Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 28 | tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: "Wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. |
| 29 | |
| 30 | Deze antwoordde: Neen, ik wil niet; maar later kreeg hij spijt en ging toch. |
| 31 | Zij antwoordden: de laatste. Toen zei Jezus hun: Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen. |
| 32 | toch hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken. Maar zelfs, nadat ge dit had gezien, zijt ge toch niet tot inkeer gekomen en hebt ge hem geen geloof geschonken." |
| Matteüs 21, 28-32 |
God dienen met heel mijn hart mag nu al beginnen door te
bidden met mijn hart. Het hart in de betekenis van die omheinde,
geheime, geheimvolle ruimte waar ik met God ben. Hoe kan ik
bidden met het hart? Door me niet te fixeren op gevoelens of
gedachten of voornemens. In het gebed gaat het om iets diepers:
of ik van Hem wil zijn, een kind van God.
Het gebed moet beginnen door de geest wat te laten rusten bij
Hem. Tijdens het gebed kan ik dit af en toe vernieuwen. Dan
bid ik echt. Niet alleen met het gevoel, met het verstand of de
wil, maar met de pit van mijn ziel, waar ik met Hem ben.
Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik
stil blijven staan, de blik omhoog, waar Hij mij te boven gaat en
mijn leven vol liefde in de hand heeft. Een gebaar maken
van eerbied, dan de houding van het gebed aannemen, een
houding die mij helpt om te groeien in ontvankelijkheid, in
bereidheid zijn genade te ontvangen.
In die houding vraag ik om de genade dat zo heel mijn leven
mag zijn: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver
geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke
Majesteit.
Ik overzie in het kort de geschiedenis: Jezus is in Jeruzalem. In het hol van de leeuw. Hogepriesters en oudsten van het volk vragen Hem op de man af naar zijn volmacht "om dit alles te doen" (intocht in Jeruzalem, tempelreiniging, 21,1-17). Jezus antwoordt met een tegenvraag: "Het doopsel van Johannes, waar was dat vandaan? Van de hemel of van de mensen?" De vragenstellers wijken een antwoord uit. Nu gaat Jezus zeggen wat Hij van Johannes denkt. In zijn eigen context, niet in de context die kwaaddenkenden bedenken. "Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid" (21,32; zie ook 11,17-19). Door hem verkondigde de Vader zijn wil en nodigde uit om, in de wijngaard te gaan werken. Zij schonken hem geen geloof. Dus lijken zij op de eerste zoon die mooie woorden heeft, maar niet doet wat de Vader wil. Tegenover hen stelt Jezus de tollenaars en ontuchtige vrouwen, die wel geluisterd hebben naar de boete-predikatie van Johannes de Doper (Lc 7,29v). In hen ziet Jezus de tweede zoon die eerst met beslistheid nee zegt, dan echter tot inkeer komt en doet wat de Vader van hen verlangde.
De plaats: de tempel van Jeruzalem (21,23) waar Jezus aan het onderrichten was. En ook de geestelijke plaats waar ik mezelf pleeg te zien: hoog of laag, door eigen gerechtigheid, de eer van de mensen, in eigen ogen en/of voor het oog van anderen.
De bijzondere genade: dat ik Gods barmhartigheid mag leren kennen, zodat ik nooit zal wanhopen, wanneer ik ooit nee zeg.
"Een man had ... zonen ... Mijn zoon ... Goed vader ... de
wil van zijn vader."
Het begin van alle gebed is: me ervan doordringen, dat ik God als
Vader heb, dat ik door God in liefde verwekt ben. Ik ben kind van
de hemelse Vader. Hij zegt tot mij: "Mijn zoon", "mijn dochter".
Ik mag zeggen: "mijn Vader" en: "goed, Vader". Het bidden begint
ermee zich bewust te maken van mijn oorspronkelijke waardigheid
als kind van God.
Hoef ik dan helemaal niet bang te zijn? Ook niet voor zijn
heiligheid? Wegens mijn zonden? Nee, want God is een Vader, die
de barmhartigheid laat zegevieren over het recht, de genade over
de gerechtigheid.
"Een man had twee zonen."
De twee zonen beelden twee mogelijkheden uit, die elke mens in zich draagt. Het eerste kind, dat ja zegt en nee doet, geeft ons de kans te ontdekken of wij misschien ergens blijven steken in mooie woorden en vrome vieringen. Het tweede kind, dat nee zegt en dan toch doet, kan ons helpen ons onze onwil bewust te maken en zo te overwinnen.
"De eerste: hij deed het niet ... De tweede: Neen, ik wil
niet."
Het is blijkbaar niet vanzelfsprekend om de wil van God meteen en
van ganser harte te volbrengen. Op alles wat God vraagt van
ganser harte "ja" zeggen, is de korte samenvatting van alle
heiligheid. Jezus is het volle "ja" tot de Vader: De Zoon Gods,
Christus Jezus, Hij was niet "ja en neen", in Hem was slechts
"ja" (2 Kor 1,19). Ook in Maria was er slechts "ja": "Mij
geschiede naar uw woord." Daarmee drukte zij haar hele wezen uit:
"Zie de dienstmaagd des Heren" (Lc 1,38). De eigenwil is een
koperen muur tussen God en de mens. Mensen willen niet wat God
wil: "zij wilden niet komen" (bij het bruiloftsmaal voor de
koningszoon) (22,3).
Zo heeft Jezus voor Jeruzalem gestaan: "maar
gij hebt niet gewild" (22,37). Hoe dikwijls heeft Jezus zo voor
mij gestaan?
Het verzet in onze natuur kan overwonnen worden als wij
doordringen in onszelf naar wat dieper is dan onze natuur: ons
kind-van-God-zijn, waar wij bezield zijn door de heilige Geest,
die roept "Abba", "Vader" (Rom 8,15-16).
Zo overwon Jezus in de Hof van Olijven het verzet van zijn
menselijke natuur: "Niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt"
(26,39).
Me bewust maken waar in mij verzet ligt tegen wat God nu van me
vraagt. De grootste kracht van het verzet is de verdringing, dit
is er niet van willen weten. Wanneer ik mij eenmaal mijn verzet
bewust geworden ben, kan ik tot overgave komen door me te binnen
te brengen, dat God dit uit liefde van mij vraagt.
"... de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder
dan gij het Rijk Gods binnen."
Vanuit de diepte van hun morele ellende streven de tollenaars en de ontuchtige vrouwen de anderen voorbij. Dat is hun laatste en mooiste kans. Dat is ook onze beste kans. Wij hoeven niet op ons geestelijk bankroet te wachten om Gods genade te ontvangen. Na elke misstap en elke kleine ongetrouwheid kunnen wij ons voor God vernederen en ons wenden tot zijn barmhartigheid.
"Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid; toch
hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de
ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken."
In het evangelie staan geloof en gerechtigheid vaak tegenover elkaar. Jezus laat zich ten opzichte van ons niet door gerechtigheid leiden, maar door goedheid: "Zijt ge kwaad, omdat Ik goed ben?" (20,15). Gelukkig maar; anders was er voor de tollenaar geen kans. Hij greep zijn laatste kans: "God, wees mij, zondaar, genadig" (Lc 18,13): "deze ging gerechtvaardigd naar huis." Gerechtvaardigd? Ja, maar niet door goede werken en verdiensten, want die had hij niet, maar door het geloof in Gods genade: "God, wees mij, zondaar, genadig." Daarom zal ik me nu met al mijn zonden en al mijn zorgen overgeven aan de barmhartige God.
Aan het eind gesprekjes voeren zoals de twee gesprekken van de parabel, maar nu met Jezus als vriend. Vertrouwelijk en eenvoudig. Me door Jezus naar de Vader laten brengen en vragen of Hij voor mij een goed woordje wil doen. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.
Dan wat afstand nemen en proberen tot onderscheiding te
komen van de verschillende geesten die zich in mij bewegen:
