Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zevenentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd sprak Jezus
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
33 "Luistert naar deze gelijkenis:
Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde;
hij zette er een heining omheen,
hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren.
Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers
en vertrok naar den vreemde.
34 Toen de tijd van de oogst gekomen was,
zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers
om de opbrengst in ontvangst te nemen.
35 Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast.
Zij mishandelden de een, doodden de ander
en stenigden een derde.
36 Daarop zond hij andere dienaren,
talrijker dan de eersten;
maar zij behandelden hen op dezelfde manier.
37 Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe,
in de veronderstelling
dat zij zijn zoon wel zouden ontzien.
38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
Dat is de erfgenaam;
vooruit, laten we hem vermoorden
en ons zijn erfenis toeëigenen.
39 Ze grepen hem vast,
wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem.
40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt,
wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?"
41 Ze antwoordden Hem:
"Hij zal die misdadigers
een ellendige dood doen sterven
en zijn wijngaard
zal hij aan andere wijnbouwers verpachten,
die hem de opbrengst
op de vastgestelde tijd zullen afdragen."
42 Toen sprak Jezus tot hen:
"Hebt gij nooit in de Schrift gelezen:
De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd,
is juist de hoeksteen geworden.
Op last van de Heer is dat gebeurd
en het is wonderbaar in onze ogen.
43 Daarom zeg Ik u:
Het Rijk Gods zal u ontnomen worden
en gegeven aan een volk
dat wel de vruchten daarvan opbrengt."
Matteüs 21, 33-43

Eerst de geest wat laten rusten bij Hem die mij onvoorwaardelijk liefheeft, op het uitzinnige af.

Aangekomen bij de plaats van het gebed, staande me zijn tegenwoordigheid bewust maken, dat Hij me ziet en niet verwerpt, zelfs niet als ik Hem wél zou verwerpen. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken ten opzichte van Hem, want "wonderbaar" is zijn liefde voor mij.

Ik neem de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, die houding die mij helpt open te komen voor zijn goedheid en voor mijn slechtheid. Ik vraag het als een genade, dat mijn hele leven gedragen mag worden door deze gesteltenis, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu naderen we behoedzaam het grootste geheim van Gods zelfmededeling aan ons, Jezus in wie de Vader zich geheel en al uitgesproken heeft. We ontmoeten Jezus op dat moment van zijn geschiedenis waarop Hij in onmiddellijke confrontatie treedt met de leiders van het volk die Hem zullen gaan verwerpen. Die verwerping is in deze parabel onmiddellijk aan de orde. Die geschiedenis van de verwerping is een constante in het Oude Verbond, in Jezus' leven, in het leven van de kerk, in mijn eigen leven: ik lever Hem over en zelf word ik ook overgeleverd. Op talloze manieren. In het mens-zijn: cultuur, lotgevallen, in mijn zelfgave aan anderen.

Om afdwalen te voorkomen is het goed, dat ik met mijn ogen op een plaats blijf rusten: bijvoorbeeld op Jezus aan het kruis, op een situatie van verwerping van een heilige, of van een heel volk dat momenteel gekruisigd wordt.

Het geheim is zo boven mijn natuur verheven, dat ik niet kan beginnen alvorens de bijzondere genade gevraagd te hebben van een innerlijke kennis van Christus onze Heer: als de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd en die juist de hoeksteen is geworden. "Wonderbaar is dat in onze ogen": dit onttrekt zich ten enen male aan ons begrip. Tenzij we door God verlicht worden.

 
In die tijd sprak Jezus tot de hogepriesters en de oudsten van het volk: "Luistert naar deze gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren."

Het is een citaat uit de profeet Jesaja (5,1-7), die het volk wil zeggen: aan God heeft het niet gelegen dat er geen goede vruchten komen, maar enkel bocht. God heeft alle zorg aan ons besteed. Israël, de kerk, is in de wijngaard van de Heer, uitgeleverd aan weer en wind en aan alles wat er binnen en buiten gebeurt. Maar in alles waaraan wij zijn uitgeleverd, zijn wij ten diepste uitgeleverd aan zijn genade. Want onze lange wijnstokwortel reikt tot diep in de Grond van het bestaan, in Hem, de bron van levend water. Onszelf zien als wijnstok in de wijngaard van de Heer, en ook mijn medemensen, aan wie eveneens door Hem alle zorg wordt besteed.

 
"Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde."

Dat is de situatie zoals de gelovige haar kan zien: God ver weg voor het gevoel, alleen in het geloof te bereiken en te "zien". Wij leven met de opdracht het ons toevertrouwde bezit (ons geloof, maar ook de aarde, de cultuur, onze medemensen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd) te bewaren als een pand en niet als een eigen bezit. Hoe zie ik mijzelf, mijn leven? En de wereld om mij heen? En mijn medemensen? Hoe zie ik het leven? Als van mijzelf, waaruit ik koste wat kost moet halen wat erin zit aan kansen, zelfontplooiing, genot, enz.? Of beleef ik in alles ook iets van Hem wiens eigendom ik eigenlijk ben?

 
"Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen."

Eenmaal komt de oogst, dat is het oordeel. Daaraan worden wij door het evangelie van Matteüs steeds weer opnieuw herinnerd. Dan zullen wij "geoordeeld worden" naar de maat die wij hebben gebruikt voor anderen (7,2), dan zal aan het licht komen of wij goede vruchten droegen (7,17), of het huis van ons leven op de rotsgrond van Jezus' woorden dan wel op de zandgrond van onze eigen wil was gebouwd (7,24-27). Dan zullen de mensen "rekenschap moeten afleggen van ieder onnut woord dat de mensen spreken" (12,36). Dan zullen "allen bijeengebracht worden die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven", maar "de rechtvaardigen zullen in het koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon" (13,41-43). Dan zullen "de engelen uittrekken en de slechten tussen de rechtvaardigen uitzoeken en in de vuuroven werpen" (13,49-50). Dan zal "de Mensenzoon komen in de heerlijkheid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden" (16,27) enz. enz. We worden serieus genomen. Hij verwacht vrucht van ons zoals van de vijgeboom (21,18-22). Denken aan dood en oordeel hoort bij een leven in afhankelijkheid.

 
"Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier. Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toeëigenen. Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem."

Dat is geschiedenis, heils-geschiedenis. In de zin van: zo ís het heils-geschiedenis. Dat betekent: zo geschiedt het heil steeds weer opnieuw. Het is een uitleg van ons eigen bestaan. Zo gaat het met ons. En wordt in het evangelie verkondigd, opdat wij er niet meer zo van zouden schrikken, wanneer ons zoiets overkomt: bijvoorbeeld dat wij worden uitgestoten, monddood gemaakt. Opdat wanneer wij de grond onder ons voelen wegzinken, wij dan niet de moed laten zakken of een eigen oplossing forceren, maar onze ogen, de ogen van ons geloof, openen voor de wonderbaarlijke uitweg die de Heer ons uitwijst: de weg van het slachtoffer. Een dwaze weg, maar de wijsheid van God is dwaasheid in de ogen van de mensen. Dwaas is het wat die heer van de wijngaard doet. Geen heer zou zo handelen zoals hij: na zoveel bewijzen van gewetenloze onbetrouwbaarheid in het verleden niet alleen doorgaan met vertrouwen geven, maar zelfs het allerhoogste blijk van zijn vertrouwen uit handen geven: "zijn zoon": "zijn zoon zouden ze wel ontzien." Het is de dwaasheid van God die "zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd" (Rom 8,32). Het is de dwaasheid van de liefde. In het heilig Sacrament gaat God door op die lijn: zijn liefde aan mensenhanden overleveren.
Hoe ga ik daarmee om?

 
"Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen? Ze antwoordden Hem: Hij zal die misdadigers een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen. Toen sprak Jezus tot hen: Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. Daarom zeg Ik u: Het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt."

Dat betekent: wie zich datgene wat hem door God werd toevertrouwd, toeëigent, wordt het afgenomen. De geschiedenis blijft zich herhalen: van hen die zich rechtvaardig achten, werd het overgedragen aan de zondaars; van de Joden werd het afgenomen en gegeven aan de heidenen. "Wij dragen deze schat in aarden vaten" (2 Kor 4,7). Dat roept ons op tot waakzaamheid en tot dankbaarheid.

 
Toen sprak Jezus tot hen: "Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen."

Een citaat uit een graag geciteerde psalm, psalm 118 (Mt 21,9; 23,39; Hand 4,11; 1 Petrus 2,7). Verworpen worden door de mensen, door God aangenomen en in kracht hersteld tot heil voor anderen, dat hoort tot de christelijke existentie. De kerk wordt eerst verworpen door hen naar wie ze gezonden wordt. Maar nog zekerder dan ons overgeleverd worden is dat God zich blijft overleveren in zijn Zoon, uit liefde. Hij blijft bereid steeds opnieuw zijn Zoon voor mij uit te leveren.
Inderdaad: "wonderbaar in onze ogen."

Het ritme vertragen om op de diepte van het gebed, van de hartelijke omgang met God, maar meer nog van God met mij, te eindigen. Een goed middel is: gesprekken voeren met Jezus, hartelijk als vrienden onder elkaar, vertrouwvol. Dan mij door Jezus naar zijn Vader laten leiden zoals de Vader zijn Zoon naar ons toeleidde. Bij de Vader mijn hart uitstorten: dank u wel zeggen voor zijn liefde en het onderpand van zijn liefde. Een Onze Vader.

Een beetje tijd uittrekken om te onderscheiden welke geesten mij geleid hebben. Dit moet altijd geschieden. Een bevoorrecht ogenblik is de tijd na het gebed. Want dan zijn de beide geesten aan het werk geweest. En dan kunnen wij ze ook met elkaar vergelijken en hun werking van elkaar onderscheiden

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen is de verkeerde geest wel niet de enige die actief is. Zelf ben ik ook in het spel. Maar hij heeft er toch meer de hand in. Hoe dan? Onder andere door een wat bezitterige manier van doen en denken.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Bijvoorbeeld bij opwellingen van bewonderende dankbaarheid voor Gods onzegbare liefde.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals dit evangelie eindigde: "Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen?