort ook een bovenmenselijke vergevingsgezindheid bij. Bij het evangelie hoort, dat er rekening en verantwoording wordt gevraagd. God neemt ons serieus. Het kan een hele tijd duren: "Een hele tijd later kwam de heer van die dienaars terug en hield afrekening met hen" (25,19). Maar eens komt het ervan. Waarover gaat die rekenschap? Schrik niet! "Van ieder onnut woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap moeten afleggen op de dag van het oordeel" (12,36).

 
"Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was."

Een talent is zesduizend denaries. Een denarie is een dagloon: "Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag" (20,2). Tienduizend talenten is een duizelingwekkend bedrag. Waar komt die schuld vandaan? Bij onze zondenschuld is niet alleen te denken aan wat wij hebben misdaan, maar méér nog aan Degene tegen wie wij hebben misdaan. Een blik op het kruis is voldoende om ons daarvan te overtuigen.

 
"Daar hij niets had om te betalen, gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat, om zo de schuld te vereffenen. Maar de dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt."

Om het gebaar van barmhartigheid naar waarde te kunnen smaken, moet eerst voorop staan dat de heer soevereine macht heeft om terugbetaling te eisen. Uitgangspunt is de rechtmatige toorn en de straf. Maar over het recht zegeviert de barmhartigheid: "De heer kreeg medelijden". Nu zou ik me mijn zonden te binnen kunnen brengen, ook de zonden die ik al gebiecht heb, en dan mijn eigen naam invullen: "De heer kreeg medelijden met ... en schold ... de schuld kwijt."
Het gevoel begenadigd te zijn moet in mij zo groot worden, dat ik ook tegenover anderen de genade kan laten zegevieren over het recht, zoals ook aan mij gebeurd is en steeds weer opnieuw gebeurt. Want altijd te moeten vergeven is een bovenmenselijke opgave die alleen te volbrengen is dank zij zijn overgrote gave van vergeving aan ons.

 
"Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld betaald zou hebben."

In vergelijking met de eigen schuld valt de schuld van zijn medeknecht in het niet: ongeveer het 500.000ste deel ervan. Maar op zichzelf gezien - helaas zien wij de schuld van anderen los van onze eigen schuld aan God - is die schuld van honderd denaries geen kleinigheid: honderd daglonen, bijna een derde van een jaarsalaris. Het is goed om de schuld die anderen aan ons hebben, niet voortijdig in ons gevoel te verkleinen. Dat is verdringen. Wat verdrongen is, is niet echt weg, maar gaat min of meer heimelijk een rol spelen in mijn bewustzijn, bijvoorbeeld wanneer ik moe ben of wanneer die ander mij opnieuw irriteert of kwetst. Beter is het mijn gevoel van gekwetstheid zo groot te laten zijn als het op sommige momenten kan zijn, om dan pas de vergevingsgezindheid nog groter te laten zijn.
Sommigen hebben het er moeilijk mee om zichzelf te vergeven. Zij kunnen het niet uitstaan, dat ze een bepaalde zonde hebben gedaan. Ze kunnen zichzelf er wel om voor het hoofd slaan. Dan zijn zij zelf de persoon die zij naar de keel vliegen. Het is goed die woede tegen zichzelf tijdens het gebed even de vrije loop te laten om dan vanuit het gevoel van dankbaarheid voor de eigen vergeving de vergevingsgezindheid het te laten winnen van de agressie. Kortom, tegenover het kwaad bij zichzelf en bij anderen is kwaadheid de eerste reactie. Juist zoals bij God. Maar kwaadheid mag nooit het laatste woord hebben. Want dan zal ook bij God de kwaadheid het laatste woord hebben.

 
"Daarop liet de heer de dienaar roepen en sprak: Jij, lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? En in toorn ontstoken, leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben."

Weer staan ze tegenover elkaar: de heer en zijn knecht. Maar nu kent de heer geen pardon. Nu eist hij het volle pond, precies zoals de knecht deed tegenover zijn schuldige medeknecht. Want God wil dat zijn wil op aarde geschiedt zoals in de hemel. Wat is zijn wil? Liever barmhartigheid dan recht. Als wij het recht laten zegevieren over de genade, dan betaalt Hij met gelijke munt. Wij mogen niet op onze rechten staan. Want zelf leven wij van genade. Dan moeten wij ook anderen van genade laten leven.

Aan het eind gesprekjes met Petrus, met Jezus, vriendschappelijk met Hem overleggen hoe ik bepaalde personen zal vergeven, bijvoorbeeld door in het Onze Vader de naam van die schuldenaar in te voegen:

"Onze Vader, Vader van mij en van ...
uw naam worde geheiligd, in mij en in ... enz.
Vergeef mij mijn schuld
zoals ik de schuld van ... verlang te vergeven."

Een langere tijd inwendig gebed kan tot een beter inzicht leiden in de verschillende krachten of geesten die mij beïnvloeden. Ik kan tot onderscheiding komen door me de volgende vragen te stellen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen leef ik niet als een begenadigde. Ik neem het leven daar in eigen hand.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Bijvoorbeeld doordat ik getroffen werd door het medelijden van de Heer jegens mij.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Blijft het gevoel van begenadiging ook in me als een besef, als een duurzame toestand?

Heer, heb geduld met mij