Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vier en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Telkens kwamen tollenaars
en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
2 De Farizeeën en de schriftgeleerden
morden daarover en zeiden:
"Die man ontvangt zondaars en eet met hen."
3 Hij hield hun deze gelijkenis voor:
4 "Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft
en er één verliest,
laat hij dan niet de negenennegentig
in de wildernis achter
om op zoek te gaan naar het verlorene
totdat hij het vindt?
5 En als hij het vindt
legt hij het vol vreugde op zijn schouders
6 en hij gaat naar huis,
roept zijn vrienden en buren bij elkaar
en zegt hun:
Deelt in mijn vreugde,
want mijn schaap dat verloren was geraakt
heb ik gevonden.
7 Ik zeg u:
zo zal er in de hemel meer vreugde zijn
over één zondaar die zich bekeert,
dan over negenennegentig rechtvaardigen
die geen bekering nodig hebben.
8 Of welke vrouw die tien zilverstukken bezit
en er één verliest,
steekt niet een lamp aan,
veegt niet het huis en zoekt niet zorgvuldig
totdat ze het vindt?
9 En als ze het gevonden heeft
roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar
en zegt:
Deelt in mijn vreugde,
want het zilverstuk dat ik had verloren,
heb ik gevonden.
10 Zo, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God
over één zondaar die zich bekeert."
Lucas 15,1-10

In de omgang met God heeft men een ander zelfgevoel dan men doorgaans heeft in het contact met zichzelf of met de mensen. In het gewone zelfgevoel is men zelf middelpunt en bron van initiatief, energie, levenskracht enz. In het gebed is God het middelpunt en heeft de mens meer het zelfgevoel van een schaap dat helemaal is aangewezen op het superieure verstand van de herder. Daarom eerst mijn instelling verzorgen door mijn geest te laten rusten bij Hem, mijn goede Herder.

Ik neem ook niet meteen de gebedshouding aan, maar breng me eerst staande een paar passen van de gebedsplaats Gods tegenwoordigheid te binnen. God is er altijd, vooral in de situaties waarin ik me verloren voel. Een gebaar van eerbied kan me helpen het besef van zijn reddende aanwezigheid nog dieper in mij te laten doordringen.

Dan pas neem ik de houding aan van het gebed, liggend, gezeten of geknield, maar niet bewegen, zodat ik beter kan luisteren naar hoe Hij mij beweegt. In die houding vraag ik om de genade, dat ik me in mijn leven mag laten leiden door zijn herderzorg, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis: Jezus bewijst Gods barmhartigheid door zich bij zondaars aan tafel te laten uitnodigen (zoals bij Matteüs) als "een vriend van tollenaars en zondaars" (7,34). Dat is niet zo vanzelfsprekend vinden de Farizeeën en schriftgeleerden. Dat de eerste christenen aan hun eucharistische maaltijden mensen lieten deelnemen met een minder goede naam vond hun heidense omgeving al evenmin vanzelfsprekend. En ook nu nog steeds is het altijd weer wennen aan Gods barmhartigheid. Steeds weer opnieuw moeten wij door het evangelie onze spontane reactie laten corrigeren, dat God de zondaar niet straffend maar vergevend tegemoettreedt.
Jezus verkondigt dat aan de hand van drie parabels: verloren schaap, verloren drachme en verloren zoon. In dit evangelie alleen de eerste twee. Een parabel voor de mannen en een parabel voor de vrouwen.

De plaats: de huizen van de zondaars waar Jezus met hen aan tafel aanligt en ook mijn eigen kerk waar Jezus nu nog steeds maaltijd houdt met de zondaar die ik zelf ben.

De bijzondere genade: vragen om een innerlijke kennis van Christus mijn Heer om Hem beter te leren kennen als mijn goede Herder die zelfs zijn leven voor mij over heeft.

 
"In die tijd kwamen tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: Die man ontvangt zondaars en eet met hen."

Jezus en de zondaars, de Heilige en de onheiligen. Er is een wonder voor nodig geweest om van Gods kant de walging te overwinnen die Hij spontaan ten opzichte van de zondaar voelt en om bij de zondaars de schrik te boven te komen die zij van nature voor God hebben. Een wonder van Gods goedheid. Het is het wonder dat bij de profeet Hosea beschreven staat: "Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week. Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen... want Ik ben God, Ik ben geen mens. Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hosea 11,9).
Ik moet heel goed luisteren om mij niet te laten leiden door die spontane afweergevoelens die ik als zondaar ten opzichte van God heb, maar door die diepere aantrekkingskracht van Gods genade. Tollenaars en zondaars doen het mij als het ware voor. Het morren van Farizeeën en schriftgeleerden roept herinneringen wakker aan de Joden in de woestijn die morden over Gods beschikkingen. Gods leiding onder kritiek stellen, dat deden de Joden in de woestijn. Dat deden de kritikasters in het evangelie. Dat doe ik ook, elke keer als ik mijn zondigheid verdring en juist zoals de Farizeeën me erop verkijk, dat mijn goede werken en deugden evenzeer vruchten zijn van Gods genade en geen eigen prestaties op grond waarvan God mij zijn genade moet geven.

 
"Hij hield hun deze gelijkenis voor: Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene totdat hij het vindt?"

Jezus doet een beroep op een alledaagse ervaring. Als mensen iets kwijt zijn, gaan zij ernaar zoeken. En hebben zij het gevonden, dan genieten zij de vreugde van het vinden. Een grotere vreugde met het teruggevondene dan met wat niet verloren ging. Wat je verloren bent, krijgt dus dubbele aandacht. Zo is het met de verloren kinderen van God. Alles concentreert zich op de ene die ik ben. De anderen bestaan gewoon niet voor God. Misschien ontstaat er een gevoel van medelijden met die anderen, die negenennegentig die zo maar in de wildernis worden achtergelaten. Ten onrechte: wanneer zij hun herder zich zo druk zien maken om één zo'n weggelopen schaap, gaat er bij hen een licht op: dat zou hij voor ieder van ons ook over hebben. In de nood leer je je vriend kennen. In de nood van dat ene schaap waarop alle zorg van de herder zich concentreert, leren alle niet verdwaalde schapen hun herder kennen, hoe Hij altijd voor hen is. De noodsituatie haalt uit de herder naar boven wat er altijd al in zit, maar minder zichtbaar.
Ik zal niet rusten vóórdat ik mij dat ene schaap weet dat in zijn eentje de volle aandacht van zijn herder-God op zich gericht krijgt: "De Heer is mijn Herder" (Psalm 23).

 
"En als hij het vindt, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en hij gaat naar huis, roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden."

Het beeld is overbekend: de herder met een schaap om zijn nek, de handen zorgvol de poten van het dier vasthoudend. Het stamt uit het herdersleven. Een schaap dat van de kudde verwijderd is geraakt, begint rond te dolen, totdat het niet meer kan. Het zakt oververmoeid door de poten en blijft liggen. Het is niet meer te bewegen om op te staan. Het is wat ze in het Drents noemen, "stees" geworden (=steeds, ter stede, ter plaatse rustend). Er zit voor de herder niets anders op dan het beest op zijn schouders te nemen en het naar de kudde te dragen. Zo neemt Jezus de verloren schapen bij zich op als een vervulling van wat de profeet Jesaja voorzag:

"Hij weidt zijn kudde als een herder,
de lammeren verzamelt Hij;
de schaapjes neemt Hij op zijn schoot,
de moederdieren leidt Hij teder" (Jes 40,11).

Bij deze versen uit Jesaja roept Theresia van Lisieux: "Na zulk een taal kunnen wij er alleen maar het zwijgen toedoen, schreien van dankbaarheid en liefde. Ach, wanneer alle zwakke en onvolmaakte zielen voelen wat de kleinste van alle zielen, de ziel van uw kleine Thérèse voelt, zou er niet één enkele wanhopen om de top van de liefdesberg te bereiken. Jezus vraagt geen prestaties, maar alleen overgave en dankbaarheid."

 
"Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben."

Eigenlijk zijn die er niet, rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Want "er is geen rechtvaardige, zelfs niet één. Allen zijn afgedwaald" (Ps 14,3, geciteerd in Rom. 3,10). Sommigen vertalen dan ook: "die menen geen bekering nodig te hebben." Waarin bestaat het werk van de rechtvaardigen? Niet in het zelf terugkeren. Het schaap bleef gewoon liggen wachten. En de verloren zoon keerde wel zelf terug, maar eigenlijk niet om zich te bekeren, maar omdat hij honger had en weer te eten wilde krijgen. Het werk van de bekering is de overgave aan Gods genadige toekeer naar ons, geloven dat God het goed meent met de zondaars.

 
"Of welke vrouw die tien zilverstukken bezit en er één verliest, steekt niet een lamp aan, veegt niet het huis en zoekt niet zorgvuldig totdat ze het vindt?"

Dat God bij de mensen één enkele al mist, is een bewijs van de uiterste fijngevoeligheid van zijn Hart. Die fijngevoeligheid spreekt ook uit het feit, dat Hij het nodig heeft gevonden om twee parabels te vertellen. Bij het vertellen van de parabel van de herder is het Hem niet ontgaan, dat de vrouwelijke helft van zijn publiek zich niet zo aangesproken voelde. De vrouwen van toen wisten wel niet beter, zij werden nu eenmaal niet geteld bij de mensen. Maar bij Jezus telden ze volop mee. Vrouwen toen waren als verloren schapen. De goede herder Jezus heeft alle aandacht voor hen: "Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort" (Ez 34,16). Hier zal ik Gods fijngevoelige tedere liefde bewonderen en ook over mij laten komen. Want daarin bestaat de bekering.

 
"En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want het zilverstuk dat ik had verloren, heb ik gevonden. Zo, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen van God over één zondaar die zich bekeert."

Waarom zijn die engelen blij bij de bekering van een zondaar? Natuurlijk omdat God blij is. En waarom is God blij? Omdat Hij dan ziet, dat zijn eigen Zoon zich niet voor niets heeft overgeleverd. De echte vreugde wordt gesmaakt, wanneer er een offer gebracht moet worden. De vreugde in de hemel is mateloos, omdat de Zoon er alles voor gegeven heeft, zijn eigen leven. Een steekvlam van offerliefde en van offervreugde.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus, me bewust van zijn hartelijke betrokkenheid op mij. Dan laat ik me door Hem naar zijn Vader brengen, zodat ik met een gegroeide gerustheid me tot de Vader kan richten. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

De vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Druk zijn, je bezorgd maken leidt nogal eens tot verstrooiingen. Het is een teken dat ik niet ontspannen ben om me over te geven aan Gods herderzorg.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar mocht ik zo'n betrokkenheid ervaren als bij de herder tot zijn verloren schaap?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?

Deelt in mijn vreugde