Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Negenentwintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
15 In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen
hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen.
16 Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen
op Hem af met de vraag:
"Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt
en de weg van God in oprechtheid leert;
Gij stoort U aan niemand,
want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.
17 Zeg ons daarom:
Wat dunkt U, is het geoorloofd
belasting te betalen aan de keizer of niet?"
18 Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei:
"Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?
19 Laat Mij de belastingmunt eens zien."
Zij hielden Hem een geldstuk voor.
20 Hij vroeg hun:
"Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?"
21 Zij antwoordden:
"Van de keizer."
Daarop sprak Hij tot hen:
"Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt,
en aan God wat God toekomt."
Matteüs 22, 15-21

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Niet eerst rusten en dan Hem, maar rust vinden in het contact met Hem. Wanneer wordt een mens echt eenvoudig? Wanneer hij leeft voor Gods aanschijn, in een onmiddellijke verhouding, zonder iets ertussen, zonder gedachten om zich te rechtvaardigen, zonder gevoelens die hem drijven.

Een paar passen voor de plaats van het gebed breng ik me zijn tegenwoordigheid voor de geest, zien hoe Hij ziet, hoe Hij doorziet, waar ik niet echt ben, maar ook de beeldenaar in mijn hart, geschapen als ik ben naar Gods beeld en gelijkenis. Een gebaar van eerbied kan mij helpen nog beter de houding te vinden die past tegenover mijn Schepper en Heer.

In deze geestesgesteltenis het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, de houding die mij het meeste helpt het besef van zijn heilige tegenwoordigheid levendig te houden. Het gebed heeft het meeste baat bij een godsdienstige levenshouding. Daaraan kan God zien dat het verlangen om te bidden menens is. Daarom is het goed, dat ik de genade vraag dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit, zodat er geen onderscheid is tussen gebed en leven, tussen binnen (bedoelingen) en buiten (daden en werkzaamheden) en ik zo aan God geef wat God toekomt, namelijk alles.

Ik breng me de geschiedenis te binnen: hoe Jezus in Jeruzalem is aangekomen en daar bij de leiders van het volk een weloverwogen verzet aantreft tegen zijn zending. In een drietal gesprekken proberen zij Jezus tot uitspraken te verleiden die Hem impopulair maken bij het volk of verdacht bij de overheid: eerst stellen leerlingen van de Farizeeën en de Herodianen een vraag over belasting betalen aan de Romeinse keizer (22,15-21); dan wordt door de Sadduceeën een vraag gesteld over de opstanding, (22,23-33); vervolgens een vraag wat het grootste gebod is, weer gesteld door de Farizeeën (22,34-40). Tenslotte stelt Jezus zelf een vraag over zichzelf, over zijn tweevoudige verhouding tot David (22,41-46). Op deze wijze wordt de grote rede tegen de Farizeeën ingeleid (23,1-36).

De plaats van dit twistgesprek is Jeruzalem, de plaats van Jezus' diepste vernedering en hoogste verheffing. In het twistgesprek wordt Jezus uitgedaagd af te zien van die vernedering en de mensen naar de ogen te zien en zo zichzelf te redden.

Ik vraag om de bijzondere genade: dat ik een innerlijke kennis moge krijgen van Jezus Christus, onze Heer die hemel en aarde in zich verenigt.

 
In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen.

Als de Farizeeën beraadslagen, voorspelt dat in het evangelie nooit iets goeds. Ze doen dat "om plannen te smeden om Hem uit de weg te ruimen" (12,14), om te besluiten "Jezus door een list te grijpen en ter dood te brengen" (26,4), om te besluiten de soldaten om te kopen die bij Jezus' graf de wacht hadden gehouden (28,11-14). Zelf maken zij gesloten front tegen Jezus en weten met andere groeperingen gemene zaak te maken tegen Jezus. In dit geval de Herodianen.

 
Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag: "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. Zeg ons daarom: Wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?"

Dit was een religieuze kwestie, maar met een politieke aktualiteit. Het was een heet hangijzer en een gewetensvraag. Aan het antwoord op die vraag kon je iemands politieke en religieuze kleur bepalen. Zou Jezus op die vraag bevestigend antwoorden, dan kon men Hem bij het volk afschilderen als een vriend van de bezettende macht. Daarmee zou Hij zich vooral de haat van de partij der "zeloten" op de hals halen. Dezen beschouwden immers het weigeren van belasting aan de keizer als morele en religieuze plicht. Antwoordde Jezus ontkennend, dan zou men Hem kunnen aanklagen bij de Romeinse bezettende macht. Zo zat Jezus met deze vraag ingeklemd tussen progressief en conservatief, tussen de breeddenkende, liberale Herodianen, die het niet zo nauw namen en samenwerkten met de bezettende macht aan de ene kant en aan de andere kant de orthodoxe ijveraars voor de zaak van Israël, die van de politieke onafhankelijkheid van Israël een religieuze zaak maakten. De bevrijding van Israël viel voor hen samen met de zaak van God. Jezus wordt dus gedwongen partij te kiezen. Hij moet ofwel zich aansluiten bij de partij die voor de aarde kiest, voor de aanpassing aan de feitelijke, politieke en economische situatie; deze partij stelt: "Je moet met je tijd meegaan. Je moet je aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. God en de godsdienst mogen best hun eisen stellen, maar dat moet wel binnen bepaalde grenzen blijven." De andere partij opteert voor de hemel, voor de zaak van God die in een onverzoenlijke tegenstelling staat met de belangen van de mens.

 
"Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: "Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars?"

Elke keer als Jezus op de proef wordt gesteld, staat de interpretatie van de titel "Zoon van God" op het spel, de titel die Jezus bij zijn doop van de Vader kreeg. In deze titel zit een spanning tussen aardse geringheid en hemelse verheffing. Is dat een titel om van God iets te eisen of is het juist een titel op grond waarvan Jezus geroepen wordt tot een volmaakte gehoorzaamheid aan de wil van zijn Vader om zich geheel en al te onderwerpen aan de voorwaarden van het menselijke bestaan? In de woestijn probeert de duivel Jezus te verleiden om die trouw aan het mens-zijn op te geven: "Beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen ... werp U dan naar beneden" (4,3.6).
Hier staat Jezus aan eenzelfde soort beproeving bloot: zij proberen er Jezus toe te brengen om zich te verheffen door zich te onttrekken aan zijn nederige opstelling als Dienaar van God door de mensen naar de ogen te zien. Dat is hun valsheid. En het is hun huichelarij, dat zij zelf de mensen naar de ogen zien, terwijl zij Jezus prijzen, omdat Hij dat niet doet.
Onze beproeving is het om ons te ergeren aan de zwakmenselijkheid van Jezus in zijn doodsangst en passiviteit ten dode: "Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat" (26,40-41).
Zo kan ook de zwakmenselijkheid van de kerk een bron van ergernis zijn. Of de zwakheid van de eigen groep. Of van mijzelf.

 
"Laat Mij de belastingmunt eens zien." Zij hielden Hem een geldstuk voor. Hij vroeg hun: "Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?" Zij antwoordden: "Van de keizer."

De huichelarij wordt aan het licht gebracht doordat ze zelf met het gehate ruilobject voor de dag komen en dus moeten toegeven, dat de vraag die zij aan Jezus stellen, voor hen zelf al lang geen punt meer was. Ze doen zich voor als gewetensbezwaarden, maar dat is alleen maar voor de gelegenheid. Daarom noemt Jezus hen met recht huichelaars.

 
Daarop sprak Hij tot hen: "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt."

Belasting betalen aan de keizer is voor Jezus geen punt: "Geeft de keizer wat de keizer toekomt." Maar van de andere kant ook geen vergoddelijking van de staat. De keizer moet weten dat hij Iemand boven zich heeft. En waar keizers en koningen zich goddelijke aanspraken toeëigenen, mogen zij niet worden gehoorzaamd: "Geeft aan God wat aan God toekomt." Of met de woorden van Petrus: "Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen" (Hand 5,29).
De twee partijen Farizeeën en Herodianen speelden hemel en aarde tegen elkaar uit: of God dienen en weigeren belasting te betalen ofwel de keizer dienen met verachting van Gods wet. Ook in onze dagen zijn er die twee stromingen: allerlei vormen van neo-religies die de ontplooiing van het eigen bewustzijn nastreven zonder veel acht te slaan op de medemens. Het zijn verfijnde vormen van zichzelf zoeken. Daarnaast is er een stroming, die de dienst aan de medemens hoog in het vaandel draagt en godsdienst vrijwel herleidt tot medemenselijkheid, dienst aan de wereld, aan aardse bevrijdings- en emancipatiebewegingen.
Als men God hoog heeft en Hem geeft wat Hem toekomt, namelijk de eerste plaats, dan komt er ruimte vrij voor al het andere: onder andere voor de staat en haar eisen zoals het belasting betalen, maar dan zó, dat dat andere zelf niet uitgroeit tot een afgod, zoals de staatsreligie op sommige momenten van het Romeinse keizerrijk of zoals het vrijzinnig, hedonistisch individualisme in onze samenleving of zoals het marxisme in landen van de tweede en derde wereld. Het geloof in de God van Jezus Christus geeft aan de aarde haar betrekkelijke plaats.
Hier kan ik nagaan wat voor plaats de aardse dingen in mijn leven hebben. Geef ik er te weinig of teveel plaats aan?

Aan het eind gesprekjes voeren. Met Jezus, zoals vrienden onder elkaar. Jezus is iemand die tegenstellingen verzoent om uiteindelijk alles en iedereen te verzoenen met zijn Vader in de hemel. Daarom eindigen met een gesprek met de Vader. Een Onze Vader.

Wat afstand nemen om tot onderscheiding te komen van de geesten die zich in mij bewegen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen bewegen zich op gebieden waar ik mij teveel heb toegeëigend. De dingen krijgen dan van mij aandacht als van een uit de hand gelopen hobby. Het is goed om zich ervan bewust te maken waar er afgodjes bij mij dreigen te ontstaan: eer, gezondheid, werk, ontspanning enz.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Een gevoel van diepe harmonie of vrede kan een spoor zijn van een verzoening tussen hemel en aarde.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?

Jezus en de Farizeeën