Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijfentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 "Met het Rijk der hemelen is het
als met een landeigenaar
die vroeg in de morgen uitging
om arbeiders te huren voor zijn wijngaard.
2 Hij werd het met de arbeiders eens
voor een denarie per dag
en stuurde ze naar zijn wijngaard.
3 Rond het derde uur ging hij er weer op uit
en zag nog anderen werkeloos op de markt staan.
4 En hij zei tot hen:
Gaat ook naar mijn wijngaard
en ik zal u geven wat billijk is.
5 En zij gingen.
Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit
en deed hetzelfde.
6 Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit
en vond er weer anderen staan.
Hij zei tot hen:
Wat staat ge hier de hele dag werkeloos?
7 Ze antwoordden hem:
Niemand heeft ons gehuurd.
Daarop zei hij tot hen:
Gaat ook gij naar mijn wijngaard.
8 Bij het vallen van de avond
sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester:
Roep de arbeiders en betaal hen uit
te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.
9 Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen,
kregen zij elk een denarie;
10 toen nu ook de eersten kwamen,
meenden dezen dat zij meer zouden krijgen,
maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie.
11 Ze namen hem wel aan,
maar begonnen tegen de landeigenaar te morren
12 en zeiden:
Dezen hier, die het laatst gekomen zijn,
hebben maar één uur gewerkt
en gij stelt ze gelijk met ons
die de last van de dag
en de brandende hitte hebben gedragen.
13 Maar hij antwoordde een van hen:
Vriend, ik doe u toch geen onrecht?
Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie?
14 Neem wat u toekomt en ga heen.
Ik wil aan degene die het laatst gekomen is,
evenveel geven als aan u.
15 Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies,
of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?
16a Zo zullen de laatsten de eersten
en de eersten de laatsten zijn."
Matteüs 20, 1-16a

Me erop voorbereiden dat het anders kan lopen dan ik me had voorgesteld. Mijn eigen plannen en opvattingen opgeven. Mijn geest laten rusten bij Hem: "Zo ver als de hemel boven de aarde staat, zo ver staan mijn wegen boven uw wegen en mijn gedachten boven de uwe" (Jer 55,9). In macht? Ja, maar méér nog in goedheid.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, de blik omhoog, zien hoe Hij mij ziet, vol waardering voor mijn inzet, vol goedheid bij mijn falen. In een gebaar van eerbied maak ik mij klein voor zijn koninklijke grootheid en goedheid.

Ik ga het gebed in door de houding van het gebed aan te nemen, een houding van eerbiedige openheid en ontvankelijkheid. In die houding vraag ik om de genade, dat die houding ook de grondslag mag zijn van heel mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik bereid me er nu op voor om het geheim binnen te gaan van Gods grootste zelfmededeling door zijn Zoon Jezus. Allereerst overzie ik de geschiedenis: aanleiding tot de parabel is de vraag van Petrus: "Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen. Wat zullen wij dus krijgen?" Jezus antwoordt, geheel in de geest van zijn verkondiging, dat zij hun loon niet zullen missen. Maar toch: "Veel eersten zullen laatsten en veel laatsten zullen eersten zijn" (19,27-30). God laat geen moeite onbeloond, maar Hij behoudt zich het recht voor om voorbij aan alle verdiensten mensen uit loutere goedheid te geven wat zij niet verdiend hebben. Daarvoor de parabel van de werkers van het elfde uur.
De geschiedenis was actueel in Jezus' leven wegens zijn barmhartige houding jegens de zondaars en de tollenaars, werkers van het elfde uur in vergelijking met de Farizeeën die de last van de wet droegen. De parabel blijft actueel omdat er nog steeds een groot onderscheid is tussen de manieren waarop mensen zich voor God en zijn Rijk inzetten.

Om gemakkelijker contact met Jezus te houden, stel ik me ook de plaats voor waar dit zich heeft afgespeeld en waar zich dit nog steeds afspeelt: de plaatsen van uitverkiezing, de plaatsen van achteruitzetting, van verworpenheid. De minste plaatsen in de ogen van de mensen worden geheiligd door Gods bijzondere mededogen en goedheid.

Ik vraag om de bijzondere genade dat ik niet in mijn eigen gedachten blijf hangen, maar Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik Hem meer mag beminnen en meer van harte volgen.

 
"Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard."

Allereerst valt op, dat de heer van de wijngaard er zelf op uittrekt om arbeiders te huren. Zoiets laat een heer zijn rentmeester doen. Maar deze heer staat model voor die andere die bij het werven van arbeiders in zijn wijngaard zelf het initiatief houdt: "Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u" (Joh 15,16).

Het is dan ook zo, dat wij in dienst genomen worden voor "zijn wijngaard" (20,1.2) en Hij spreekt in de eerste persoon van: "mijn wijngaard" (20,4.7). Werkers van het eerste uur en werkers van het elfde uur, moeten elkaar accepteren niet op grond van menselijke waarderingsnormen, maar in het licht van Gods goedheid die ons het eerste heeft liefgehad. Ik probeer nu de mensen in mijn omgeving zo te zien.

 
"Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard. Rond het derde uur ging hij er weer op uit en zag nog anderen werkeloos op de markt staan. En hij zei tot hen: Gaat ook naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. En zij gingen. Rond het zesde en negende uur ging hij nog eens uit en deed hetzelfde. Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: Wat staat ge hier de hele dag werkeloos? Ze antwoordden hem: Niemand heeft ons gehuurd. Daarop zei hij tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard."

Een denarie is het dagloon in die dagen. Een dag werken strekt zich uit van 's morgens vroeg, bij het opgaan van de zon, het zogenaamde eerste uur, in onze tijd zes uur, tot in de namiddag om zes uur. De dagloners die al 's morgens vroeg op de markt staan om zich door de eerste beste wijnbouwer te laten inhuren, willen 's avonds met een denarie naar huis komen: vrouw en kinderen moeten ervan eten. De loonafspraak met de anderen wordt vaag omschreven: "Ik zal u geven wat billijk is."

 
"Bij het vallen van de avond sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en betaal hen uit te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten. Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denarie; toen nu ook de eersten kwamen, meenden dezen dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie. Ze namen hem wel aan, maar begonnen tegen de landeigenaar te morren en zeiden: Dezen hier, die het laatst gekomen zijn, hebben maar één uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen."

Er vindt een regelrechte confrontatie plaats tussen de beloning van de laatsten en de eersten, de werkers van het laatste en de werkers van het eerste uur. Volgens de regels van de rechtvaardigheid zouden de werkers van het elfde uur, die maar een uurtje, dat is het twaalfde deel van de werkdag, hebben gewerkt, ook maar een twaalfde deel van een denarie hebben moeten ontvangen.
Of andersom gerekend zouden de werkers van het eerste uur twaalf denaries hebben moeten ontvangen, aangezien zij twaalf maal zoveel hebben gewerkt.
De werkers van het eerste uur begonnen te "morren" zoals de Farizeeën morden tegen zijn leerlingen: "Waarom eet en drinkt uw Meester met tollenaars en zondaars?" (9,11) De vraag is: waar kan ik de zon van Gods goedheid niet bij de ander in het water zien schijnen?

 
"Maar hij antwoordde een van hen: Vriend, ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga heen. Ik wil aan degene die het laatst gekomen is, evenveel geven als aan u. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies, of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?"

Morren is iets van de groep. Maar God kent geen groepsverantwoordelijkheid waarachter men zich verschuilen kan. De heer van de wijngaard richt zich dus tot "een van hen". Zo mag ook ik mij persoonlijk aangesproken weten in het gebed en ik van mijn kant moet hetzelfde doen tegenover Hem: recht uit het hart. Het antwoord van de heer is drieledig:

  1. Hij gaat langs het deurtje van de mopperaar naar binnen, namelijk de gerechtigheid: "Ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? Neem wat u toekomt en ga heen."
  2. Maar daarna herinnert de heer hem aan zijn vrijheid. Hij kan vrij over zijn bezit beschikken zoals hij dat zelf wenst. Niemand heeft hem voorschriften te maken: "Ik wil aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan u. Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies?"
  3. Ja, maar wordt dat geen willekeur? Nee. Want als God zich niet houdt aan onze opvattingen over rechtvaardigheid, dan alleen uit goedheid: "Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben?"

 
"Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn."

Petrus en de zijnen horen tot de eersten. Hun loon zal hun niet ontgaan. Maar na hen komen anderen die er minder voor doen. Want God is niet alleen rechtvaardig. Hij geeft wat billijk is en gaat daar dan nog boven uit: "Zo ver als de hemel boven de aarde staat ..." (Jer 55,9) "Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen" (5,20). Nu nog eens de wereld overzien: goeden en slechten, helen en halven, om beiden nu God prijzen, om de goeden die zich geven en zich helemaal inzetten, aangetrokken door Gods grootheid, en om de laksen God prijzen vanwege zijn genadigheid. Nooit de schepping zien door je eigen oog. Want dan zie je een landschap zonder zon, zonder de zon van Gods goedheid.

Aan het einde gesprekjes voeren zoals tussen die ene werker van het eerste uur en de heer van de wijngaard, maar dan anders van toon en inhoud. Met Jezus heel hartelijk. En met de Vader in de hemel wiens goedheid Jezus is komen openbaren en meedelen. Een Onze Vader.

Dan een terugblik of reflexie houden, zodat ik beter kan onderscheiden waar bij mij de verkeerde geest schuilt en waar de goede geest kans kreeg:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen laat ik me leiden door mijn natuurlijke gevoelens, niet door de Geest van Jezus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Werd ik ergens door de Geest overtuigd van de goedheid van Jezus?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Brak het besef van Gods goedheid zegevierend door?

De landeigenaar