Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zeven en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
5 De apostelen zeiden tot de Heer:
"Geef ons meer geloof."
6 De Heer antwoordde:
"Als ge een geloof had als een mosterdzaadje,
zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen:
Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee,
en hij zou u gehoorzamen.
7 Wie van u zal tot de knecht
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
8 Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar,
omgord je en bedien mij terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
9 Moet hij die knecht soms dankbaar zijn,
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
10 Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zeg dan: Wij zijn onnutte knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan."
Lucas 17,5-10

Voor een langere tijd van inwendig gebed is het nodig eerst mijn instelling te controleren en te corrigeren. Om echt te bidden moet mijn geest overschakelen van een gesteltenis van eigenmachtigheid en zelf doen naar een houding van geloof, dat is van vertrouwen op wat God doet. Omdat het in het gebed God is die het gaat doen, daarom kan ik mijn geest laten rusten bij Hem.

Dan pas naar de plaats van het gebed gaan en bij die plaats weer afremmen om tot een grotere diepte te komen: staande een paar passen van de gebedsplaats me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij in het middelpunt heeft van zijn aandacht en liefdevolle zorg.

Dan de houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik erop kan letten hoe ik zelf voorwerp ben van een liefdesbeweging van Hem uit. In die houding van openheid en ontvankelijkheid voor Hem vraag ik om de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Ik mag God dienen niet alleen met losse daden, maar zelfs met heel mijn leven zoals die knecht.

De geschiedenis:

  1. de vraag naar meer geloof en Jezus' antwoord over de kracht van het geloof
  2. nederigheid in dienst van God.
Beide uitspraken worden met elkaar verbonden doordat de ware gelovige alles van God alleen verwacht en niets van zijn eigen prestatie. Je zou het steunen op eigen verdiensten een vorm van ongeloof kunnen noemen. Wij worden gerechtvaardigd door het geloof, zegt sint Paulus: "Abraham heeft God gelóófd en dat geloof is hem aangerekend als gerechtigheid. Welnu, hij die werkt (in loondienst), krijgt zijn loon niet toegekend bij wijze van gunst, maar als zijn verschuldigd recht. Aan degene die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof als gerechtigheid aangerekend" (Rom 4,3-5). Er is dus geen reden om hoog op te geven over dienstjaren en hard werk, zoals de broer van de verloren zoon. God staat met alles ons ter beschikking. Dan moeten wij ook met alles van ons Hem ter beschikking staan.

Ik stel me ook de plaats of de situatie voor waar dit geschiedde. In een privé-onderricht aan zijn leerlingen.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Hem beter mag leren kennen, met een innerlijke kennis. Door Hem beter te leren kennen, word ik vanzelf anders. Het is immers een invoelend kennen, waarbij ik probeer zelf te ervaren wat ik ken.

 
"De apostelen zeiden nu tot de Heer: Geef ons meer geloof."

Zoals er een vraag is om van Jezus het bidden te mogen leren, zo is er hier een vraag om te mogen leren geloven. Aan de vraag naar het leren bidden, ging het bidden van Jezus zelf vooraf. Zij zagen Jezus bidden. En toen kwam in hen de vraag op zelf ook het bidden van Jezus te mogen leren: "Heer, leer ons bidden" (11,1). Waar anders zou deze vraag naar meer geloof vandaan kunnen komen tenzij dan van hun dagelijkse observatie van het geloof van Jezus in zijn hemelse Vader? Jezus straalde dat geloof uit. Hij leefde ervan. Hij leefde eruit. Voortdurend leefde Jezus uit een kracht buiten Hemzelf. Als mens stuitte Jezus aan alle kanten op grenzen. Resoluut wees Hij elke bekoring van de hand om niet trouw te zijn aan de menselijke bestaansvoorwaarden: tegenover satan in de woestijn (4,1-13), tegenover Petrus na de voorzegging van zijn lijden (Mt 16,23). Maar ze zagen ook, dat wat Jezus niet uit eigen kracht kon, Hij wel kon door de kracht van zijn geloof. Is de kern van Jezus' leven niet: de openbaring van het failliet van de menselijke kracht en van de overwinning van Gods kracht? "Dit is de overwinning die de wereld overwint: ons geloof" (1 Joh 5,4).

 
"De Heer antwoordde: Als ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: Maak uw wortels los uit de grond en plant u in zee, en hij zou u gehoorzamen."

De apostelen vragen naar méér geloof. Maar Jezus antwoordt: Jullie hebben geloof genoeg. Want als je van het geloof ook maar de kleinst denkbare hoeveelheid had, dan kun je er al wonderen mee verrichten. De Griekse natuurkundige Archimedes heeft eens gezegd: "Geef mij een punt buiten deze aarde, en ik zal de wereld uit haar hengsels lichten." Dat is het princiep van de domme kracht. Maar een gelovige hééft zo'n punt: het geloof. Het geloof is een middelpunt buiten deze aarde. Een vast punt. Vast als een rots. God is onze rots. Hij stelt zich met heel zijn kracht achter de mens. Op één voorwaarde: als hij maar gelooft, als hij zich maar achter God stelt.
De spreuk wil de onwaarschijnlijke macht van het geloven uitdrukken, plastisch uitgebeeld in het contrast tussen het speldenknopachtige mosterdzaadje en de spreekwoordelijk vastgewortelde moerbeiboom (of het geweldige bergmassief Mt 17,20 en 21,21).
De uitspraak over de kracht van het mosterdzaadgeloof is geen uitnodiging om maar een klein beetje te geloven, maar om echt te geloven. Geloven kun je alleen maar helemaal. Ofwel je vertrouwt God helemaal ofwel je vertrouwt Hem helemaal niet. En "kleingelovigheid" dan? Dat is meer een "understatement" voor een kwalijke vorm van ongeloof. De vader van de bezeten jongen zei het goed: "Ik geloof, kom mijn óngeloof te hulp" (Mc 9,24).

 
"Wie van u zal tot de knecht die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder, bij diens thuiskomst van het land zeggen: Kom meteen aan tafel en tast toe? Zal hij niet eerder zeggen: Maak mijn maaltijd klaar; omgord je en bedien mij, terwijl ik eet en drink; daarna kun je zelf eten en drinken? Moet hij die knecht soms dankbaar zijn, omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?"

Wie gelooft, wie veel verwacht van de macht van God, zal vanzelf minder hoog opgeven van de eigen macht, van de eigen prestatie. Deze vergelijking dient om ons zicht te geven op onze houding bij het dienen van God. Het dienen van God wordt hier vergeleken met het soort dienst dat wij in onze maatschappij niet meer kennen en dat wij verafschuwen, omdat het beneden de menselijke waardigheid ligt, de dienst van de slaaf. Als iemand niet in loondienst is, maar als slaaf, hoeft hij er niet aan te denken, dat hij, moe thuis gekomen van het werk, meteen kan gaan eten. Dat zou de indruk kunnen wekken, dat hij met zijn dienst zijn eten heeft verdiend. Maar hij is een slaaf en kan dus meteen weer worden opgeroepen tot nieuw dienstbetoon: zijn meester laten eten en drinken. Dan mag hij zelf eten. Maar ook nu niet als loon, maar omdat hij anders zijn meester niet meer van nut kan zijn. In de verhouding met God is het niet zo, dat wij Hem diensten bewijzen en dan verder ons leven voor onszelf houden. Nee, met heel ons hebben en houden staan wij in dienst van God. Maria is ons voorbeeld: "Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord" (1,37). Het is ons wezen om God te dienen. Het dienen is geen prestatie waarvoor God ons dankbaar zou moeten zijn. Wij mogen God dankbaar zijn, dat wij Hem mogen dienen. Wij weten dat Hij er nooit misbruik van zal maken. Hij is geen slavendrijver. Hij is een Heer die op zijn beurt ons dient: "Hij zal zich omgorden, hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen" (12,37). Want "de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mc 10,45). Het evangelische dienen begint dus daar waar mensen geneigd zijn te zeggen: "Ik ben je dienstmeisje, je dienstknecht niet."

 
"Zo is het ook met u: wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd, zegt dan: Wij zijn maar gewone knechten; wij hebben alleen maar onze plichten gedaan."

Dat wij maar gewone knechten zijn, betekent niet, dat ons dienstbetoon ook maar magertjes is. Dan concentreren wij ons weer op het werk. Bij het dienen van God ligt de volle nadruk op de Persoon Die wij mogen dienen. Het dienen van God in het doen van goede werken is een afgeleide vorm van Gods-dienst. In de joods-christelijke traditie wordt God op de eerste plaats gediend in de liturgische dienst. Van Samuel staat er, dat hij dienst deed in het heiligdom van de Heer (1 Sam 2,18; 3,1). Op grond van deze dienst kon Samuel zonder overdrijving zeggen: "Spreek, Heer, uw dienaar luistert." Wat gebeurt er eigenlijk in het liturgische dienen van God? Daarin wordt de liefde van God gevierd en ontvangen. Het dienen van God bestaat dus allereerst in het zich laten bedienen door God in ontvankelijkheid voor zijn liefde. Dat kan ik ook nu in het gebed doen.

Het gebed langzaam besluiten door gesprekjes te voeren met Jezus zoals een knecht met zijn heer en als een vriend met zijn vriend. Me dan laten opnemen in Jezus' verhouding tot zijn Vader en nog eens de liefde van de Vader over me laten komen. Een Onze Vader.

Wat afstand nemen door de vragen van de reflexie te beantwoorden. Daarmee houd ik als het ware de vinger aan de pols in hoeverre het evangelie al vlees en bloed begint te worden en in hoeverre niet.

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen liggen op de terreinen waar ik nog leef uit eigen kracht en waar eigen prestaties belangrijker zijn dan de Persoon in Wiens dienst ik die prestaties verricht.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar kwam er iets van die persoonlijke betrokkenheid in geloof aan de Vader die Jezus in mij wil zien?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals het dienen van God nooit ophoudt, zo zal ook het werk van God aan ons nooit ophouden. Het gaat door buiten het gebed.