Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | "Er was eens een rijk man die een rentmeester had, die bij hem werd aangeklaagd, dat hij zijn bezit verkwistte. |
| 2 | Wat hoor ik daar van u? Geef rekenschap van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven. |
| 3 | Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en bedelen daarvoor schaam ik mij. |
| 4 | opdat zij mij na mijn ontslag als rentmeester in hun huis opnemen. |
| 5 | één voor één, en zei tot de eerste: Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig? |
| 6 | Maar hij zei: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; ga gauw zitten en schrijf: vijftig. |
| 7 | En hoeveel zijt gij schuldig? Deze antwoordde: Honderd maten tarwe. Hij zei hem: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf tachtig. |
| 8 | dat hij met overleg had gehandeld, want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht. |
| 9 | Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer die u komt te ontvallen, zij u in de eeuwige tenten opnemen. |
| 10 | is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote. |
| 11 | in de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen? |
| 12 | in het beheren van andermans goed, wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen? |
| 13 | want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon." |
| Lucas 16,1-13 |
Beginnen me de gesteltenis eigen te maken van het gebed door over te schakelen van hebben naar zijn. Ik heb niets, maar Hij heeft mij. Alle onrust komt ervan doordat ik mijn bezit moet bewaken of nieuw bezit verwerven. Mijn geest laten rusten bij Hem. Bij de plaats van het gebed even blijven stilstaan, op een paar passen afstand, de blik omhoog naar de Bron van alle goed waaraan ook ik mijn bestaan te danken heb. Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem die de oneindige goedheid in Persoon is.
Ik zoek de houding van het gebed, een houding die mij helpt het besef van zijn aanwezigheid in mij levendig te houden. Het besef van zijn aanwezigheid zou ook centraal moeten staan in heel mijn leven buiten het gebed. Dat vraag ik dan ook als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
De geschiedenis: Misschien kunnen we het ons als volgt voorstellen. Er heeft zich een schandaal afgespeeld met een rentmeester. Vol opwinding vertellen ze het door zoals dat met schandalen gaat. Zo komt het ook terecht bij Jezus. In plaats van de gebruikelijke reactie in de geest van: wat is die man toch slecht! (en onuitgesproken: wat zijn wij toch goed!) prikt Jezus de vooronderstelling door waarop de handelwijze van de rentmeester en ook de opwinding erover berust: gehechtheid aan bezit. Met het gevolg, dat ze allemaal de hand in eigen boezem steken. Voor wie Jezus volgt gaat de hele wereld er totaal anders uit zien.
Ik stel me de plaats voor waar dit geschiedde en steeds weer opnieuw geschiedt: op de markt wellicht waar de mensen het plaatselijke nieuws bespreken. In mijn eigen leven op de trefpunten van mensen en meningen.
Ik vraag om de bijzondere genade, dat Jezus me altijd zo voor de geest mag staan, dat ik zijn waardenhiërarchie overneem en mensen en dingen beoordeel naar zijn Geest, als een kind van het licht.
"In die tijd sprak Jezus tot zijn
leerlingen: Er was eens een rijk man. Hij had een rentmeester die
bij hem werd aangeklaagd omdat hij zijn bezit verkwistte. Hijriep hem dus en vroeg: Wat hoor ik daar van u? Geef rekenschap
van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven."
Rentmeesters, dat zijn wij. Geen bezitters, geen eigenaars. Niets kunnen wij in de volle zin van het woord het onze noemen. Wel voor de burgerlijke wet. Personen die een religieuze gelofte van armoede afleggen, geven dus de eigenlijke verhoudingen weer. Alles wat religieuzen hebben, hebben zij in bruikleen. Het kan hun worden afgenomen zonder dat zij enig recht kunnen doen gelden. Zo is het ook bij de mensen die geen gelofte van armoede afleggen, maar die wel Jezus volgen: niets kunnen zij in de volle zin van het woord het hunne noemen. Zij mogen wel voor de rechter hun recht opeisen, maar er is geen reden om ontevreden te zijn of de vrede van het hart te verliezen, wanneer zij hun recht niet krijgen, wanneer zij bij een economische recessie erop achteruit gaan, wanneer een oorlog een heel land naar de rand van de afgrond brengt enz. Tot deze geestelijke armoede waardoor men aan niets gehecht is, wordt elke volgeling van Christus geroepen. Ik kan deze armoede van geest nu al in het gebed inoefenen door me door God te laten toeëigenen. Leven in geloof is een onteigening totdat wij helemaal niet meer aan onszelf toebehoren en helemaal van Hem zijn.
"Toen redeneerde de rentmeester
bij zichzelf: Wat zal ik doen nu mijn heer mij het
rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en bedelen
daarvoor schaam ik mij. Ik weet al wat ik ga doen, opdat ik na
mijn ontslag als rentmeester onderdak vind."
De rentmeester vraagt: "Wat zal ik doen?" Dat is de vraag die mensen altijd stellen, want ze staan steeds voor nieuwe keuzes. Maar deze vraag wordt op een heel nieuwe manier gesteld, wanneer er een ingrijpende verandering is gekomen. Bijvoorbeeld: iemand heeft de honderdduizend gewonnen. Zo iemand staat met een heel ander gevoel op en gaat met een ander gevoel naar bed. Hij heeft een nieuwe waardenhiërarchie gekregen. Of zoals die man wiens land een rijke oogst had opgeleverd. En zo wordt ook die rentmeester van de ene dag op de andere geconfronteerd met een totale wijziging in zijn bestaan.
"De Heer prees het in de
onrechtvaardige rentmeester dat hij met overleg had gehandeld,
want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer
overleg dan de kinderen van het licht."
Dat hij zo doortastend en consequent handelt, dat wordt door Jezus geprezen. Niet de manier waarop. Want dat is gewoon oneerlijk, "onrechtvaardig", "als kind van deze wereld." In zijn doortastend optreden wordt hij de volgeling van Jezus tot voorbeeld gesteld. Doordat iemand geroepen wordt om Jezus te volgen, wordt hij uit zijn oude baan ontslagen. Hij is ontslagen als slaaf. Hij is een vrije mens geworden. Niet meer gekluisterd aan de oude dienstbetrekking van de zonde, de slavernij van het egoïsme. De gewone vooronderstellingen van deze wereld gaan voor hem niet meer op. De aardse waarde-maatstaven hebben voor hem hun betekenis verloren. Uitgedrukt in economische termen: voor de christen heeft er een "krach" plaats gevonden in de centrale beurs en daardoor zijn alle valuta, tot en met de allerhardste munten toe, van de ene dag op de andere waardeloos geworden. Nu moeten we ook daarnaar handelen, handelen als "kinderen van het licht": niet meer in dienst van zichzelf, niet in dienst van de wereld, niet volgens het "vlees" of de zelfzucht. Zoals de rentmeester van zijn heer te horen kreeg: "niet langer rentmeester", zo krijgt de christen van zijn Heer te horen: niet meer op de wijze van de wereld! Niet meer doen alsof Jezus niet gestorven zou zijn, niet meer doen alsof de wereld en haar maatstaven nog steeds gelden. Bij elke keuze moet Jezus hem voor de geest staan, of zijn doopbelofte waarin hij verzaakte aan de listen van de duivel, of zijn trouwbelofte waarin beloofd werd de ander boven alles te beminnen.
"Zo zeg Ik u ook: Maakt u
vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon, opdat zij -
wanneer die u komt te ontvallen - u in de eeuwige tenten
opnemen."
Zoals de rentmeester zich vrienden maakte door de onrechtvaardige mammon, dat wil zeggen op een onrechtvaardige manier, zo moeten de christenen zich ook op een goede manier van het geld bedienen om zich vrienden te maken die hen later in de eeuwige tenten zullen opnemen. Er zijn rabbijnse uitspraken die verwant zijn aan wat Jezus hier zegt: "Aalmoezen zijn het zout van de rijken"; "De rijken helpen de armen in deze wereld, maar de armen helpen de rijken in de komende wereld."
"Wie betrouwbaar is in het
kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig
is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote. Zijt gij
dus betrouwbaar geweest met betrekking tot de onrechtvaardige
mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen? Als ge
niet betrouwbaar zijt geweest in het beheren van andermans goed,
wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen?"
Hier vindt een omkering van waarden plaats: het aardse wordt "het kleinste" genoemd, het geld wordt "onrechtvaardig" geheten ("de onrechtvaardige mammon") en het aardse goed wordt aangeduid als niet van onszelf ("andermans goed" dat we alleen maar "beheren"). Dat is de aarde en het aardse geld natuurlijk alleen maar in vergelijking met de hemel. Doordat mensen zich rijk gaan voelen met God, beginnen de andere bezittingen in glans te verbleken. De hemelse schatten werken ontwaardend of devaluerend op de aardse schatten: "Maar wat voor mij winst was, ben ik om Christus' wil gaan zien als verlies. Ja, nog sterker, ik beschouw alles als verlies, vergeleken bij de allesovertreffende kennis van Christus Jezus, mijn Heer. Ik beschouw het als vuilnis, als ik Christus maar mag winnen en door God in Hem gevonden worden" (Fil 3,7-9).
"Geen knecht kan twee heren
dienen, want hij zal dan de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God
dienen en de mammon."
God en de mammon, twee heren die men niet tegelijk kan
dienen. Waarom eigenlijk niet? Waarom zou er een tegenstelling
zijn tussen God en de rijkdom? Tussen hemels en aards goed?
Tussen schatten hier op aarde en de schat in de hemel? Tussen de
schepselen en de Schepper? Hoe kan het goede van de aarde
afhouden van het goede van God in de hemel? Zijn niet allebei van
Hem? Is God dan een concurrent van zijn eigen schepping? Wordt
Hij jaloers wanneer Hij ons ziet genieten van zijn eigen gaven?
Maar het is niet zá¢á, dat God wedijvert met ons, wél dat wij
wedijveren met Hem. Het is voor de mens een grote bekoring om de
goede dingen van deze wereld te beleven als los van God. Van
zichzelf uit hecht de mens zich aan de goederen van deze wereld.
Deze worden hem tot een afgod. Het woord "mammon" is afgeleid van
een werkwoord dat "geloven" of "vertrouwen"betekent. Het betekent
iets wat vaststaat, zoveel als het "deposito" op een bank. God
en de mammon, ze staan allebei vast en alszodanig dingen ze
allebei naar de hoop van de mens. Het zijn twee gelijknamige
polen. Allebei positief. En daarom stoten ze elkaar af.
Ik zou hier kunnen nagaan waarop ik mijn hoop heb gesteld, waar
ik niet zonder kan? Gezondheid, aanzien, werk, contacten, geld?
Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus die om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede (2 Kor 8,9). Met de Vader in de hemel. In zijn handen mijn geest neerleggen zoals ik eens aan het eind van mijn leven zal doen. In die overgave een Onze Vader bidden.
Na afloop een terugblik houden of reflexie:
