Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Negen en twintigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Jezus leerde in een gelijkenis aan zijn leerlingen
dat zij steeds moesten bidden
en daarin niet versagen.
2 Hij zei:
"Er was eens in een zekere stad een rechter,
die zich om God noch gebod bekommerde.
3 Er was ook een weduwe in de stad
die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek:
Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander.
4 Een tijdlang wilde die rechter niet,
maar daarna zei hij bij zichzelf:
Al bekommer ik mij om God noch gebod,
5 toch zal ik die weduwe recht verschaffen
om niet langer geplaagd te worden
door haar eindeloze bezoeken."
6 En de Heer sprak:
"Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt!
7 Zou God dan geen recht verschaffen
aan zijn uitverkorenen
die dag en nacht tot Hem roepen,
of zal Hij ten opzichte van hen onbewogen blijven?
8 Ik zeg u:
Hij zal hun spoedig recht verschaffen.
Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst
het geloof op aarde vinden?"
Lucas 18,1-8

De voorbereidende stapjes dienen ervoor om los te komen uit mijn ego-centriciteit, mijn zelfgenoegzaamheid. Als God zijn uitverkorenen lang laat wachten eer Hij hen verhoort, dan heeft Hij daarbij maar één ding voor de geest: zijn uitverkorenen door en door arm maken, zodat zij in staat zijn van God te ontvangen. Daarom nu proberen los te komen van mezelf, zelfvoorziening, eigenmachtigheid, eigenzinnigheid. Mijn geest laten rusten bij Hem.

Bij de plaats van het gebed, staande een paar passen ervoor me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet. Met de ogen van het geloof. Zonder enig teken te willen zien. De Vader vreugde bereiden met een blind geloof in zijn goedheid. Mijn eerbied laten groeien door een gebaar te maken van eerbied.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik niet wegloop voor mijn armoede, voor de gevoelens van ongeduld en hoogmoed die bij het lange wachten noodzakelijkerwijs omhoogkomen. In die houding om de genade vragen dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: Jezus heeft zijn leerlingen over zijn wederkomst gesproken. Maar vóórdat de Mensenzoon wederkomt is er een tussentijd, een tijd waarin het de uitverkorenen zal gaan zoals de weduwe tegenover haar rechter: zij schijnt niets te bereiken. God schijnt zoals de rechter "niet te willen". De bekoring is om op te geven. Maar dan zijn we niet gelovig. We geloven niet meer dat God om ons geeft.
Zolang de wereld duurt is dat de situatie van elke christen. Hij leeft in het "nog niet".

De plaats: de hele aarde en in de hemel het hart van God dat bewogen luistert naar zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen.

Ik vraag om de bijzondere genade: dat ik Jezus Christus mag leren kennen met een innerlijke kennis, de kennis van de liefde die weet hoe aangenaam aan Jezus dit smeekgebed in de nacht is.

 
"Jezus leerde in een gelijkenis aan zijn leerlingen dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen."

Altijd bidden wil niet zeggen: altijd gebeden opzeggen, maar altijd in een gebedshouding leven, je innerlijk gericht houden op God. Of je hart ook inderdaad gericht is op God, dat kun je merken of het je gemakkelijk valt tijd vrij te maken voor het expliciete gebed, of je graag naar het gebed toegaat en of je tussendoor met je hart bij Hem bent en ook of je met je aandacht erbij kunt blijven of dat je met allerlei verstrooid bent.

 
"Hij zei: Er was eens in een zekere stad een rechter, die zich bekommerde om God noch gebod. Er was ook een weduwe in die stad die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek: Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander. Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna zei hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij om God noch gebod, toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken."

De moeilijkheid van het bidden is dat wij God niet zien en vooral dat wij niet in zijn Hart kunnen kijken. Nu is dat ook een moeilijkheid in de omgang met mensen die wij wel kunnen zien. Wat er in hun hart zit, kunnen wij niet zien, bij de mensen evenmin als bij God. Maar wat er in iemands hart zit, hoeven wij ook niet te zien. Om te kunnen doordringen in iemands hart hebben wij een apart vermogen, het geloof. Met ons geloof wordt het onzichtbare "zichtbaar" of liever waarneembaar. Bij de mensen en ook bij God. Helemaal zonder uitwendige tekenen gaat het waarnemen door het geloof ook niet. Om te kunnen geloven in de goedheid van God en zijn geneigdheid om mij te verhoren, heb ik als teken onder andere nodig de woorden van Jezus. Deze woorden over de weduwe. Jezus leidt ons hier naar een situatie waarin het gevraagde zonder liefde wordt gegeven, zonder mededogen: "om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken." Precies zoals bij de vriend die midden in de nacht zijn vriend op bezoek krijgt met het verzoek om drie broden. Uiteindelijk geeft hij, niet omdat hij zijn vriend is, maar om zijn lastig aandringen. Jezus wil ons aanmoedigen ons over te geven aan God en Hij wil tegenspel bieden aan de knagende twijfel in ons hart: zorgt God wel voor ons? Het antwoord van Jezus: Hij zorgt al voor het musje! Voor de leliën van het veld, voor de vogels in de lucht! Is de mens wel in tel bij God? Jezus zegt niet: Ja wel hoor, de mens is in tel bij God, maar: ieder haar van uw hoofd is geteld (door God). En de vraag: verhoort God ons wel? Wat dacht je? Dat doet de onrechtvaardige rechter al.
Nu laat ik me door dit teken van Jezus' woord leiden naar wat Hij ermee wil betekenen: de liefde van het Vaderhart. Vol zorg en liefde voor mij.

 
"En de Heer sprak: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, al laat Hij hen wachten?"

Bidden is voeling hebben met het Hart van God. Geloven is weten dat je een "uitverkorene" van God bent: "Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen?" Maar Gods uitverkorene zijn wil niet zeggen, dat je niet meer hoeft te wachten op verhoring. Let maar eens op Jezus die toch Vaders Uitverkorene is: "Deze is mijn Zoon, de Uitverkorene", zo spreekt de Vader over zijn Zoon op de berg (9,35). Maar wat zeggen de mensen: "Anderen heeft Hij gered; laat Hij Zichzelf eens redden, als Hij de Messias van God is, de Uitverkorene?" (23,35) Blijkbaar kun je als uitverkorene van God best een bij de mensen verworpene zijn. God kiest zelfs bij voorkeur uit wat in de wereld niet in tel is: "Wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen" (1 Kor 1,27-29). Volgens Jakobus "heeft God de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben" (Jakobus 2,5).

 
"Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen."

Zo spoedig mogelijk. God ziet naar het ogenblik uit, dat Hij ons uit het lijden kan verlossen. Wanneer ik zo naar mijn leed zou kunnen kijken en naar het leed van anderen, dat God de Vader ernaar uit ziet om er zo spoedig mogelijk een eind aan te maken. Waarom doet Hij het dan niet? Omdat het leed ons van groter nut is dan de opheffing ervan: "Uw wederwaardigheden strekken tot uw verbetering" (Hebr 12,7). Het lijden zuivert, en maakt ons ontvankelijk om méér vreugde te kunnen ontvangen.

 
"Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?"

Hier draait Jezus het probleem om. Van de hulp van God is Jezus absoluut zeker. Maar niet zo zeker is het, of de mensen wel het geloof in God zullen bewaren. En als wij het vertrouwen in God opgeven en wij God afschrijven, dan kan God ons met zijn hulp ook niet bereiken: "Wegens hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen" (Mt 13,57).

Het eind van het gebed even zorgvuldig doen als het begin. Begin en einde zijn "riskante" situaties. Aan het einde riskeer je de vrucht van het gebed verloren te laten gaan. De beste manier om het gebed te besluiten is het houden van gesprekjes. Met Jezus die zelf "in de dagen van zijn sterfelijk leven onder luid geroep en geween gebeden en smekingen heeft opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden en om zijn vroomheid werd verhoord" (Hebr 4,7). En met de Vader. Mijn vertrouwen in Hem opnieuw uitspreken. Een Onze Vader bidden.

Na afloop een terugblik houden of reflexie:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen kreeg de houding van eigenmachtigheid de overhand op die van afhankelijkheid en armoede van geest.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar kreeg ik voeling met het Hart van God.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Heb ik met goede inzet gebeden, dan zal dit na afloop zijn spoor in me nalaten. Zelfs als het gebed zelf met veel verstrooiingen gepaard ging.