Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Eenendertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 In die tijd sprak Jezus tot het volk
en tot zijn leerlingen:
2 "Op de leerstoel van Mozes
hebben de schriftgeleerden
en de Farizeeën plaats genomen.
3 Doet en onderhoudt daarom alles
wat zij u zeggen,
maar handelt niet naar hun werken;
want zelf handelen ze niet naar hun woorden.
4 Zij maken bundels van zware,
haast ondraaglijke lasten
en leggen die de mensen op de schouders,
maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken.
5 Alles wat zij doen,
doen zij om bij de mensen op te vallen;
zij maken immers hun gebedsriemen breed
en hun kwasten groot;
6 ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden
en de voornaamste zetels in de synagogen;
7 ze laten zich graag groeten op de markt
en willen door de mensen 'rabbi' genoemd worden.
8 Maar gij moet u geen rabbi laten noemen.
Gij hebt maar één Meester
en gij zijt allen broeders.
9 En noemt niemand van u op aarde 'vader';
gij hebt maar één Vader, de hemelse.
10 En laat u ook geen 'leraar' noemen;
gij hebt maar één leraar, de Christus.
11 Wie de grootste onder u is,
moet uw dienaar zijn.
12 Alwie zichzelf verheft, zal vernederd
en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden."
Matteüs 23, 1-12

Eerst mijn gesteltenis verzorgen. Bidden moet je doen zoals je bent, vanuit wat je ten diepste bent, dus los van wie je bent voor de mensen, los van wat je bent in je eigen ogen, door je werk, je eigenschappen. Het gaat erom te zijn wie je bent voor Hem. Daarom eerst je geest wat laten rusten bij Hem van wie ik geheel en al afhankelijk ben, tot in mijn bestaan toe. Ik hoef daar niets voor te doen. Dat bén ik. Zíjn schepsel.

Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden, staande me zijn aanwezigheid bewust maken, zien hoe Hij mij ziet en hoe ik bij Hem een "ereplaats" heb. In dit besef maak ik een gebaar van eerbied; ik verneder mij voor Hem.

Ik neem de houding aan van het gebed, de houding die mij het meeste helpt om de innerlijke grondhouding van een schepsel tegenover zijn Schepper en Heer te schragen en te voeden. Maar ik ben pas helemaal in de juiste houding tegenover God, wanneer bij mij het verlangen leeft, dat ik Hem niet alleen in dit gebedsuur, maar ook met mijn hele leven zou willen dienen. Daarom vraag ik dat als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu bereid ik mij erop voor om de ontmoeting aan te gaan met de Zoon van God, in zijn mensgeworden gestalte, in wie de Vader zijn geheimste gevoelens jegens ons heeft uitgedrukt. Eerst de geschiedenis in het kort overzien: Jezus is al in Jeruzalem. Daar laat Hij het doelbewust tot een openlijke confrontatie komen met de religieuze leiders van het volk. Hij stelt hun boosheid en schijnheiligheid aan de kaak. Daarmee bezegelt Hij zijn eigen doodvonnis. Hij verhaast daardoor zijn dood die Hij allang heeft voorzien en voorspeld. Want daarin zag Hij de vervulling van zijn zending. Bij wat ik nu lees, moet ik voor ogen houden, dat Jezus dit alles heeft gezegd met een nietsontziende moed of liever met een onvoorwaardelijke liefde, een liefde tot in de dood.

Het is gemakkelijker om in persoonlijk contact met Jezus te blijven, wanneer ik Hem ergens zie op een bepaalde plaats. Hier is dat de tempel: "Hij ging naar de tempel" (21,23; zie ook: 24,1). Ik kan ook mijn eigen geestelijke plaats zien: mijn plaats tussen de mensen, groot en klein, maar vooral mijn plaats voor God.

Mijn eigen plaats kan ik pas goed zien, wanneer ik Jezus leer kennen, die zelf gekomen is om te dienen. Daarom vraag ik nu om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, die mij ertoe mag brengen om mijn grootheid te mogen zien in de zelfvernedering van de dienstbaarheid.

 
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: "Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken."

Aan anderen lasten opleggen, ascetische of religieuze, dat komt tegenwoordig wel minder voor. Maar daar zijn wel andere lasten voor in de plaats gekomen, maatschappelijke verplichtingen, dat je je politiek zus of zo moet opstellen, dat je dit of dat gelezen moet hebben, dat je zus of zo moet denken, wil je nog meetellen en voor vol worden aangezien. Allerlei soorten van onverdraagzaamheid en discriminatie. Die lasten worden niet met even zoveel woorden opgelegd, maar wel als vanzelfsprekend verondersteld. Daardoor oefenen zij een des te sterkere macht uit op de geesten. Wat ook veel voorkomt is, dat mensen zichzelf allerlei lasten opleggen, vormen van prestatie-dwang, perfectionisme, zich willen waarmaken. Wat moet er voor mij perse zo nodig? En wat mag er van mij beslist niet? Waarin ben ik niet vrij? Waarin ga ik gebukt onder een door mijzelf of door anderen opgelegd juk? Waar heb ikzelf of hebben anderen het vaderschap van God overgenomen, zodat ik heb ingeboet aan de vrijheid van de kinderen van God? (Rom 8,21).

 
"Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot; ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen; ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen 'rabbi' genoemd worden."

Doordat mensen niet God vader laten zijn, maar het vaderschap van God overnemen, beginnen zij ten opzichte van elkaar allerlei vormen van tirannie en willekeur uit te oefenen. Doordat zij de 'innerlijke eer' van een goed geweten verwaarlozen, gaan zij de 'uiterlijke eer' cultiveren.

 
"Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar één Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde 'vader'; gij hebt maar één Vader, de hemelse. En laat u ook geen 'leraar' noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden."

Jezus verbiedt niet zozeer dat er titels zijn, maar dat men er zich op laat voorstaan. We moeten dit verbod opvatten in de geest van het verbod om bezorgd te zijn: "Weest niet bezorgd" (6,25). Dat betekent niet, dat je niet mag zorgen, maar alleen dat je niet zo moet zorgen, dat je het bewustzijn kwijtraakt, dat God ook zorgt. Je moet zo met je titel omgaan, dat je innerlijk voeling blijft houden met het vaderschap van God en het leraarschap van Christus.

Nederigheid is iets anders dan bescheidenheid. Bescheidenheid is een sociale deugd: je plaats weten in het sociale verkeer, je niet opdringen enz. Maar je plaats weten tussen de mensen kan heel goed samengaan met hoogmoed tegenover God. Nederigheid is een houding tegenover God. De houding van het schepsel dat weet dat het uit zichzelf niets is, omdat het uit het "niets" is geschapen, en dat alles wat het is en heeft, te danken heeft aan zijn Schepper en Heer. Doordat christenen die gesteltenis van de Zoon hebben geleerd, worden ze voor elkaar broeders en zusters. De onderlinge verhouding onder christenen vloeien voort uit hun verhouding ten opzichte van God en Christus. Tegen de achtergronden van die fundamentele gelijkheid ten opzichte van elkaar komen alle onderscheiden van hoog en laag op de tweede plaats. Ik kan mij nu oefenen in de nederigheid door mij te stellen op de plaats van het schepsel; bovendien verlost door het kostbaar Bloed van Christus.

Langzaam eindigen door gesprekjes te voeren met Jezus, die zelf tot een leerling is geworden (Jes 50,4-5), de Dienaar van God. Me door Jezus mee laten nemen in zijn gerichtheid naar de Vader. Bij de Vader zeggen wat mij in het hart opkomt. Een Onze Vader.

Nu kan ik wat tijd vrijmaken voor de onderscheiding door in een soort terugblik of reflexie na te gaan door wat voor soort geesten ik me heb laten leiden

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen brengen mij af van mijn bewuste verbondenheid met God. Het is goed ze zich bewust te maken. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar heb ik iets ondervonden van de "glorierijke vrijheid van de kinderen Gods?" (Rom 8,21)
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?

Zij willen door de mensen 'rabbi' genoemd worden