Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 34 | toen zij vernamen dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. |
| 35 | vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: |
| 36 | wat is het voornaamste gebod in de Wet?" |
| 37 | "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. |
| 38 | |
| 39 | Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. |
| 40 | hangt heel de Wet en de Profeten." |
| Matteüs 22, 34-40 |
Ermee beginnen mijn geest te laten rusten bij Hem, zodat ik meteen op de golflengte van het gebed zit: buiten mij zelf, bij Hem. Het gebed is juist zoals de christelijke liefde: zelveloos, excentrisch, gericht op een ander, dé Ander.
Een paar passen voor de plaats van het gebed een ogenblik stil blijven staan en me Gods tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet en mij bemint, met geheel zijn hart, geheel zijn kracht en geheel zijn verstand. Zo mijzelf door Hem laten beminnen. Een gebaar maken van eerbied, want waaraan heb ik die liefde verdiend?
De houding van het gebed aannemen en in die houding om de genade vragen dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit. Aan mijn verlangen om mijn hele leven aan God kwijt te raken, kan ik de echtheid van mijn liefde jegens Hem aflezen.
Dit evangelie staat in de kontekst van een geheel van
strijdgesprekken dat in hoofdstuk 21 begint en met de strafrede
in hoofdstuk 23 eindigt. Jezus toont zich superieur aan zijn
vijanden en elk gesprek eindigt met een overwinning van Hem. Een
eventuele irritatie bij zijn superioriteit kan plaats maken voor
bewondering, als men bedenkt dat Jezus willens en wetens riskeert
dat Hij zijn overwinning met zijn eigen dood zal moeten bekopen.
In deze woorden beluisteren wij een liefde tot de dood toe.
Daarin beoefent Hij metterdaad wat Hij met zijn woorden preekt:
liefhebben met het hele hart.
Dit keer is het een wetgeleerde die het initiatief neemt. Maar de
vraag die hij stelt, is van alle tijden. Ik kan dus mee vragen en
zo wordt deze geschiedenis ook mijn geschiedenis.
De plaats is de tempel van Jeruzalem (21,23). Voor Jezus een plaats van dodelijke dreiging.
Ik kan de juiste draagwijdte van de woorden pas goed begrijpen, wanneer ik voeling heb met de persoon erachter. De inzet van het gebed is niet het doorgronden van teksten of het doorzien van een systeem, maar de kennis van en voorliefde voor een Persoon, Jezus Christus. Maar hoe zou ik die liefdevolle kennis van Hem kunnen krijgen, als ze niet aan mij geschonken wordt? Daarom vraag ik om de bijzondere genade van een innerlijke, smakende kennis van de liefde van Jezus' heilig Hart.
In die tijd kwamen de Farizeeën bijeen, toen zij vernamen
dat Jezus de Sadduceeën de mond gesnoerd had. En een van hen, een
wetgeleerde, vroeg Jezus om Hem op de proef te stellen: ...
Beproeving is de samenvatting van Jezus' leven: "Gij zijt het die
trouw zijt gebleven in mijn beproevingen" (Lc 22,28). Als Jezus
zijn leven overziet, dan ziet Hij blijkbaar één lange keten van
beproevingen. Zijn openbare leven begint met beproevingen, door
de duivel: "Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn
gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden" (4,1).
Zijn leven loopt uit op de grote beproeving. Dan moet Hij het
'uur' ondergaan, dan moet Hij proeven van de beker. Maar juist
door zijn beproevingen heeft Jezus ons gered: "Het lijden
waardoor Hijzelf beproefd werd, stelt Hem in staat hulp te bieden
aan allen die beproefd worden" (Hebr 2,18); "Hij heeft volkomen
dezelfde beproevingen gekend als wij, maar Hij heeft niet
gezondigd. Wij hebben geen hogepriester die niet in staat is mee
te voelen met onze zwakheden" (Hebr 4,15).
De beproeving haalt het mooiste en diepste in ons naar boven.
"Neem de beproevingen weg", zegt de monnikenwijsheid, "en niemand
wordt gered." We hoeven niet bang te zijn voor de beproevingen: "Want gij staat
aan geen enkele beproeving bloot die de menselijke maat
overschrijdt. En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat gij
boven uw krachten beproefd wordt. Mét de beproeving bepaalt Hij
al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan" (1 Kor 10,13).
Hij antwoordde hem: "Gij zult de Heer uw God beminnen met
geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand."
Als Jezus op de proef wordt gesteld, kunnen wij iets bijzonders
verwachten. Allereerst een bijzondere nederigheid. Jezus is
bescheiden: Hij leert niet zijn eigen wijsheid, maar de wijsheid
van zijn Vader. Hij verzint niet zelf iets. Wat Hij zegt, is
Schriftcitaat. Het ene over het eerste gebod stamt uit het boek
Deuteronomium (6,5) en het tweede uit het boek Leviticus (9,18).
De hoogste wijsheid vindt Jezus in dezelfde bron als waaruit wij
nog steeds putten. Jezus leeft uit de Schrift. Wij leven uit de
Schrift. Zo groot is de Schrift, dat Jezus zelf daaruit het
voedsel putte voor zijn eigen leven en voor zijn onderricht.
Het eerste gebod? Dat je geen grens mag stellen aan je hart. Onze
levensregel in onze verhouding met God: de doorbreking van alle
regels, de overschrijding van alle grenzen die onze zelfzucht zou
willen stellen. Dat zegt iets over wie God is: niet vreeswekkend,
niet koud en koel, maar warm en beminnenswaardig: het hoogste
Goed, de opperste zaligheid, een nooit teleurstellende minnaar,
volmaakt onzelfzuchtig, onbaatzuchtig. Hij laat zich in
edelmoedigheid niet overtreffen. Hij is vrijgevig. Wie God
bemint, raakt als het ware in een stroomversnelling. Hij wordt
opgenomen in een beweging waaruit hij zich niet meer los kan
maken: "Naarmate men echter voortgang maakt in het monniksleven
en in het geloof, verruimt zich het hart en snelt men met een
onuitsprekelijk blije liefde voort langs de weg van Gods geboden"
(regel Benedictus, proloog 49).
Dit gebod zegt ook iets over ons, over de verborgen mogelijkheden
van ons eigen hart. Wij hebben een aanleg om de Oneindige te
beminnen:
"Alle dingen syn mi te inge, ik ben so wyt" (Middeleeuwse
mystica);
"Onrustig is ons hart, tot het rust vindt in U" (Augustinus);
"Mijn God en mijn Al" (Franciscus van Assisi);
"God alleen is genoeg" (Teresia van Avila).
"Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste
beminnen als uzelf."
Het eerste wat er is, het eerste gebod, is de liefde tegenover
God en Jezus Christus als antwoord op zijn liefde; en de liefde
voor de mensen ontspringt daaraan als aan haar krachtbron. Je
moet het eerste en het tweede gebod niet tegen elkaar uitspelen;
niet zeggen: als het tweede toch gelijk is aan het eerste, hoef
ik me ook om dat eerste gebod niet zo te bekommeren. Nee, het
tweede gebod blijft het tweede, niet het minder voorname, maar
wel het tweede in de volgorde van ontstaan. De liefde tot de
mensen ontspringt aan de liefde tot God: het leren kennen van
God schept nieuwe krachten tot beminnen, een nieuwe openheid, een
nieuwe diepte.
Zo is het bij de mensen: eerst wordt de baby bemind. Dan
pas kan de baby zelf beminnen. Zo is het ook bij Jezus: "De Vader
heeft de Zoon lief" (Joh 3,35); "De Vader toch heeft de Zoon
lief" (Joh 5,20); "En een stem uit de hemel sprak: Dit is mijn
Zoon, mijn veelgeliefde, in Wie Ik welbehagen heb" (3,17); "Nog
had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen
en uit die wolk klonk een stem: Dit is mijn Zoon, de Welbeminde,
in wie Ik mijn behagen heb gesteld" (17,5).
Dat er zoiets in je leven is: een liefde, iemand van wiens liefde
je zeker bent, in wiens genegenheid je je mag verheugen, zodat je
ergens ankers hebt, een thuis, zodat je het niet zo nodig vindt
om almaar op drift te zijn van de ene prestatie naar de andere,
van het ene contact naar het andere en dat je voortdurend mensen
om je heen moet hebben bij wie je bevestiging zoekt. Als je Hem
hebt of liever als Hij ons heeft, dan geeft je dat een
levensvervulling waardoor je veel kunt ontberen, een zekere
onbekommerdheid om je zelf, waardoor het je gemakkelijker afgaat
je om anderen te bekommeren.
Eigenlijk is er in de heilige Schrift helemaal niet zoveel sprake
van, dat wij God moeten liefhebben, maar eerder dat God van ons
houdt: "Niet gij hebt Mij uitverkoren, maar Ik u" (Joh 15,16);
"Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad" (1
Joh 4,10); "God echter bewijst zijn liefde voor ons juist
hierdoor, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog
zondaars waren" (Rom 5,8).
Dan krijg je ook een heel ander soort naastenliefde. Als je je
liefdegevoelens voor de ander laat inspireren door de
liefdegevoelens van Jezus, dan krijgt je liefde een ander
gehalte: minder egocentrisch, minder op je zelf betrokken zoals
bijna alle gewone vriendschapsliefde toch blijft: geven en nemen,
ik bemin en geef om op mijn beurt bemind te worden en terug te
krijgen: "Als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon
hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde?" (5,46)
Onze christelijke, dat wil zeggen op Christus geïnspireerde
naastenliefde krijgt dan iets van onze Godsliefde: iets
totalitairs: "met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw
verstand"; "Weest volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt
is" (5,48). Dat wil zeggen: niet een louter ethische
volmaaktheid, maar een voorbehoudloze, grenzenloze liefde.
Niet zakelijk eindigen, maar persoonlijk. Met gesprekjes. Met Jezus zoals vrienden onder elkaar: "Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. Gij zijt vrienden, als gij doet wat Ik u gebied" (Joh 15,15). Met de Vader die "zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft" (Rom 8,32). En Onze Vader bidden.
Na afloop van het gebed tot onderscheid komen van wat er
zich in mij beweegt: