Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Acht en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
11 Op zijn reis naar Jeruzalem
trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
12 Toen Hij een dorp binnenging,
kwamen Hem tien melaatsen tegemoet;
13 zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels:
"Jezus, Meester, ontferm U over ons!"
14 Hij zag hen en sprak:
"Gaat u laten zien aan de priesters."
En onderweg werden ze gereinigd.
15 Een van hen keerde terug,
toen hij zag dat hij genezen was,
en verheerlijkte God met luider stem.
16 Vol dankbaarheid wierp hij zich
voor Jezus' voeten neer,
en deze man was een Samaritaan.
17 Hierop vroeg Jezus:
"Zijn niet alle tien gereinigd?
Waar zijn dan de negen anderen?
18 Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen
dan alleen deze vreemdeling?"
19 En Hij sprak tot hem:
"Sta op en ga heen;
uw geloof heeft u gered."
20 Lucas 17,11-19

Beginnen mijn geest wat te laten rusten bij Hem. In het gebed gaat het niet om iets te overwegen, te denken, te voelen of voor te stellen. Het gaat om een zijn bij Hem. Onmiddellijk. Niets en niemand ertussen. Als antwoord op wat Hij doet in het gebed: bij mij zijn. Dat kan mij helpen het niet zo erg te vinden, als bepaalde gaven van het gebed mij gedeeltelijk of helemaal ontbreken: Hij zal mij nooit ontbreken.

Bij de plaats van het gebed breng ik me, staande een paar passen er vandaan, zijn tegenwoordigheid te binnen, zien hoe Hij mij ziet en mijn zijn-bij-Hem op hoge prijs stelt. Daarin ziet Hij mijn heil zoals Hij dat ook zag bij de Samaritaan. Een gebaar kan mijn eerbied voor Hem onderstrepen, zoals de Samaritaan zich plat op de grond wierp om Jezus te huldigen.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik kan letten op de bewegingen van de genade in mij. Het waren die innerlijke bewegingen van het hart die de Samaritaan terug naar Jezus dreven. In die houding vraag ik om de genade, dat ik mij in mijn leven mag laten leiden door die innerlijke bewegingen, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik doorloop in grote lijnen de geschiedenis: ergens op zijn reis naar Jeruzalem doet een gesloten groep van tien melaatsen een beroep op zijn medelijden. Jezus vraagt van hen een daad van geloof: zonder iets van genezing te bespeuren, moeten zij zich omkeren en naar de priesters gaan, die hun genezing moesten vaststellen. Ze doen dat. En onderweg werden zij genezen. Maar een van hen voelt de behoefte om Jezus te gaan bedanken. Dat valt bij Jezus in goede aarde, vooral omdat het een Samaritaan was die nog heel wat meer te overwinnen had om naar Hem terug te keren dan de anderen.

Ik stel me de plaats of de situatie voor, zodat ik er zo dicht mogelijk bij kom. Bij de melaatsen, maar vooral bij Jezus. Ik kan me ook de plaatsen voor ogen stellen waar ik bijzondere genaden kreeg. Of de kerk of kapel waar ik gewoonlijk eucharistie vier, want dat is toch bij uitstek de plaats waar ik Jezus bedank.

Aangezien ik in het gebed geen stap uit eigen kracht vooruit kan zetten, vraag ik om de bijzondere genade om Jezus te mogen leren kennen met een innerlijke kennis, zodat ik niet bij de buitenkant van mijn geloof blijf stilstaan, bij plichten en rechten, maar Jezus in eigen Persoon ga zien als de grootste weldaad.

 
"Op zijn reis naar Jeruzalem"

Wij worden eraan herinnerd dat Jezus op weg is naar Jeruzalem. In 9,51 werd met heel plechtige woorden afgekondigd, dat Jezus de reis naar Jeruzalem aanvaardde. Vastberaden. Volledig bewust van de consequenties. Op dit moment, binnen het kader van de ontmoeting met de melaatsen, betekent die aanduiding, dat Jezus zich bewust is, dat ook Hij het lot van de melaatsen gaat delen. Zoals de melaatsen gedwongen worden zich buiten de gemeenschap op te houden, zo wordt Jezus buiten de heilige stad gevoerd: "Jezus heeft ook buiten de poort geleden" (Hebr 13,12). De schrijver van de Hebreeënbrief nodigt zijn lezers uit om zich te verenigen met de versmading van Jezus, die er niet meer bijhoorde: "Laten wij dan tot Hem gaan buiten de legerplaats en zijn versmading dragen" (Hebr 13,13). Soms is het een consequentie van ons geloof, dat wij er niet helemaal bijhoren. Hoe ga ik daarmee om? Afwerend, vergoeding ervoor zoekend of benut ik dat als een gelegenheid om me te verenigen met Jezus die voor mij tot een melaatse geworden is: "Wij beschouwden Hem als een melaatse." (Jes 53,4 Petrus Canisiusvertaling)

 
"Op zijn reis naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels: Jezus, Meester, ontferm U over ons!"

Een groep melaatsen. Een toonbeeld van menselijke ellende. Melaatsheid was toen een ongeneeslijke ziekte. De lichaamsdelen sterven de een na de ander af totdat de dood erop volgt. Een besmettelijke ziekte. Daarom werd een melaatse levenslang veroordeeld buiten de gemeenschap te verblijven. Het boek Leviticus schrijft voor: "Degene die aan huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen en zijn haren los laten hangen. Hij moet zijn baard bedekken en roepen: "onrein! onrein!" Zolang de ziekte duurt, is hij onrein. Hij moet apart wonen en buiten het kamp verblijven" (Lev 13,45). In het leven binnen de groep waren de normale maatschappelijke spelregels niet meer van kracht. Dat is te zien aan de samenstelling van deze groep: negen Joden, één Samaritaan. Joden en Samaritanen mijden in de gewone maatschappij elkaar als ketters en bastaards. Binnen een groep melaatsen gaat deze maatschappelijke regel niet op. Geen wonder dat die mensen tot Jezus riepen: "Jezus, Meester, ontferm U over ons." Ontferming hadden ze nodig. Deze erbarmelijke mensen zochten erbarming. Deze deerniswekkenden kijken uit naar iemand die deernis met ze heeft. Maar wij dan, waarom roepen wij dan diezelfde woorden, zo gauw we Jezus tegenkomen in de kerk? Zijn wij er dan zo erg aan toe? Door die woorden op de lippen te nemen, stellen we ons op één lijn met mensen die in de uiterste nood verkeren: de blinde stakker langs de weg in Jericho (18,38), de heidense vrouw met haar bezeten dochtertje (Mt 15,22), de vader van de bezeten jongen (Mt 17,15). Voordat God iets kan doen (eucharistie/de genezing van de melaatsheid), moet blijkbaar eerst onze eigen onmacht aan het licht komen. We zijn er erger aan toe dan we geneigd zijn te denken. Erger dan de wereld ooit kan geloven.

 
"Hij zag hen en sprak: Gaat u laten zien aan de priesters. En onderweg werden ze gereinigd."

Jezus vraagt geloof. Hij stuurt ze weg, zonder ook maar één enkel teken of gebaar te stellen waaraan zij iets van genezing zouden kunnen bespeuren. Ze moesten rechtsomkeer maken om zich aan de priesters te tonen. Want de priesters waren aangewezen om te beoordelen of iemand werkelijk genezen was. Maar ze geloven Jezus op zijn woord. En onderweg werden ze hun genezing gewaar.

 
"Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en verheerlijkte God met luider stem. Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer, en deze man was een Samaritaan."

Nood had de groep aaneengesmeed en de vooroordelen weggenomen. Nauwelijks is de nood voorbij, of de oude onderscheiden zetten zich weer door. De Joden vallen terug in hun zelfgenoegzaamheid. Zij gaan ervandoor met hun pas herwonnen gezondheid. De Samaritaan wordt ons tot voorbeeld gesteld zoals eertijds een Samaritaan als model van naastenliefde was voorgehouden (10,36). De barmhartige Samaritaan moest vooroordelen overwinnen om de uitgeplunderde reiziger langs de weg te helpen. Deze melaatse uit Samaria had er moeite mee, dat het een Jood was die hij moest gaan bedanken. Maar hij deed het. De aandrang om naar Jezus terug te gaan, was te groot. "Hij verheerlijkte God... vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer." Met dit gebaar erkende hij Jezus als God. Het is immers een aanbiddingsgebaar. Alleen God kan een melaatse reinigen. Reiniging van een melaatse is als een opwekking uit de doden. De melaatse moest bij Jezus zijn. Daarin wordt zijn genezing voltooid. De melaatse kan mij helpen om niet bij de gaven van God in natuur en genade stil te blijven staan, maar de gaven te ontvangen uit de hand van God.

 
"Hierop vroeg Jezus: Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling? En Hij sprak tot hem: Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered."

Na de genezing is er nog een blijvende toewending naar Christus nodig. Een mens moet aanvoelen dat Christus het daar eigenlijk om te doen is. Als iemand dat doet, dan is hij pas echt geholpen. Nu pas is zijn redding voltooid. Want het oorspronkelijke woord voor redding betekent zowel genezing als heil. De genezing heeft zich bij de Samaritaan doorgezet tot het heil, dat in Christus Jezus Zelf is.

Omdat het in het gebed eigenlijk te doen is om die persoonlijke verbondenheid met Jezus, daarom moet het gebed ook daarmee worden afgesloten. Met gesprekjes. Met Jezus als vrienden onder elkaar. Met de Vader in de hemel zoals de melaatse God, de Vader in de hemel, verheerlijkte. Een Onze Vader met gegroeide eerbied en overgave.

Na afloop even terugkijken waar ik teveel bij de gaven bleef stilstaan en waar de gaven voor mij doorzichtig waren naar de Gever toe:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik gefixeerd op de buitenkant van de schepping.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar drong ik al door de buitenkant van mensen en dingen heen naar hun lichtende binnenkant?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?