Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Een en dertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Jezus ging nu Jericho binnen.
Terwijl Hij er doorheen trok
2 poogde een zekere Zacheüs,
hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man,
3 te zien wie Jezus was.
Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte,
want hij was klein van gestalte.
4 Om Hem toch te zien liep hij hard vooruit
en hij klom in een wilde vijgeboom
omdat Jezus daar langs zou komen.
5 Toen Jezus bij die plaats kwam
keek Hij omhoog en zei tot hem:
"Zacheüs, kom vlug naar beneden,
want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn."
6 Zacheüs kwam snel naar beneden
en ontving Hem vol blijdschap.
7 Allen zagen dat en merkten morrend op:
"Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!"
8 Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak:
"Heer, bij deze schenk ik
de helft van mijn bezit aan de armen;
en als ik iemand iets afgeperst heb
geef ik het hem vierdubbel terug."
9 Jezus sprak tot hem:
"Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen,
want ook deze man is een zoon van Abraham.
10 De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken,
en om te redden wat verloren was."
Lucas 19,1-10

Eerst de geest laten rusten bij Hem. Me laten verlossen uit mijn eenzelvigheid zoals Zacheüs deed. Eerst was hij alleen. Toen samen met Jezus.

Aangekomen bij de plaats van het gebed, een paar passen er vandaan, omhoog kijken, zien hoe Hij mij ziet, zoals Hij Zacheüs zag: "Toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij omhoog..." Zijn blik beantwoorden door me klein te maken voor Hem in een gebaar van aanbidding.

Dan het gebed ingaan, liggend, zittend of geknield, in de houding waarin ik denk Hem het meeste te vinden. Niet bewegen zodat ik ervoor vrij kom om op te merken of en hoe ik bewogen wórd door Hem. Passief willen zijn, gevoelig voor zijn activiteit. Niet zijn eigen initiatief en activiteit (hard vooruitlopen, in een boom klimmen) bracht de ontmoeting met Jezus tot stand, maar alleen zijn ontvankelijkheid voor Jezus' uitnodiging. In het gebed heeft Jezus het initiatief.
In deze gebedshouding vraag ik als een genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis voor de geest halen: het is een bekeringsgeschiedenis. Eerst de actie van de nog onbekeerde Zacheüs. Dan de actie van Jezus die in Zacheüs het antwoord schept: Jezus vol blijdschap ontvangen en zich van al het andere onthechten.

Ik stel me de plaats voor waar dit geschiedde om er zo nog dichter bij te komen: de plaats van Zacheüs vóór zijn bekering: hoog in de boom. Ná zijn bekering: laag, samen met Jezus, voorwerp van het gemor van "allen". Ook kan ik me de situaties te binnen brengen waar ik mezelf klein heb gevoeld of nog voel. Daar wil Jezus me ontmoeten.

Dat vraag ik dan ook als de bijzondere genade: dat ik Christus onze Heer mag leren kennen met een innerlijke of smakende kennis die me doet omkeren van een geïnteresseerde buitenstaander tot een bekeerde volgeling.

 
"Jezus ging nu Jericho binnen. Terwijl Hij er doorheen trok, poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, te zien wie Jezus was."

In hem onszelf herkennen: wij zijn een Zacheüs, tollenaar, precies het tegenovergestelde van wat wij evangelisch noemen: rijk, machtig, uitbuiten van zwakken, in dienst van de bezettende macht, in dienst van heidenen. Deze onevangelische figuren nemen vreemd genoeg in het evangelie de eerste plaats in: "Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden" (3,12). Zacheüs is bepaald geen uitzondering. Eén van zijn leerlingen is een tollenaar: "Daarna ging Hij naar buiten. Bij het tolhuis richtte Hij zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem: Volg Mij. De man stond op, liet alles achter en volgde Hem."
Jezus schijnt er bepaald niet bang voor geweest te zijn om samen met tollenaars op de foto te staan: "Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen." Let wel: "onder anderen!" De anderen zijn het vermelden niet waard. Want: "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen, opdat ze zich bekeren." Daarvoor komt Hij steeds weer opnieuw. Aan zijn omgang met de tollenaars heeft Jezus zelfs een scheldwoord overgehouden: "die vriend van tollenaars en zondaars" (7,34).
Dat zou een goede titel kunnen zijn om me te binnen te brengen, als ik opzie tegen zondenbelijdenis. Wat doe ik met mijn schuld? Verdringen?

 
"Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte."

Waar ben ik klein? Zonder die vereenzelving lukt de overweging niet, kan Jezus niet bij mij binnenkomen. Dan lees ik alleen maar, dat Jezus bij Zacheüs binnenkomt. Daar kan ik ook over nadenken. Maar dan blijft het teveel buiten me staan. Hij kan pas bij me komen, als ik me zelf echt klein heb geweten. Al was het maar klein in de onmacht om te bidden. Waarin hebben ze me ooit klein gemaakt of klein gekregen of gekleineerd of misschien voel ik me alleen maar zo? Ik kan ook op zoek gaan naar onze gezamenlijke onmacht, in de kerk, in de samenleving.

 
"Om Hem toch te zien, liep hij hard vooruit en hij klom in een wilde vijgeboom, omdat Jezus daar langs zou komen. Toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij omhoog en zei tot hem: Zacheüs, klim vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn. Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap."

Waarom moest de Heer dat zo nodig? Waarom moet Hij bij ons komen? Had Zacheüs misschien tevoren contact met Jezus gehad? Het evangelie zegt ons er niets over. De komst van Jezus was gratis, een genade. Jezus vraagt niet. Dan zou toch weer de instemming van Zacheüs een rol spelen. Hij beveelt, souverein. Dat "moeten" is een goddelijk moeten, een goddelijke heilswil, die de grond is van al Jezus' heilswerken. Het initiatief gaat van Hem uit, alleen omdat Hij het wil. En om die souvereiniteit van de genade nog eens extra te onderstrepen, neemt Hij zijn intrek bij een zondig mens: "Alleen het besluit van Gods uitverkiezing geldt, onafhankelijk van menselijke daden, slechts afhankelijk van Hem die roept" (Rom 9,12). En nu de reactie van de mensen:

 
"Allen zagen dat en merkten morrend op: Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!"

Zo morren er ook onder ons: Zijn wij hier in het Westen niet veel te rijk of te zondig, te decadent om ons met God in te laten of om ons te verbeelden dat God zich met ons inlaat? Zouden wij niet liever weggaan of wegblijven uit het gebed en de mensen wegsturen zoals de leerlingen destijds wilden: "Stuur de mensen weg; dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak (=herberg) te vinden, want hier zijn we op een eenzame plaats" (9,12).
Zo zijn de mensen. Maar God is anders: Hij blijft niet weg en Hij stuurt niet weg. Want wat Zacheüs deed voor Jezus, bij hem zijn intrek laten nemen, dat doet Jezus voor ons: onderdak verschaffen. Want zoiets zoekt Jezus ook voor de eucharistie: "De Meester laat vragen: waar is de zaal (onderdak) waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?"
Dus Jezus trekt het huis van Zacheüs binnen zoals Hij later de zaal van het laatste avondmaal zal binnentrekken. Daarom gebruikt Hij ook dat woordje "moeten": "vandaag moet Ik..." Dat woordje "moeten" gebruikt Jezus altijd in verband met zijn einde en wat Hem dat kost: "De Mensenzoon... moet veel lijden en door de oudsten... verworpen worden"... "Eerst moet Hij veel lijden en door dit geslacht verworpen worden." Waarom moest Jezus dus zo nodig het huis van Zacheüs binnengaan? Omdat Hij het mindere moet. Hij treedt het huis van Zacheüs binnen als zijn graf. Hij delft er zijn eigen graf mee. Het wekt de agressie van de mensen. Daaraan zal Hij te gronde gaan, maar daardoor ook zal Hij ons zijn leven geven. Het kost Hem zijn hartebloed. En daarvan leven wij.

 
"Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: Heer, bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug."

Dit lijkt een groots gebaar. En ergens is het dat ook. Maar behalve antwoord op de genade is dit antwoord zelf ook weer genade. Opvallend is, dat Zacheüs zich door dit gebaar kleiner wil maken. In de aanwezigheid van de arme Jezus die hem zo liefdevol tegemoettreedt, kan hij er gewoon niet meer langs om zich ook zelf kleiner en armer te maken. Langs deze weg kan de gerechtigheid groeien in de wereld: wanneer de rijken zich bekeren tot Jezus, ontstaat er in hen een verlangen om zich van overtollige en onrechtvaardig vergaarde rijkdom te ontdoen en weg te geven aan de armen. Zo kunnen er in elke gemeenschap betere verhoudingen groeien. Wanneer er iets ontstaat tussen Jezus en mezelf, een goede band van vriendschap, dan kan ik me het veroorloven om meer aandacht te schenken aan anderen en dan ga ik het minder erg vinden, als ik zelf minder aandacht krijg van anderen.

 
"Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham." "Heil" is letterlijk: "redding". Maar zijn redding bestaat in de vereniging met de Heilbrenger, met Jezus. Dat is het eigenlijke. Het goede werk is maar de top van de berg van genade die tot ons gekomen is. Die berg is Jezus zélf: "Mijn ogen hebben thans uw heil gezien", zegt Simeon, toen hij Jezus zag. En de engel zegt tot de herders: "Heden is u een redder geboren, Christus de Heer." Ik hoef me met zoveel genade niet de mindere te voelen van Zacheüs.

 
"De Mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was."

Jezus wil hiermee zoveel zeggen als: jullie kunnen er wel bezwaar tegen maken, dat Ik Me met zondaars inlaat, maar als je maar wél weet: dat is mijn zending. Daar ben Ik voor gekomen. Zonder dat is mijn zending waardeloos. Jezus staat er dus met zijn volle gewicht achter. God zij dank.

Nu mijn hart openen voor de arme, kleine Jezus met zijn grote Hart. Een gesprekje voeren met Hem, in de eenvoud van mijn hart. Hem vragen dat Hij me veilig naar de Vader brengt. Hij is het van Wie Jezus "moet", bij ons te gast "moet" zijn. Een Onze Vader bidden, langzaam en eerbiedig.

Dan nagaan in hoeverre het evangelie aan mij is geschied en in hoeverre ik geblokkeerd was. Aan de hand van reflexie-vragen:

  1. Waar was ik, toen ik niet bij Hem was? Op die terreinen ben ik de gevangene van mij zelf. Daar liggen mijn rijkdommen. Of daar liggen de kleineringen die ik niet accepteer.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Zoiets als er bij Zacheüs gebeurde, toen blijdschap hem vervulde en van zijn bezittingen begon uit te delen. Waar werd ik geraakt door Jezus en hoe?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dit geeft de diepte aan van het gebedscontact.