Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Achtentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 In die tijd nam Jezus het woord
en sprak opnieuw in gelijkenissen
tot de hogepriesters en de oudsten van het volk.
Hij zei:
2 "Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning
die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon.
3 Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen
die hij tot de bruiloft had uitgenodigd,
maar zij wilden niet komen.
4 Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht:
Zegt aan de genodigden:
Zie ik heb mijn maaltijd klaar,
mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht;
alles staat gereed.
Komt dus naar de bruiloft.
5 Maar zonder er zich om te bekommeren gingen zij weg,
de een naar zijn akker de ander naar zijn zaken.
6 De overigen grepen zijn dienaars vast,
mishandelden en doodden hen.
7 Nu ontstak de koning in toorn,
stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen
en hun stad in brand steken.
8 Toen sprak hij tot zijn dienaars:
Het bruiloftsmaal staat klaar,
maar de genodigden waren het niet waard.
9 Gaat dus naar de kruispunten der wegen
en nodigt wie ge er maar vindt, tot de bruiloft.
10 Zijn dienaars gingen naar de wegen
en brachten allen mee die zij er aantroffen,
slechten zowel als goeden,
en de bruiloftszaal liep vol met gasten.
11 Toen nu de koning binnenkwam
om de aanliggenden te bezoeken,
merkte hij daar iemand op
die niet voor de bruiloft gekleed was.
12 En hij sprak tot hem:
Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen
zonder bruiloftskleed?
Maar de man bleef het antwoord schuldig.
13 Toen sprak de koning tot de bedienden:
Bindt hem aan handen en voeten
en werpt hem buiten in de duisternis.
Daar zal geween zijn en tandengeknars.
14 Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren."
Matteüs 22, 1-14

Vóórdat ik begin te bidden, laat ik eerst de geest wat rusten bij Hem. De eerstgenodigden bleven rond zichzelf heendraaien: de een ging naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. Om te kunnen bidden moet ik mijn zaken loslaten en me begeven naar het bruiloftsfeest voor de Zoon van God. Mijn eigen rijkje waarmee ik het zo druk heb om het in stand te houden, te verdedigen, uit te breiden, loslaten voor het Rijk van God.

Bij de plaats van het gebed, een paar passen ervóór, staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet als een genodigde voor het bruiloftsmaal met zijn Zoon. Hij heeft mij in zekere zin nodig om zijn feest luister bij te zetten. Ik maak een gebaar van eerbied, zodat het besef van zijn tegenwoordigheid nog dieper in mij kan doordringen.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik me kan richten op wat Hij aan mij doet. In die houding vraag ik dat dan ook als een genade, dat alles in mijn leven afgestemd mag zijn op waartoe God me roept, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik vat de geschiedenis kort samen: in deze parabel wordt de geschiedenis verhaald van de roeping van de mensheid tot het bruiloftsmaal van God met de mensen. Die roeping verloopt volgens deze parabel in drie tijdperken. Ten eerste de tijd van de profeten: dat zijn de eerste dienaren van vers 3. De tweede periode is die van de eerste christelijke missionarissen: dat zijn de tweede dienaren van vers 4. De "stad" die door de troepen van de koning met de grond gelijk wordt gemaakt, is Jeruzalem, door de Romeinen verwoest. Ten derde de periode van de gevestigde kerk. De dienaren zijn "diakens" geworden (vertaald met "bedienden"). Het bruiloftskleed is het witte kleed van het christelijke doopsel.
In dit evangelie zien we zijn initiatief tot tweemaal toe.

Als bij ons mensen iets gebeurt, dan gebeurt het ook altijd op een bepaalde plaats. Daarom stel ik me de plaats voor: de zaal voor het bruiloftsfeest van de koning en de stad van de eerst genodigden en aan de andere kant de kruispunten der wegen waar zich degenen bevinden die naderhand werden uitgenodigd. Het verschil zien tussen de prachtige stad en de stoffige kruispunten der wegen.

Dan aan God vragen wat ik zoek en verlang, de bijzondere genade. Dat kan hier zijn, dat ik mij zó mag gaan hechten aan God en zijn roeping, dat ik in staat zal zijn om op zijn roeping in te gaan met loslating van alles wat mij bindt.

 
Jezus nam het woord en sprak opnieuw tot hen in gelijkenissen.

"Jezus nam het woord". Hij heeft het initiatief. Ik hoef niet zelf te beginnen, maar alleen te luisteren hoe Hij begint. En als ik me erop instel om naar Hem te luisteren, is het goed om me eerst Hem voor ogen te stellen. Vóórdat ik ga luisteren naar het woord dat Hij spreekt, stel ik me eerst in op Hem die het Woord ís. En terwijl ik zijn woorden op me laat inwerken, houd ik voeling met zijn Persoon die zich met zijn uitnodiging kwetsbaar opstelt. Want Hij riskeert daarmee, dat "zij niet wilden komen".

 
Hij zei: "Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd ..."

Wij zijn allemaal geroepenen. Of we nu een zogenaamde "roeping" hebben of niet. Want het latijnse woord voor kerk "ecclesia" is samengesteld uit een Grieks woord, dat "roepen" betekent. Dat woord roepen komt in dit evangelie van 14 verzen zesmaal voor, soms vertaald met het woord "(uit)nodigen" en "genodigden". Mijzelf nu zien als een geroepene, als iemand die is uitgenodigd, een genodigde. Stel, ik heb een persoonlijke uitnodiging voor een audiëntie bij... Mijn dag kan dan niet meer stuk. Realiseer ik me dat ik een persoonlijke uitnodiging op zak heb voor het "bruiloftsmaal van het Lam?" (Apoc 19,9) In de eucharistie word ik er iedere keer aan herinnerd, als de priester vóór de communie zegt: "Zalig zij die genodigd zijn tot de maaltijd des Heren."
Ik word geroepen tot een bruiloftsmaaltijd niet van een buur of goede vriend, maar van God die koning is over het Rijk der hemelen. Er is geen plaats voor een eigen rijk met een eigen wil. Buiten God om kan iemand niet gelukkig worden.

 
"... maar zij wilden niet komen ... maar zonder er zich om te bekommeren gingen zij weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken."

Geroepen worden betekent ook altijd: weggeroepen worden. Dat kunnen mensen in de omgang met God heel goed merken. Als God roept tot gebed, tot navolging van Jezus, dan ervaar ik dat dikwijls als een aanslag op mijn vrijheid, mijn plannen.
Op zo'n moment dat God me roept, kan alles me belangrijker en aantrekkelijker lijken dan God, het gebed, de roeping: het werk (de akker, de zaken), de zorgen, de studie, de traditie, de kreten van de dag. Het hoeven nog helemaal geen slechte dingen te zijn die ons van God aftrekken: de akker, de zaken, het huwelijk, geld, eten en drinken zijn geen verwerpelijke dingen. Waarom kunnen ze ons van God afhouden? God kan toch nooit de concurrent zijn van de mens. Niet de dingen zijn slecht, maar onze eigen verhouding tot de dingen is verkeerd, op onszelf gericht. De schepping wordt een afgod, dat wil zeggen losgemaakt van de diepere oriëntatie op God. Niet God is concurrent met zijn schepping, maar wel zijn wij maar al te dikwijls concurrenten van God: weggegaan naar de eigen akker in plaats van naar Gods akker.
Om eucharistie te kunnen vieren moeten we bijna altijd van huis. Soms moeten we er een breuk voor forceren met het eigen milieu, met huisgenoten, vrienden, kennissen. Het dagelijkse milieu is blijkbaar niet zo'n geschikte entourage voor dit feest. Dat is het nu juist wat de wrevel opwekt bij de genodigden.

 
"De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen."

Dat zit er in ieder van ons, niet alleen in de joden van toen. Het evangelie wordt ons voorgehouden als een spiegel. Er komt echt woede in ons op en dodelijke haat, wanneer God ons aantast in onze vermeende rechten op gezondheid, bezit, succes, eer, gezelschap enz. Dan blijkt hoezeer wij een eigen rijk hebben opgebouwd tegenover het Rijk van God. Dit nu niet verdringen, maar het er voor God laten zijn, in de geest van een arme die Gods barmhartigheid nodig heeft vooral in mijn neiging om Hem af te wijzen.

 
"Nu ontstak de koning in toorn, stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken."

Houdt die barmhartige koning van ons een niets ontziend strafgericht? Ja, want wie het aanbod van Gods barmhartigheid afwijst, verspeelt zijn geluk. Buiten God geen geluk; God is ons grootste geluk. Buiten God zijn wij zonder enig geluk, omdat alle geluk in God is geconcentreerd. Jezus is Gods laatste heilsaanbod. Na Hem komt er geen andere meer. Wat een kans! Maar ook: wat een risico!

 
"Toen sprak hij tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal staat klaar, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat dus naar de kruispunten der wegen en nodigt wie ge er maar vindt, tot de bruiloft."

De mensen buiten de stad, op de kruispunten van de wegen, zijn de heidenen, de afgodendienaars. Ook met hen kan ik mij vereenzelvigen: als ik God ervaar als een concurrent van mijn dagorde, van mijn plannen, van mijzelf, van het beeld dat ik van mijzelf heb gemaakt, dan heb ik van mijzelf een afgod gemaakt.

 
"Zijn dienaars gingen naar de wegen en brachten allen mee die zij er aantroffen, slechten zowel als goeden, en de bruiloftszaal liep vol met gasten."

We moeten zelfs afstand doen van ons verlangen tot een elite-gezelschap te willen behoren. Onze heilige kerk is een kerk met niet alleen maar heiligen. "Slechten zowel als goeden". Jezus is de Gezondene van zijn Vader, die "immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (5,46). Dat de "slechten" erbij horen, is zelfs de inzet van Jezus' zending: "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars" (9,13). Dat ook de zondaars tot de kerk behoren, is nu juist eigen aan de christelijke visie op de geschiedenis en de inrichting van de maatschappij. Ongelovigen neigen ernaar de scheiding van de geesten nu al te voltrekken. De christen bekent zichzelf als zondaar. Hij weet dat hijzelf nog onder het oordeel staat en dat hij daarom ook geen recht heeft om over anderen te oordelen.

 
"Toen nu de koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken, merkte hij daar iemand op die niet voor de bruiloft gekleed was. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?"

Als het ware zo van de straat geplukt! Hoe zou iemand zich dan in de gauwigheid een bruiloftskleed aanschaffen? Is dit niet onredelijk? Wie in die streken toen naar een bruiloftsfeest ging, kreeg bij het binnenkomen een bruiloftskleed aangereikt. Dat waren royaal gesneden gewaden. Ook de christen kreeg bij het binnenkomen van de bruiloftszaal, bij het doopsel, een wit kleed als teken van "de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid" (Ef 4,24). Dat kleed moet iedereen met zorg bewaren: "Leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend" (Ef 4,1-2). De apostelen moesten constateren wat wij ook constateren, dat christenen hun roeping niet waard waren: "Wij hebben u bezworen een leven te leiden God waardig, die u roept tot de heerlijkheid van zijn koninkrijk"... "niet tot onkuisheid, maar tot heiligheid" (1 Tess 2,12; 4,7).
Juist zoals de eerstgeroepenen maken zij hun roeping niet waar. De geschiedenis herhaalt zich. Maar wie het laatste genade-aanbod afslaat, valt in ongenade.

 
"Toen sprak de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren."

Op twee manieren wordt ons het heil door Jezus aangeboden. Op een positieve manier in beelden van oogst en bruiloft, maaltijd en stad, licht en vreugde, troost en rijkdom, familie-zin en solidariteit enz. En op een negatieve manier aan de hand van beelden van de werkelijkheid buiten Hem. Tot de meest gekozen beelden horen: "geween en tandengeknars" als uitdrukkingen voor verdriet en machteloze woede. Jezus heeft met deze negatieve beelden die Hij veelvuldig heeft aangewend (8,12; 13,42; 22,13; 24,51; 25,30), een positieve bedoeling: "dat, als ik door mijn tekortkomingen de liefde van de eeuwige Heer zou vergeten, tenminste de vrees voor de pijnen mij zal helpen om niet tot zonde te komen" (Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen nr. 65). De parabel eindigt in mineurtoon om ons wakker te schudden uit onze routine en onze gezapigheid. Het grote gevaar van de christen is, dat hij zijn bevoorrechting niet beseft en dat hij de genade van het geloof beschouwt als een vast bezit. Hij heeft zijn schaapjes geestelijk op het droge. Juist zoals de joden.

Aan het einde moet ik ervoor waken dat mijn gebed niet op een zakelijke manier afloopt. Daarom is het goed om te eindigen met gesprekjes, met Jezus, als vrienden onder elkaar of zoals een dienaar met zijn heer. De uitnodiging voor het bruiloftsmaal opnieuw uit zijn mond ontvangen en deze dan ook heel bewust aannemen. Dan me door Jezus naar zijn Vader laten brengen. De Vader bedanken, dat Hij zoveel geduld heeft met de mensen, met mij. Een Onze Vader bidden: "Uw Rijk kome."

De neiging die ik heb om over het gebed na te denken, uitbuiten door in een evaluatie of reflexie de goede vragen te stellen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen cirkelen rond wat voor mij "akker" en "zaken" zijn. Daarin heb ik iets van Gods Rijk mijzelf toegeëigend.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar had ik al een voorproefje van de vreugde van het hemelse bruiloftsmaal?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Die vreugde is blijvend en toont zijn ware aard door ook bij me te blijven na afloop van het gebed.

Daar zal geween zijn en tandengeknars