Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 15 | hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen. |
| 16 | op Hem af met de vraag: "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. |
| 17 | Wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?" |
| 18 | "Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars? |
| 19 | Zij hielden Hem een geldstuk voor. |
| 20 | "Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?" |
| 21 | "Van de keizer." Daarop sprak Hij tot hen: "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt." |
| Matteüs 22, 15-21 |
Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Niet eerst rusten en dan Hem, maar rust vinden in het contact met Hem. Wanneer wordt een mens echt eenvoudig? Wanneer hij leeft voor Gods aanschijn, in een onmiddellijke verhouding, zonder iets ertussen, zonder gedachten om zich te rechtvaardigen, zonder gevoelens die hem drijven.
Een paar passen voor de plaats van het gebed breng ik me zijn tegenwoordigheid voor de geest, zien hoe Hij ziet, hoe Hij doorziet, waar ik niet echt ben, maar ook de beeldenaar in mijn hart, geschapen als ik ben naar Gods beeld en gelijkenis. Een gebaar van eerbied kan mij helpen nog beter de houding te vinden die past tegenover mijn Schepper en Heer.
In deze geestesgesteltenis het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, de houding die mij het meeste helpt het besef van zijn heilige tegenwoordigheid levendig te houden. Het gebed heeft het meeste baat bij een godsdienstige levenshouding. Daaraan kan God zien dat het verlangen om te bidden menens is. Daarom is het goed, dat ik de genade vraag dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit, zodat er geen onderscheid is tussen gebed en leven, tussen binnen (bedoelingen) en buiten (daden en werkzaamheden) en ik zo aan God geef wat God toekomt, namelijk alles.
Ik breng me de geschiedenis te binnen: hoe Jezus in Jeruzalem is aangekomen en daar bij de leiders van het volk een weloverwogen verzet aantreft tegen zijn zending. In een drietal gesprekken proberen zij Jezus tot uitspraken te verleiden die Hem impopulair maken bij het volk of verdacht bij de overheid: eerst stellen leerlingen van de Farizeeën en de Herodianen een vraag over belasting betalen aan de Romeinse keizer (22,15-21); dan wordt door de Sadduceeën een vraag gesteld over de opstanding, (22,23-33); vervolgens een vraag wat het grootste gebod is, weer gesteld door de Farizeeën (22,34-40). Tenslotte stelt Jezus zelf een vraag over zichzelf, over zijn tweevoudige verhouding tot David (22,41-46). Op deze wijze wordt de grote rede tegen de Farizeeën ingeleid (23,1-36).
De plaats van dit twistgesprek is Jeruzalem, de plaats van Jezus' diepste vernedering en hoogste verheffing. In het twistgesprek wordt Jezus uitgedaagd af te zien van die vernedering en de mensen naar de ogen te zien en zo zichzelf te redden.
Ik vraag om de bijzondere genade: dat ik een innerlijke kennis moge krijgen van Jezus Christus, onze Heer die hemel en aarde in zich verenigt.
In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar
beraadslagen hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden
vangen.
Als de Farizeeën beraadslagen, voorspelt dat in het evangelie nooit iets goeds. Ze doen dat "om plannen te smeden om Hem uit de weg te ruimen" (12,14), om te besluiten "Jezus door een list te grijpen en ter dood te brengen" (26,4), om te besluiten de soldaten om te kopen die bij Jezus' graf de wacht hadden gehouden (28,11-14). Zelf maken zij gesloten front tegen Jezus en weten met andere groeperingen gemene zaak te maken tegen Jezus. In dit geval de Herodianen.
Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af
met de vraag: "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg
van God in oprechtheid leert; Gij stoort U aan niemand, want Gij
ziet de mensen niet naar de ogen. Zeg ons daarom: Wat dunkt U, is
het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?"
Dit was een religieuze kwestie, maar met een politieke aktualiteit. Het was een heet hangijzer en een gewetensvraag. Aan het antwoord op die vraag kon je iemands politieke en religieuze kleur bepalen. Zou Jezus op die vraag bevestigend antwoorden, dan kon men Hem bij het volk afschilderen als een vriend van de bezettende macht. Daarmee zou Hij zich vooral de haat van de partij der "zeloten" op de hals halen. Dezen beschouwden immers het weigeren van belasting aan de keizer als morele en religieuze plicht. Antwoordde Jezus ontkennend, dan zou men Hem kunnen aanklagen bij de Romeinse bezettende macht. Zo zat Jezus met deze vraag ingeklemd tussen progressief en conservatief, tussen de breeddenkende, liberale Herodianen, die het niet zo nauw namen en samenwerkten met de bezettende macht aan de ene kant en aan de andere kant de orthodoxe ijveraars voor de zaak van Israël, die van de politieke onafhankelijkheid van Israël een religieuze zaak maakten. De bevrijding van Israël viel voor hen samen met de zaak van God. Jezus wordt dus gedwongen partij te kiezen. Hij moet ofwel zich aansluiten bij de partij die voor de aarde kiest, voor de aanpassing aan de feitelijke, politieke en economische situatie; deze partij stelt: "Je moet met je tijd meegaan. Je moet je aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. God en de godsdienst mogen best hun eisen stellen, maar dat moet wel binnen bepaalde grenzen blijven." De andere partij opteert voor de hemel, voor de zaak van God die in een onverzoenlijke tegenstelling staat met de belangen van de mens.
"Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: "Waarom probeert
gij Mij te vangen, gij huichelaars?"
Elke keer als Jezus op de proef wordt gesteld, staat de
interpretatie van de titel "Zoon van God" op het spel, de titel
die Jezus bij zijn doop van de Vader kreeg. In deze titel zit een
spanning tussen aardse geringheid en hemelse verheffing.
Is dat een titel om van God iets te eisen of is het juist een
titel op grond waarvan Jezus geroepen wordt tot een volmaakte
gehoorzaamheid aan de wil van zijn Vader om zich geheel en al te
onderwerpen aan de voorwaarden van het menselijke bestaan? In de
woestijn probeert de duivel Jezus te verleiden om die trouw aan
het mens-zijn op te geven: "Beveel dan dat deze stenen hier in
brood veranderen ... werp U dan naar beneden" (4,3.6).
Hier staat
Jezus aan eenzelfde soort beproeving bloot: zij proberen er Jezus
toe te brengen om zich te verheffen door zich te onttrekken aan
zijn nederige opstelling als Dienaar van God door de mensen naar
de ogen te zien. Dat is hun valsheid. En het is hun huichelarij,
dat zij zelf de mensen naar de ogen zien, terwijl zij Jezus
prijzen, omdat Hij dat niet doet.
Onze beproeving is het om ons te ergeren aan de
zwakmenselijkheid van Jezus in zijn doodsangst en passiviteit ten
dode: "Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te
waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat" (26,40-41).
Zo kan ook de zwakmenselijkheid van de kerk een bron van
ergernis zijn. Of de zwakheid van de eigen groep. Of van mijzelf.
"Laat Mij de belastingmunt eens zien." Zij hielden Hem een
geldstuk voor. Hij vroeg hun: "Van wie is deze beeldenaar en het
opschrift?" Zij antwoordden: "Van de keizer."
De huichelarij wordt aan het licht gebracht doordat ze zelf met het gehate ruilobject voor de dag komen en dus moeten toegeven, dat de vraag die zij aan Jezus stellen, voor hen zelf al lang geen punt meer was. Ze doen zich voor als gewetensbezwaarden, maar dat is alleen maar voor de gelegenheid. Daarom noemt Jezus hen met recht huichelaars.
Daarop sprak Hij tot hen: "Geeft dan aan de keizer wat de
keizer toekomt, en aan God wat God toekomt."
Belasting betalen aan de keizer is voor Jezus geen punt: "Geeft
de keizer wat de keizer toekomt." Maar van de andere kant ook
geen vergoddelijking van de staat. De keizer moet weten dat hij
Iemand boven zich heeft. En waar keizers en koningen zich
goddelijke aanspraken toeëigenen, mogen zij niet worden
gehoorzaamd: "Geeft aan God wat aan God toekomt." Of met de
woorden van Petrus: "Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen"
(Hand 5,29).
De twee partijen Farizeeën en Herodianen speelden hemel en aarde
tegen elkaar uit: of God dienen en weigeren belasting te betalen
ofwel de keizer dienen met verachting van Gods wet. Ook in onze
dagen zijn er die twee stromingen: allerlei vormen van neo-religies
die de ontplooiing van het eigen bewustzijn nastreven
zonder veel acht te slaan op de medemens. Het zijn verfijnde
vormen van zichzelf zoeken. Daarnaast is er een stroming, die de
dienst aan de medemens hoog in het vaandel draagt en godsdienst
vrijwel herleidt tot medemenselijkheid, dienst aan de wereld, aan
aardse bevrijdings- en emancipatiebewegingen.
Als men God hoog heeft en Hem geeft wat Hem toekomt, namelijk de
eerste plaats, dan komt er ruimte vrij voor al het andere: onder
andere voor de staat en haar eisen zoals het belasting betalen,
maar dan zó, dat dat andere zelf niet uitgroeit tot een afgod,
zoals de staatsreligie op sommige momenten van het Romeinse
keizerrijk of zoals het vrijzinnig, hedonistisch individualisme
in onze samenleving of zoals het marxisme in landen van de tweede
en derde wereld. Het geloof in de God van Jezus Christus geeft aan de aarde haar
betrekkelijke plaats.
Hier kan ik nagaan wat voor plaats de aardse dingen in mijn leven
hebben. Geef ik er te weinig of teveel plaats aan?
Aan het eind gesprekjes voeren. Met Jezus, zoals vrienden onder elkaar. Jezus is iemand die tegenstellingen verzoent om uiteindelijk alles en iedereen te verzoenen met zijn Vader in de hemel. Daarom eindigen met een gesprek met de Vader. Een Onze Vader.
Wat afstand nemen om tot onderscheiding te komen van de
geesten die zich in mij bewegen:
