Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 19 | die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, |
| 20 | met zweren overdekt voor de poort lag. |
| 21 | met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten. |
| 22 | en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. |
| 23 | ten prooi aan vele pijnen sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. |
| 24 | Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. |
| 25 | Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. |
| 26 | voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, - zelfs als men zou willen - van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. |
| 27 | Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, |
| 28 | laat hij hen waarschuwen opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. |
| 29 | Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. |
| 30 | Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. |
| 31 | Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat." |
| Lucas 16,19-31 |
Het gebed begint ermee te beseffen hoe ik in mijn geest een rijke ben, een verzadigde, een zelfgenoegzame, zelf middelpunt van denken, voelen en doen. Om te kunnen bidden, moet ik overschakelen naar de geestesgesteltenis van een arme: behoeftig, afhankelijk, onverzekerd, alles verwachtend van God alleen. Zo mijn geest laten rusten bij Hem.
Bij de plaats van het gebed maak ik me staande bewust van Gods tegenwoordigheid; met de ogen van het geloof zie ik hoe God mij ziet en hoe Hij mij rijk wil maken en mijn honger naar Hem wil verzadigen, mits ik me opstel als Lazarus. Ik maak een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem om zo des te meer te kunnen ontvangen.
Ik ga het gebed in door de houding van het gebed aan te nemen, liggend zittend of geknield, meer gericht op bewegingen die van binnenuit komen. Want op grond van die inwendige bewegingen zou ik mijn leven moeten inrichten. Dat vraag ik dan ook als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik overzie in het kort de geschiedenis: een verhaal uit de andere wereld, niet om ons te tonen hoe het er in die andere wereld uit gaat zien, maar om ons ervan te overtuigen, dat wij hier moeten beslissen of wij voor God kiezen of voor onszelf. Het is een beperkte tijd. Daarbinnen moet het allemaal gebeuren. Tussen geboorte en dood - daar speelt het zich af. In het hiernamaals is er geen keuze meer mogelijk: "er gaapt tussen ons (Lazarus in de schoot van Abraham) en u (de rijke man in de vlammen) voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat - zelfs als men het zou willen - van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen." Wij zijn allemaal als die vijf broers. Wij staan op een kruispunt: alles winnen of alles verliezen. Als eenmaal de keuze gevallen is, dan is er in het hiernamaals geen inhaalcursus meer. Als je daar zakt, zak je voorgoed en helemaal: reddeloos verloren.
Ik stel me de plaats voor waar dit geschiedde en steeds weer opnieuw geschiedt: Het huis van de rijke, zijn villa, en buiten op de stoep Lazarus; en wij in het welvarende Westen als een eiland in een zee van armoede, honger.
Ik vraag om de bijzondere genade, Christus de Heer te mogen leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik me rijk ga voelen met Hem.
"Er was eens een rijk man...
terwijl een arme, die Lazarus heette..."
Waarom wordt van de arme de naam wel en van de rijke de
naam niet vermeld? Omdat in het evangelie de werkelijkheid
weergegeven wordt zoals God die ziet, dus in haar ware gedaante.
En hoe ziet de echte werkelijkheid eruit? Als het omgekeerde van
de wereld die wij kennen. Hoe ziet dan de werkelijkheid eruit die
wij kennen? Hier zijn de armen naamloos, de rijken hebben er een
naam. En hoe is het dus dáár? Daar zijn de rijken zonder naam. Ze
kunnen dus ook niet worden gekend: "Nooit heb Ik u gekend: gaat
weg van Mij" (Mt 7,23). Zij zijn door God vergeten. Maar de armen
herinnert Hij zich. Ze hebben een naam bij Hem.
De vraag is: waar ben ik arm? Dan heb ik daar een naam voor God.
Daar ben ik iemand voor God. Daar mag ik op zijn hulp rekenen.
Lazarus betekent immers: God helpt. Misschien voel ik me nu eenarme in het gebed, een gebedsarme. Dan die arme ook willen zijn,
helemaal willen niet kunnen bidden. Mijn armoede daarin
aanvaarden. Wie niet kan bidden, kan nog wel een rijke zijn. Rijk
namelijk in pretenties. Dat uit zich in moedeloosheid of
opstandigheid en ongeduld.
"... een rijk man die in purper
en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feestvierde,
terwijl een arme die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de
poort lag. Hij verlangde ernaar zijn honger te stillen met wat
bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden
die zijn zweren likten."
Dit evangelie nodigt mij uit om de tegenstellingen te meten
in mijn eigen wereld: het welvarende Westen waar de meesten
zwelgen in de welvaart, waar de katten en honden het beter hebben
dan de mensen in de rest van de wereld met haar één milliard
mensen die balanceren op het randje van het bestaansminimum.
Vijftien millioen Nederlanders consumeren in één jaar méér dan
alle bewoners van India samen. En die mensen in die welvarende
landen zijn door een kloof gescheiden van de mensen in de arme
landen. Zoals vroeger niemand een rijke kon helpen ontsnappen uit
de egoïstische kring die hem omsloten hield en bijna hermetisch
afgrendelde van de armen (rijke vrek en Lazarus), zo zijn de
rijke landen opgesloten in zichzelf, geïsoleerd als eilanden in
een oceaan van armoede. Die kloof wordt alleen maar groter.
De uitwendige kloof tussen rijke en arme landen gaat gepaard met
een inwendige kloof in de geest van de rijken: doordat de rijke
mensen zo in hun rijkdom zijn opgesloten, verdringen zij dat zij
zelf uiteindelijk, voor het aangezicht van God, ook maar armen
zijn, ja de echte armen zijn. Dat uit zich onder andere daarin
dat zij als eisenden in het leven staan. Zij menen recht te
hebben op wat zij hebben. Wat zij hebben, moeten zij houden. Ook
kunnen zij niet dankbaar zjn. Zij missen het vermogen om te
genieten van hun rijkdom. Zij kunnen niet echt genieten. Want
het echte genot krijgt een mens, wanneer hij de dingen ontvangt
uit de hand van God, als een geschenk uit een liefdevolle hand.
Dat is de rijkdom van de arme. Dat niet te kunnen is de armoe van
de rijke. Het gaat erom, dat ik mijn eigen armoede niet verdring,
maar alle ruimte geef. Want mijn armoede, dat is mijn rijkdom.
Mits goed aanvaard, trekt mijn armoede de rijkdom aan van God.
God zoekt geestelijk arme mensen om zich in leeg te schenken.
"Nu gebeurde het dat de arme
stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.
De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de
onderwereld, ten prooi aan vele pijnen sloeg hij zijn ogen op en
zag van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij
uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht
de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te
komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd.
Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw
leven uw deel van het goede hebt gekregen en hoe op gelijke
manier aan Lazarus het kwade ten deel viel; daarom ondervindt hij
nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd."
Het evangelie en de overweging van het evangelie dienen ervoor om achter de bedriegelijke schijn van deze wereld de échte wereld te zien. Zoals in de droom van de rabbijnenzoon: "Toen de zoon van rabbi Johoshua met koorts te bed lag, had hij een droom. Nadat hij van zijn koortsdromen weer tot zichzelf gekomen was, vroeg zijn vader hem: Wat heb je gezien? Hij antwoordde: Een omgekeerde wereld heb ik gezien, de bovenste onder en de onderste boven. Toen zei zijn vader: Jongen, dan heb je de echte wereld gezien." De ware verhoudingen waarin wij leven, zijn voor een groot deel aan ons oog onttrokken, omdat wij zo vertrouwd zijn met de onware. De heersende orde wekt de indruk de rechtmatige orde te zijn. Wij hebben het evangelie nodig om oog te krijgen voor de ware verhoudingen en die zijn de omgekeerde van de hier op aarde heersende verhoudingen: "De laatste zullen de eerste zijn"... "Wie zich verheft zal vernederd worden"... "Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen"... "Wie de kleinste is onder u allen, die is de grootste"... "Zalig gij die arm zijt." De wijsheid van het evangelie is dwaasheid bij de mensen: "niet bang zijn voor hen die het lichaam doden" (12,4), niet bezorgd zijn voor uw leven, kleding, voedsel; vrij zijn van bezit; nodig bij een gastmaal juist niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren; uw vijanden beminnen; als je op reis gaat, neem juist geen koffers mee, reiszak of geld; barmhartig zijn tot in het eindeloze (zeventig maal zeven maal); niet oordelen, niet veroordelen enz. Het gaat erom, dat je zo gaat leven, dat je de krachten van de komende wereld nu al in de hand werkt. God God laten zijn. En wie is God? De almachtige! Dat wil zeggen Die uit elke situatie nog iets maken kan. Zo krijgt zelfs de rijke nog een kans: "Wat niet in de macht der mensen ligt, ligt wel in die van God" (18,27).
"De rijke zei: Dan vraag ik u,
vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want
ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet
eveneens in deze plaats van pijniging terechtkomen. Maar Abraham
sprak: zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen
luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een
uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter
sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren,
zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de
doden opstaat."
De rijke man schijnt zich te willen verontschuldigen: hij was niet voldoende gewaarschuwd. Laat Lazarus dan tenminste bij zijn vijf broers die lacune aanvullen en als een getuige die uit de doden terugkeert, zijn broers overreden. Maar het antwoord luidt:
Het gebed niet abrupt afbreken, maar vertragend, om diepte te winnen. We nemen nog een keer een verfrissend bad door gesprekjes te voeren, met Jezus die om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was; met zijn Vader bij Wie zelfs de verhardste rijke nog een kans heeft.
Na afloop, in een wat andere houding zodat ik kan schrijven, de
vragen van de reflexie beantwoorden.
