Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Dertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
9 Met het oog op sommigen die,
- overtuigd van eigen gerechtigheid -
de anderen minachtten,
vertelde Jezus de volgende gelijkenis:
10 "Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden;
de een was een Farizeeër en de andere een tollenaar.
11 De Farizeeër stond met opgeheven hoofd
en bad bij zichzelf als volgt:
God, ik dank u dat ik niet ben als de rest van de mensen,
rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers,
of ook als die tollenaar daar.
12 Ik vast tweemaal per week
en geef tienden van al mijn inkomsten.
13 Maar de tollenaar bleef op een afstand
en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel;
maar hij klopte zich op de borst en zei:
God, wees mij, zondaar, genadig.
14 Ik zeg u:
deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere;
want al wie zich verheft zal vernederd,
maar wie zich vernedert zal verheven worden."
Lucas 18,9-14

Beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. In de overtuiging, dat ik mijn rechtvaardiging of heiliging met een gerust hart helemaal aan God kan overlaten. Verheffing van mijn geest tot God in het gebed mag geen zelfverheffing zijn, maar een verheven wórden door God. Bidden moet beginnen bij de nederige bekentenis van eigen onmacht om te bidden.

Bij de plaats van het gebed, staande een paar passen er vandaan, me Gods tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, genadig en barmhartig zoals Hij de tollenaar zag. Zoals de tollenaar zijn gebaar begeleidde met een gebaar, zo zou ik dat nu ook moeten doen, me klein maken voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik vrij kom voor alles wat er zich binnen in mij roert en beweegt (ook de schaduwzijde). Laat ik dat er niet zijn, dan ga ik mijn schaduw projecteren op anderen zoals de Farizeeër deed. In die houding vraag ik om de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis: samenleving en kerk worden bezet door goeden en kwaden. Dat is altijd zo geweest. Het zal wel altijd zo blijven. Maar voor Jezus is daarmee de zaak niet gedaan. De goeden, zijn die eigenlijk wel zo goed? En de kwaden krijgen nog een kans.
Elke mens bestaat uit een Farizeeër en een tollenaar. In het gebed nagaan waar ik de ene rol, waar ik de andere rol speel.

Ik stel me de plaats voor: de tempel. Maar ook de plaats in mij zelf waar ik niet kan bidden; het "niets" is mijn plaats. Daarin probeer ik me nu thuis te voelen.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis als de kleinste in het Rijk der hemelen, die zichzelf ontdaan heeft van alle grootheid en majesteit om gelijk te worden aan de mensen.

 
"... tot hen die - overtuigd van eigen gerechtigheid - de anderen minachtten... De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank U dat ik niet ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of ook als die tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten."

De Farizeeër liegt niet. Hij wordt afgewezen, niet omdat hij niet goed zou zijn, maar omdat hij zijn vertrouwen stelde op zichzelf: "Vertrouwend op zichzelf, (om)dat zij rechtvaardig zíjn." Omdat hij dit alles was en niet scheen te zijn, kwam hij in de verleiding zijn vertrouwen op zichzelf te stellen. Hij beging de zonde van de "sterken".
De man wordt afgewezen, omdat hij aan zélfrechtvaardiging doet: hij behoort tot "de rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben" (15,7), tot de rechtvaardigen die Jezus niet is komen roepen (5,32).
Waar ben ik zoals die Farizeeër? Onder mijn besef van zwakte en zondigheid zit wellicht nog een harde kern van zelfgenoegzaamheid, zelfverzekerdheid, zelfvertrouwen. Gevoelens van zelfverheffing leiden gewoonlijk een heimelijk bestaan. Maar ze steken de kop op, bijvoorbeeld wanneer iemand mij terechtwijst, mij vergeet, mij kleineert of commandeert of geen rekening houdt met mijn gevoelens. Dan kan ineens het kalme oppervlak van mijn gemoedsrust ruw door elkaar geschud worden door gevoelens van irritatie, agressie, woede. Dan komt de zelfverheffing aan het licht. Ik val uit de toon, uit mijn rol van Farizeeër. De ware nederige valt nooit uit de toon. Hij doet niet nederig. Hij ís het.
Nu zal ik proberen in mijn zwakte te gaan staan zoals de tollenaar en mijn volmaaktheid te zoeken in mijn vertrouwen op God alleen.

 
"Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij klopte zich op de borst en zei: God, wees mij, zondaar, genadig."

We moeten van de tollenaar niet een goed mens maken, in de geest van: ruwe bolster, blanke pit, en: ze hadden wel iedereen tegen zich, maar Jezus was voor hen... dus eigenlijk zijn ze goed. Als we zo denken, draaien we de werkelijke verhoudingen op zijn kop en dan zien we niet hoe Jezus alles op zijn kop zet.
Als er in het evangelie gescholden wordt, dan wordt iemand uitgemaakt voor nóg erger dan tollenaars en ontuchtige vrouwen (Mt 21,31-32). Tollenaars horen dan ook buiten de gemeenschap, buiten het volk, buiten de kerk: "Wil hij ook naar de kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar" (Mt 18,17).
De volmaakteling die ik ergens ben, houdt zijn zonden in zijn geest op een afstand. Er gaapt een kloof tussen de rechtvaardige in mij en de zondaar. Dat is levensgevaarlijk. Onze geest is wel gewillig, maar ons vlees is zwak.
Op dezelfde manier zie ik buiten mij de 'slechte' mensen door een onoverbrugbare kloof gescheiden van de 'goeden'. Maar zo doet Jezus niet. Jezus gaat met zondaars om, om er leerlingen van te maken. Mensen geloven dat niet. Ze zijn teleurgesteld in zichzelf: ik word nooit anders. Dat projecteren zij op anderen: die tollenaars (zondaars) worden toch nooit anders. Dat is het wat de Farizeeën niet kunnen zetten: dat de zondaars bij Jezus nog een kans krijgen en langs die weg tot heiligen kunnen uitgroeien.
Nu proberen te zien hoe we allemaal in hetzelfde schuitje zitten, broederlijk en zusterlijk verbonden in de zonde en in het overgeleverd-zijn aan Gods genade.

 
"Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere; want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden."

De rechtvaardige wordt niet vrijgesproken, de onrechtvaardige wel. Is al het goede dat wij doen, niet belangrijk meer? Moeten we er dan maar op los leven? Nee, al het goede dat wij doen, heeft zijn waarde, tenminste zolang wij het doen in het besef van onze overgrote zwakte, waardoor wij niets kunnen tenzij door zijn hulp.
En wanneer wij tekort schieten, dan is één ding nog belangrijker: het besef dat God genadig is. Dat kan alles goedmaken. Nu mij overgeven aan Gods barmhartigheid.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus, Hem die "geen zonden heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden" (2 Kor 5,21). En met de Vader die verantwoordelijk is voor het verheffen en vernederen. Bij Hem mijn hart uitstorten. Een Onze Vader bidden.

Een terugblik houden of reflexie waardoor ik me zelf beter leer kennen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen zijn eigenlijk een soort dagdromen waarin ik in monoloogvorm met mij zelf aan het woord ben.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar gebeurde er zoiets als "verheven worden"?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?