Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zes en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot de Farizeeën:
19 "Er was eens een rijk man
die in purper en fijn linnen gekleed ging
en iedere dag uitbundig feest vierde,
20 terwijl een arme, die Lazarus heette,
met zweren overdekt voor de poort lag.
21 Hij verlangde er naar zijn honger te stillen
met wat bij de rijkaard van de tafel viel.
Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten.
22 Nu gebeurde het dat de arme stierf
en door de engelen in de schoot van Abraham
werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis.
23 In de onderwereld,
ten prooi aan vele pijnen
sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham
en Lazarus in diens schoot.
24 Toen riep hij uit:
Vader Abraham, ontferm u over mij
en geef Lazarus opdracht
de top van zijn vinger in water te dopen
en mijn tong daarmee te komen verfrissen,
want ik word door de vlammen hier gefolterd.
25 Maar Abraham antwoordde:
Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven
uw deel van het goede hebt gekregen
en hoe op gelijke manier
aan Lazarus het kwade ten deel viel;
daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting,
maar wordt gij gefolterd.
26 Daarenboven gaapt er tussen ons en u
voorgoed een wijde kloof,
zodat er geen mogelijkheid bestaat,
- zelfs als men zou willen -
van hier naar u te gaan
noch van daar naar ons te komen.
27 De rijke zei:
Dan vraag ik u, vader,
dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen,
28 want ik heb nog vijf broers;
laat hij hen waarschuwen
opdat zij niet eveneens
in deze plaats van pijniging terecht komen.
29 Maar Abraham sprak:
Zij hebben Mozes en de profeten;
laat ze naar hen luisteren.
30 Maar hij zei:
Och neen, vader Abraham!
Maar als er een uit de doden naar hen toegaat,
zullen ze zich bekeren.
31 Hij echter sprak tot hem:
Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden,
als er iemand uit de doden opstaat."
Lucas 16,19-31

Het gebed begint ermee te beseffen hoe ik in mijn geest een rijke ben, een verzadigde, een zelfgenoegzame, zelf middelpunt van denken, voelen en doen. Om te kunnen bidden, moet ik overschakelen naar de geestesgesteltenis van een arme: behoeftig, afhankelijk, onverzekerd, alles verwachtend van God alleen. Zo mijn geest laten rusten bij Hem.

Bij de plaats van het gebed maak ik me staande bewust van Gods tegenwoordigheid; met de ogen van het geloof zie ik hoe God mij ziet en hoe Hij mij rijk wil maken en mijn honger naar Hem wil verzadigen, mits ik me opstel als Lazarus. Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem om zo des te meer te kunnen ontvangen.

Ik ga het gebed in door de houding van het gebed aan te nemen, liggend zittend of geknield, meer gericht op bewegingen die van binnenuit komen. Want op grond van die inwendige bewegingen zou ik mijn leven moeten inrichten. Dat vraag ik dan ook als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: een verhaal uit de andere wereld, niet om ons te tonen hoe het er in die andere wereld uit gaat zien, maar om ons ervan te overtuigen, dat wij hier moeten beslissen of wij voor God kiezen of voor onszelf. Het is een beperkte tijd. Daarbinnen moet het allemaal gebeuren. Tussen geboorte en dood - daar speelt het zich af. In het hiernamaals is er geen keuze meer mogelijk: "er gaapt tussen ons (Lazarus in de schoot van Abraham) en u (de rijke man in de vlammen) voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat - zelfs als men het zou willen - van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen." Wij zijn allemaal als die vijf broers. Wij staan op een kruispunt: alles winnen of alles verliezen. Als eenmaal de keuze gevallen is, dan is er in het hiernamaals geen inhaalcursus meer. Als je daar zakt, zak je voorgoed en helemaal: reddeloos verloren.

Ik stel me de plaats voor waar dit geschiedde en steeds weer opnieuw geschiedt: Het huis van de rijke, zijn villa, en buiten op de stoep Lazarus; en wij in het welvarende Westen als een eiland in een zee van armoede, honger.

Ik vraag om de bijzondere genade, Christus de Heer te mogen leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik me rijk ga voelen met Hem.

 
"Er was eens een rijk man... terwijl een arme, die Lazarus heette..."

Waarom wordt van de arme de naam wel en van de rijke de naam niet vermeld? Omdat in het evangelie de werkelijkheid weergegeven wordt zoals God die ziet, dus in haar ware gedaante. En hoe ziet de echte werkelijkheid eruit? Als het omgekeerde van de wereld die wij kennen. Hoe ziet dan de werkelijkheid eruit die wij kennen? Hier zijn de armen naamloos, de rijken hebben er een naam. En hoe is het dus dáár? Daar zijn de rijken zonder naam. Ze kunnen dus ook niet worden gekend: "Nooit heb Ik u gekend: gaat weg van Mij" (Mt 7,23). Zij zijn door God vergeten. Maar de armen herinnert Hij zich. Ze hebben een naam bij Hem.
De vraag is: waar ben ik arm? Dan heb ik daar een naam voor God. Daar ben ik iemand voor God. Daar mag ik op zijn hulp rekenen. Lazarus betekent immers: God helpt. Misschien voel ik me nu eenarme in het gebed, een gebedsarme. Dan die arme ook willen zijn, helemaal willen niet kunnen bidden. Mijn armoede daarin aanvaarden. Wie niet kan bidden, kan nog wel een rijke zijn. Rijk namelijk in pretenties. Dat uit zich in moedeloosheid of opstandigheid en ongeduld.

 
"... een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feestvierde, terwijl een arme die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde ernaar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten."

Dit evangelie nodigt mij uit om de tegenstellingen te meten in mijn eigen wereld: het welvarende Westen waar de meesten zwelgen in de welvaart, waar de katten en honden het beter hebben dan de mensen in de rest van de wereld met haar één milliard mensen die balanceren op het randje van het bestaansminimum. Vijftien millioen Nederlanders consumeren in één jaar méér dan alle bewoners van India samen. En die mensen in die welvarende landen zijn door een kloof gescheiden van de mensen in de arme landen. Zoals vroeger niemand een rijke kon helpen ontsnappen uit de egoïstische kring die hem omsloten hield en bijna hermetisch afgrendelde van de armen (rijke vrek en Lazarus), zo zijn de rijke landen opgesloten in zichzelf, geïsoleerd als eilanden in een oceaan van armoede. Die kloof wordt alleen maar groter.
De uitwendige kloof tussen rijke en arme landen gaat gepaard met een inwendige kloof in de geest van de rijken: doordat de rijke mensen zo in hun rijkdom zijn opgesloten, verdringen zij dat zij zelf uiteindelijk, voor het aangezicht van God, ook maar armen zijn, ja de echte armen zijn. Dat uit zich onder andere daarin dat zij als eisenden in het leven staan. Zij menen recht te hebben op wat zij hebben. Wat zij hebben, moeten zij houden. Ook kunnen zij niet dankbaar zjn. Zij missen het vermogen om te genieten van hun rijkdom. Zij kunnen niet echt genieten. Want het echte genot krijgt een mens, wanneer hij de dingen ontvangt uit de hand van God, als een geschenk uit een liefdevolle hand. Dat is de rijkdom van de arme. Dat niet te kunnen is de armoe van de rijke. Het gaat erom, dat ik mijn eigen armoede niet verdring, maar alle ruimte geef. Want mijn armoede, dat is mijn rijkdom. Mits goed aanvaard, trekt mijn armoede de rijkdom aan van God. God zoekt geestelijk arme mensen om zich in leeg te schenken.

 
"Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd."

Het evangelie en de overweging van het evangelie dienen ervoor om achter de bedriegelijke schijn van deze wereld de échte wereld te zien. Zoals in de droom van de rabbijnenzoon: "Toen de zoon van rabbi Johoshua met koorts te bed lag, had hij een droom. Nadat hij van zijn koortsdromen weer tot zichzelf gekomen was, vroeg zijn vader hem: Wat heb je gezien? Hij antwoordde: Een omgekeerde wereld heb ik gezien, de bovenste onder en de onderste boven. Toen zei zijn vader: Jongen, dan heb je de echte wereld gezien." De ware verhoudingen waarin wij leven, zijn voor een groot deel aan ons oog onttrokken, omdat wij zo vertrouwd zijn met de onware. De heersende orde wekt de indruk de rechtmatige orde te zijn. Wij hebben het evangelie nodig om oog te krijgen voor de ware verhoudingen en die zijn de omgekeerde van de hier op aarde heersende verhoudingen: "De laatste zullen de eerste zijn"... "Wie zich verheft zal vernederd worden"... "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen"... "Wie de kleinste is onder u allen, die is de grootste"... "Zalig gij die arm zijt." De wijsheid van het evangelie is dwaasheid bij de mensen: "niet bang zijn voor hen die het lichaam doden" (12,4), niet bezorgd zijn voor uw leven, kleding, voedsel; vrij zijn van bezit; nodig bij een gastmaal juist niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren; uw vijanden beminnen; als je op reis gaat, neem juist geen koffers mee, reiszak of geld; barmhartig zijn tot in het eindeloze (zeventig maal zeven maal); niet oordelen, niet veroordelen enz. Het gaat erom, dat je zo gaat leven, dat je de krachten van de komende wereld nu al in de hand werkt. God God laten zijn. En wie is God? De almachtige! Dat wil zeggen Die uit elke situatie nog iets maken kan. Zo krijgt zelfs de rijke nog een kans: "Wat niet in de macht der mensen ligt, ligt wel in die van God" (18,27).

 
"De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terechtkomen. Maar Abraham sprak: zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat."

De rijke man schijnt zich te willen verontschuldigen: hij was niet voldoende gewaarschuwd. Laat Lazarus dan tenminste bij zijn vijf broers die lacune aanvullen en als een getuige die uit de doden terugkeert, zijn broers overreden. Maar het antwoord luidt:

  1. ze hebben genoeg aan Mozes en de profeten;
  2. als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overreden door iemand die uit de dood naar hen terugkeert.
Dit laatste is bewezen door de opwekking van Lazarus, de broer van Marta en Maria. In plaats van een ommekeer teweeg te brengen bij de leiders van de Joden, werd zijn opwekking de druppel die de emmer deed overlopen. Maar als Mozes en profeten al voldoende zijn om de ijdelheid van het aardse bezit in te zien, hoeveel te meer moeten wij ons dan laten overtuigen, die beschikken over de getuigenis van Jezus Christus die uit de doden is opgestaan?

Het gebed niet abrupt afbreken, maar vertragend, om diepte te winnen. We nemen nog een keer een verfrissend bad door gesprekjes te voeren, met Jezus die om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was; met zijn Vader bij Wie zelfs de verhardste rijke nog een kans heeft.

Na afloop, in een wat andere houding zodat ik kan schrijven, de vragen van de reflexie beantwoorden.

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen heb ik het zelfgevoel van de rijke.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik in mijn armoede door God geholpen?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?