Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Derde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
12 Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen,
week Hij uit naar Galilea.
13 Met voorbijgaan echter van Nazaret
vestigde Hij zich in Kafarnaüm
aan de oever van het meer,
in het grensgebied van Zebulon en Naftali,
14 opdat in vervulling zou gaan
het woord van de profeet Jesaja:
15 "Land van Zebulon, land van Naftali,
liggend aan de zee, Overjordanië:
Galilea van de heidenen!
16 Het volk dat in de duisternis zat,
heeft een groot licht aanschouwd;
en over hen die in het land
van doodse duisternis gezeten waren,
over hen is een licht opgegaan."
17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen:
"Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij."
18 Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield,
zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd,
en diens broer Andreas.
Zij waren bezig het net uit te werpen in het meer;
het waren namelijk vissers.
19 Hij sprak tot hen:
"Komt, volgt Mij;
Ik zal u vissers van mensen maken."
20 Terstond lieten zij hun netten in de steek
en volgden Hem.
21 Iets verder zag Hij nog twee broers,
Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en diens broer Johannes:
met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot
de netten aan het klaarmaken.
Hij riep hen,
22 en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter
en volgden Hem.
23 Jezus trok rond door geheel Galilea,
terwijl Hij als leraar optrad in de synagogen,
de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk
en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.
Matteüs 4, 12-23

Vóórdat het volk in de duisternis het grote Licht, het Licht der wereld, aanschouwde, ging er een lange tijd van wachten en smachten vooraf. Het Galilea der heidenen heeft heel wat moeten afzien, voordat over haar het Licht is opgegaan. Niet te snel willen beginnen. Eerst de instelling verzorgen: mijn geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats van het gebed blijven staan om me Gods tegenwoordigheid bewust te maken. Want Jezus is het licht waardoor God ons kan zien. Hij ziet ons weer staan. Hij ziet ons graag. Ik kan mijn ontvankelijkheid voor zijn liefde vergroten door een gebaar te maken van eerbied en wederliefde.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, een houding waarin ik vermoed Hem het beste te kunnen vinden, om Hem een zo groot mogelijke kans te geven. Dat is weer afhankelijk van mijn innerlijke houding van bereidheid Hem te willen dienen zoals Hij dat verdient, namelijk met heel mijn leven. Ik kan die bereidheid vergroten door Hem dat als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De laatste voorbereidingen betreffen Jezus Christus zelf, in wie het Rijk der hemelen in eigen Persoon onder ons is gekomen. Om binnen te gaan in zijn geheim, kunnen we niet beter doen dan binnengaan in zijn geschiedenis en dat is hier: de keuze van Galilea als uitwijkplaats voor het onveilige Judea. Verder horen we het thema van Jezus' prediking: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij." En tenslotte maakt Jezus een begin met het Rijk der hemelen op aarde door de roeping van zijn eerste leerlingen. Via de kerk loopt de geschiedenis van Jezus door tot in onze dagen. In de kerk toont God zijn verknochtheid aan de mensen, een verknochtheid even groot als aan zijn eigen Zoon.

Als iets op onze aarde werkelijk geschied is, dan moet het ook ergens, op een bepaalde plaats geschied zijn. Ik doe het geheim van de menswording pas volledig recht, wanneer ik de plaats voor ogen stel: "bij het meer van Galilea... Het volk dat in duisternis zat". Eventueel kijk ik ook naar de Galilea's, de duistere plekken van de wereld nu of van mijn eigen leven of van mijn dierbaren.

Tenslotte vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, een kennis die mij kan motiveren om Hem na te volgen op de wijze van de eerste leerlingen.

 
Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.

Het begin van de blijde boodschap schijnt niet zo'n blij begin te zijn. Er is sprake van een arrestatie (Johannes de Doper) en Jezus slaat zelf op de vlucht: "Hij week uit" naar Galilea. In plaats van "gevangen genomen" staat in de oorspronkelijke tekst: "overgeleverd". Dat woord roept met dwingende kracht het lot op van Jezus, zijn noodlottig einde: "De Mensenzoon wordt overgeleverd" (26,45). En dat zou gebeuren door Judas, de overleveraar, de verrader. Waarom begint het evangelie met het ophalen van zulke onprettige herinneringen? Omdat het lot van Johannes en van Jezus, hun lot overgeleverd te zijn, in één lijn gezien wordt met de eigen werkelijkheid van de eerste christenen. Een kerk in vervolging heeft geen behoefte aan een mooi begin. Zij heeft eerder behoefte aan harde teksten, zoals: "Neemt u in acht voor de mensen. Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken en u geselen in hun synagogen" (10,17); "Dan zal men u overleveren om mishandeld te worden en men zal u doden" (24,9). Als je zelf in de gevangenis zit, dan zijn zulke woorden wél goed om te horen. Want dan zie je hoe Jezus van meet af aan één lijn heeft getrokken met ons. Het zou goed zijn die lijn nog wat door te trekken naar het eigen leven, naar situaties van overgeleverd worden: aan ziekte of slijtage, aan roddel of kwaadsprekerij, aan een geloofsvijandig milieu. Maar nu deze situaties niet beleven met zelfmedelijden of met opstandigheid of rancune, maar er mogelijkheden inzien zich te kunnen verenigen met Jezus, die zich verenigd heeft met ons.

 
Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: "Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan."

Dat Jezus in Galilea, in zo'n achtergebleven gebied, is begonnen, mag een zwakte-bod lijken, maar het was wel in overeenstemming met de profeet Jesaja. Er wordt dus groot gezag bijgehaald om Jezus' keuze voor zo'n achtergebleven gebied te rechtvaardigen. God staat er achter, dat Jezus opkomt voor de mensen van de tweede rang. In Jezus openbaart God zijn voorkeur voor de kleinen en zwakken. Waar voel ik me klein en zwak? En hoe ga ik daarmee om? Heeft dat al een christelijk, op Jezus geïnspireerd waarmerk?

 
Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: "Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij."

"Bekeert u." Dat zijn harde woorden. Je denkt vooruit te gaan? Je gaat achteruit! Keer je dus om! Je denkt ergens iets van af te weten? Je weet helemaal niets! Het lijkt gewoon nergens naar! Begin maar weer helemaal vooraan! Zoiets verdraagt een mens niet, tenzij hij hoort wat erop volgt: "want het Rijk der hemelen is nabij." Alles hier op aarde wordt volkomen onbelangrijk, vergeleken bij het Rijk der hemelen, dat zich baan breekt in Jezus. Hijzelf is gewoon het einde. Wat betekent het dan nog, dat je helemaal aan het begin staat! Al het voorafgaande werd in zijn licht louter voorafschaduwing. Wat geeft het dan, als je moet toegeven, dat je zelf één en al duisternis bent?

 
Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd, en diens broer Andreas.

Jezus "zag twee broers, Simon en... Andreas" ..."iets verder gaande zag Hij nog twee broers." Maar Jezus leeft. Dus gaat Hij door met zien. Hij ziet dus ook mij, nu. Nooit val ik buiten zijn levende aandacht. Momenten van menselijke eenzaamheid worden me geschonken om me op het spoor te brengen van de liefdevolle aandacht die Jezus voor me heeft. Liefdevol? Ja, want bij een andere roeping staat het erbij hoe Jezus dan kijkt: "Toen keek Hij hem liefdevol aan" (Mc 10,21). Mij nu door Jezus laten beminnen door zijn oog liefdevol op mij te laten rusten. Deze liefde mijn hart laten binnenstromen en ze weer laten uitstromen naar mijn naasten toe. Dat noemen ze bij christenen naastenliefde: de naasten beminnen met de liefde van Jezus.

 
Zij waren bezig het net uit te werpen in het meer ... zij waren in de boot de netten aan het klaarmaken.

Simon en Andreas, Jakobus en Johannes zijn druk bezig. Ze zijn in volle actie. En midden in hun werk komt Jezus hen roepen. Ongelegener kan het niet. Waarom niet een ander moment uitgezocht? Aan het moment dat Jezus voor zijn roeping uitkiest, kun je al zien dat het God is die roept: Iemand die zich niet laat inpassen in het menselijk ritme van werken en rusten, van gelegen en ongelegen.
God alleen kan dingen vragen die geen mens ter wereld zou durven vragen: dat een moeder weggenomen wordt uit een gezin met jonge kinderen, dat iemand jong sterft, dat er zieleletsels komen aan weerloze kinderen, dat hele volkeren worden gedompeld in armoede, onderdrukking, oorlog enzovoort. Misschien is mij zelf ooit zoiets overkomen. Heb ik Hem dat kwalijk genomen? God durft veel te vragen, maar Hij geeft ook altijd de kracht om het te dragen, tenminste als je het bij Hem wilt zoeken. Hij geeft ons zijn eigen Zoon erbij. Ook aan zijn leerlingen:

 
Hij sprak tot hen: "Komt, volgt Mij" ... "en zij volgden Hem" ... Hij riep hen ... en zij volgden Hem.

Jezus roept tot navolging, dat is tot gemeenschap met Hem, om heel het leven met Hem te delen. Hij roept dus nooit alleen om iets te dóen, in de kerk (bijvoorbeeld mensenvissers-zijn) of in de samenleving, maar allereerst om met Hem samen te zijn en gemeenschap te vormen: "Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen" (Mc 3,14). Daartoe roept Jezus iedereen, ook mensen die nog niet of niet meer kunnen werken. Iedereen hoort er echt bij, zoals kinderen van een gezin. Het enige "werk" dat iedereen moet opbrengen, dat is het geloof, dat God hem zo aanneemt. Tot dit geloof wordt iedereen "geroepen". Voel ik mij door Jezus geroepen? Voel ik me bij Hem horen?

 
Terstond lieten zij hun netten in de steek... en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter.

Dat zij Jezus terstond volgden, daarin bestaat de verlossing. Tegenover de ongehoorzaamheid van Adam en Eva staat de onmiddellijke volgzaamheid van de eerste leerlingen van Jezus. Ze moesten er wel heel wat voor laten. Of liever: zij moesten er alles voor laten. Maar zij kregen er ook wat voor terug: Jezus die zelf alles achter zich laat. De gehechtheid aan Hem is de ziel van de onthechting. Heb je moeite je iets te ontzeggen? Bid, verenig je met Hem.

Niet mijn gedachten zouden het laatste moeten zijn van het gebed, maar Hij. Daartoe helpt het om het gebed te besluiten met gesprekjes met de personen die in het evangelie voorkwamen: met de leerlingen die zo pas geroepen werden, met Jezus, die zelf ook geroepen werd, namelijk door de Vader. In de gesprekjes het contact laten prevaleren boven de woorden, de gedachten. Besluiten met een Onze Vader. Langzaam en eerbiedig, zodat de gebedservaring kans krijgt de woorden op te laden.

Onmiddellijk na het gebed doet zich een goede gelegenheid voor om de geesten te onderscheiden die mijn leven plegen te bepalen. Want ook al zijn die geesten ook buiten het gebed aan het werk, tijdens het gebed doen zij zich, als wij dit edelmoedig en zorgvuldig doen, sterker gelden. In een terugblik of reflexie op het gebed kan men zich afvragen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Waar bleef ik met mijn gedachten aan vastzitten, terwijl Jezus mij riep om in het gebed bij Hem te zijn? Daar houdt mij een geest van ongehoorzaamheid tegen.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Bij welk woord was ik echt bij Hem? Daar kreeg de goede geest vat op mij, want niemand kan zeggen: "Jezus is de Heer, tenzij door de heilige Geest" (1 Kor 12,3).
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Zoals bij de eerste leerlingen het woord van Jezus beslag legde op heel hun leven, zo kan dat ook met woorden van Hem tijdens het gebed: ze veranderen mij na afloop. Zij blijven mij in hun ban houden.