Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet. |
| 2 | de andere vijf verstandig. |
| 3 | maar geen olie; |
| 4 | tevens kruiken olie mee. |
| 5 | dommelden zij allen in en sliepen. |
| 6 | Daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet! |
| 7 | en maakten hun lampen in orde. |
| 8 | Geeft ons wat olie, want onze lampen gaan uit. |
| 9 | Neen, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons en jullie samen. Gaat liever naar de verkopers en haalt wat voor jezelf. |
| 10 | kwam de bruidegom, en die klaar stonden, traden met hem binnen om bruiloft te vieren; en de deur ging op slot. |
| 11 | Heer, heer, doe open! |
| 12 | Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet. |
| 13 | want gij kent dag noch uur." |
| Matteüs 25,1-13 |
Ermee beginnen mijn zelfgenoegzaamheid te laten vallen door me bewust te maken van het laatste oordeel, uit te spreken door Jezus. Niet oordelen en vrij staan tegenover de oordelen van anderen, zelfs mijzelf niet willen beoordelen, maar het oordeel overlaten "aan Hem die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2,23). Zo mijn geest laten rusten bij Hem.
Een paar passen voor de plaats van het gebed staande de "waakzaamheid" beoefenen door me zijn tegenwoordigheid te binnen te brengen: zien hoe Hij mij ziet. Hij heeft van zijn kant zijn Hart aan mij verpand als een Bruidegom aan zijn bruid. Me zo bemind weten. In dit besef een gebaar maken van eerbied en aanbidding, me klein maken ten opzichte van Hem.
De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, in een houding van waakzaamheid en luisterbereidheid, me openstellend voor de woorden van mijn Bruidegom. In die houding vraag ik om de genade dat mijn hele leven getekend mag zijn door deze luisterhouding, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Daarna ga ik het geheim binnen dat mij ter overweging wordt voorgehouden, allereerst door me de geschiedenis voor ogen te stellen: het einde van alle geschiedenis en dus ook van mijn persoonlijke levensgeschiedenis. Dat einde is een Persoon: Jezus Christus. Jezus en het einde van de wereld vallen samen. Hij is ook zelf de inzet van zijn oordeel. Hij zal de mensen oordelen naar hun gehoorzaamheid aan Hem. Leven en dood hangen af van het antwoord op de vraag: "Wie zegt gij dat Ik ben?" (16,15). De nabijheid van het einde maakt het des te dringender op deze vraag het goede antwoord te geven en ook daadwerkelijk naar dit goede antwoord te leven. De klemmende oproepen om waakzaam te zijn, beslaan in het evangelie van Matteüs twee hoofdstukken (24-25). Daarin worden de vermaningen hernomen van het einde van de bergrede: in het zevende hoofdstuk: "Gaat binnen door de nauwe poort" (7,13); "Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is" (7,21); "Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde" (7,24).
Ik stel mij de plaats voor ogen: bijvoorbeeld de vijf "dwaze" meisjes op het moment, dat zij voor de dichte deur staan en roepen: "Heer, heer, doe open!" of de situaties in mijn eigen leven waarin ik op een beslissende manier voor of tegen Hem gekozen heb.
Tenslotte vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Hem beter mag leren kennen met een innerlijke, liefdevolle kennis als de Bruidegom die mijn totale toewijding vraagt.
"Dan zal het met het Rijk der hemelen zijn als met tien
meisjes die met hun lampen uittrokken de bruidegom tegemoet."
De situatie bij het laatste oordeel zal gelijk zijn aan de situatie waarin tien bruidsmeisjes zich bevonden: sommigen waren er voor klaar, anderen niet. De bruidegom bevindt zich op weg naar zijn bruid die zich sinds de verloving nog altijd in het ouderlijk huis bevindt. Daar gaat hij haar ophalen om haar naar zijn eigen woning te voeren. Maar de bruid komt hem niet zelf tegemoet. De bruidegom wordt tegemoet getreden door een stoet jonge meisjes, de vriendinnen van de bruid. Deze hebben fakkels in de hand, een soort stangen waarvan het boveneind omwonden was met in olie gedrenkte lappen. Bij het huis van de bruidegom aangekomen voeren zij de fakkeldans uit. Het einde van alles wordt in het evangelie als een ontmoeting voorgesteld. Méér dan om rampen van het wereldeinde gaat het om een "blijde inkomste". Zo is het in het groot, maar zo is het ook in het klein: mijn leven loopt door de dood heen uit op een ontmoeting met Jezus. Ik kan me daarop nu al voorbereiden door Hem ervoor te bedanken, dat Hij mij op die weg heeft geplaatst.
"Vijf van hen waren dom, de andere vijf verstandig. Want
de dommen namen wel hun lampen mee, maar geen olie; de
verstandigen echter namen met hun lampen tevens kruiken olie
mee."
De verdeling van het getal tien in tweemaal vijf geeft geen kwantitatieve verhouding aan: 50% dwaas, 50% verstandig. Dat zou aanleiding geven tot de vraag tot welke groep ik behoor. Dat zou verlammend werken in plaats van bemoedigend. Het gaat hier niet over getalsverhoudingen, maar over innerlijke houdingen. En wel ten opzichte van wat beslissend is. Daarom zijn er ook maar twee soorten meisjes: domme en verstandige. Dat wijst op een buitenaardse toestand. Want hier op aarde zijn er nooit slechts twee houdingen mogelijk: goed of slecht, juist of onjuist. Waar zo'n indeling wel gemaakt wordt, daar grijpt de mens vooruit op het laatste oordeel. Revolutionaire bewegingen hebben die neiging. Zij verdelen de mensen in twee soorten: de goeden en de slechten. Ook in de gewone menselijke verhoudingen gebeurt er zo iets, wanneer mensen over elkaar oordelen, Die ís goed en die ís slecht.
"Want de dommen namen wel hun lampen mee, maar geen olie;
de verstandigen echter namen met hun lampen tevens kruiken olie
mee."
"Dom" en "dwaas" zijn twee mogelijkheden in elke mens, twee mogelijkheden bij elke handeling. "Verstandig" is iets anders dan goed kunnen leren of veel kennis vergaard hebben, over alles weten mee te praten. Dat komt meer in de richting van "de wijzen en verstandigen" over wie Jezus heeft gezegd, dat voor hen het geheim van zijn Persoon verborgen wordt gehouden (11,25). "Dwaas" is iets anders dan moeite hebben iets te begrijpen. Die "dwaasheid" zit meer in de richting van wat God juist heeft uitverkoren: "wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen" (1 Kor 1,27). De "domme" bruidsmeisjes zijn meer zoals de "dwaas" die "in zijn hart zegt: er is geen God" (Ps 14,1). In deze parabel is het "dom" om wel lampen mee te nemen, maar geen olie. Hun hart is niet bij de Bruidegom. Aan mijn verstrooiingen tijdens het gebed kan ik zien waar ik dan wel ben met mijn hart. Hier kan ik de Heer vragen om wijsheid van hart, om waakzaamheid voor de tekenen van de tijd, de sporen van zijn aanwezigheid binnen de aardse context.
"Toen nu de bruidegom op zich liet wachten, dommelden zij
allen in en sliepen."
Altijd waken gaat de kracht van een mens te boven: "Toen ging Hij
naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot
Petrus: Ging het dan uw krachten te boven één uur met Mij te
waken? ... En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun
oogleden waren zwaar ... Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en
sprak tot hen: Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur
gekomen waarop de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van
zondaars" (26,40-43.45). Dat indommelen en in slaap vallen kan
ook heel goed klaarwakker gebeuren: "Maar is die knecht slecht en
zegt hij bij zichzelf: mijn heer blijft nog wel een poosje weg en
begint hij de andere knechten te slaan en eet en drinkt hij met
dronkaards, dan zal de heer van die knecht komen op een dag
waarop hij het niet verwacht, en op een uur dat hij niet kent"
(24,48-50).
Ogenschijnlijk is er niets te zien. Alles schijnt de
ongelovigen in het gelijk te stellen: er ís niets en er is niets
op komst. Petrus citeert die ongelovigen in zijn tweede brief:
"Gij moet vooral weten, dat er in de laatste dagen spotters
zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten; en
die honend vragen: Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft
toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft
zoals het van het begin van de schepping geweest is" (2 Petrus
3,3-4). En het antwoord van de gelovige luidt: "Eén ding echter,
vrienden, mag u niet ontgaan: voor de Heer is één dag als duizend
jaren en duizend jaren als één dag. De Heer talmt niet met zijn
belofte, zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar
Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat. Maar
de dag van de Heer zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen
dreunend vergaan en de elementen door vuur worden verteerd; en de
aarde en de daden op aarde verricht zullen zich bevinden voor
Gods oordeel" (2 Petrus 3,8-10). De zin van het voortduren van de
geschiedenis? Dat allen tot inkeer zullen komen! Hoe is de
verwachting van de onmiddellijk op handen zijnde terugkeer van de
Bruidegom te rijmen met de lange gang van de geschiedenis? Er is
een gezegde: vrees en hoop maken de draden kort. Wat iemand vurig
hoopt of ernstig vreest, is voor het gevoel dichtbij. De
christenen die vol vuur de wederkomst verwachten, ervaren dat
gebeuren als dichtbij, psychologisch nabij, ofschoon het
chronologisch nog lang op zich kan laten wachten.
Hoe sta ik tegenover de wederkomst? Mag het voor mij nog lang
wegblijven? En mijn eigen dood? Er zijn christenen die ernaar
uitzien, niet om van narigheid verlost te worden, maar om met
Christus te kunnen zijn: "Want voor mij is leven Christus en
sterven winst ... ik verlang heen te gaan om met Christus te
zijn, want dat is verreweg het beste" (Fil 1,21.23).
"Maar midden in de nacht klonk er geroep: Daar is de
bruidegom! Trekt hem tegemoet!"
Midden in de nacht. Zoals de geboorte van Jezus (Lucas 2,8) en de
verrijzenis een nachtelijk gebeuren waren. De oudste
zondagsvieringen waren daarom 'vigilies', nachtwaken. Men
doorwaakte de nacht om bij het aanbreken van het ochtendlicht
Christus te begroeten als het licht van de wereld. Zoals bij het
ondergaan van de zon de wereld in duisternis is, zo kan de
geestelijke duisternis alleen verdreven worden door Christus, het
licht van de wereld. De zondagsvieringen zijn rustpauzes op de
lange weg om ons te binnen te brengen, dat Hij zal komen: "Heer
Jezus, wij verkondigen uw dood en wij belijden tot Gij
wederkeert, dat Gij verrezen zijt"; "Als wij dan eten van dit
brood en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des
Heren totdat Hij komt" (acclamatie na de consecratie). "Zo
staan wij vol verwachting open voor zijn wederkomst"
(eucharistisch gebed IIIB); "Wij zien vol verwachting uit naar
zijn wederkomst in heerlijkheid" (eucharistisch gebed IV);
"Hoopvol wachtend op de komst van Jezus, Messias, uw
Zoon" (na het Onze Vader).
Wanneer wij het heil verwachten van de wederkomst, dan heeft dat
zijn terugslag op hoe wij de wereld beschouwen: wij koesteren
geen overspannen verwachtingen meer van mensen die zich opwerpen
tot een soort van Messias noch van bewegingen (ideologieën) met
messiaanse pretenties. Wij verwachten onze Bruidegom buiten de
grenspalen van de geschiedenis. Ook op kleinere schaal kunnen er
overspannen verwachtingen gekoesterd worden. Ik kan mij zelf de
vraag stellen: "Wie uit mijn onmiddellijke omgeving mag er van
mij niet dood? Of niet verhuizen?"
"Meteen waren al de meisjes wakker en maakten hun lampen
in orde. De dommen zeiden tot de verstandigen: Geeft ons wat
olie, want onze lampen gaan uit. Maar de verstandigen
antwoordden: Neen, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons en
jullie samen. Gaat liever naar de verkopers en haalt wat voor
jezelf."
De meisjes maakten hun fakkels in orde. Ze ontdeden de lappen van de aangekoolde resten en begoten ze met olie, zodat ze weer helder gingen branden. Zonder olie gaan ze spoedig weer uit. De domme meisjes waren niet klaar. Hebben wij de pretentie wél klaar te zijn? Maar Hij is wel klaar: "Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie ik heb mijn maaltijd klaar; mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft" (22,4). Als wij onze onwaardigheid bewust zijn, omdat wij met lege handen aankomen, Hij zal onze lege handen vullen met de werken van zijn genade.
"Maar terwijl zij onderweg waren om te gaan kopen, kwam de
bruidegom en die klaar stonden, traden met hem binnen om
bruiloft te vieren."
Dan begint de bruiloft voorgoed. Van die eeuwige bruiloft hebben
wij in de eucharistie een voorproef: "Het Rijk der hemelen
gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon
... Zie, ik heb mijn maaltijd klaar ... Komt dus naar de
bruiloft ... Het bruiloftsmaal staat klaar" (22,2.48).
Al vanaf de instelling werd het avondmaal nauw verbonden met de
maaltijd in het Rijk Gods: "Jezus sprak nu tot hen: Vurig heb Ik
verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten. Want Ik
zeg u: Ik zal het niet meer eten, totdat het zijn vervulling
vindt in het Rijk Gods. Daarop nam Hij een beker, sprak een
dankgebed uit en zei: Neemt die beker en deelt hem samen. Want Ik
zeg u: Van dit ogenblik drink Ik niet meer van wat de wijnstok
voortbrengt, totdat het Rijk Gods is gekomen" (Lc 22,15-18).
Het bijzondere van de eucharistie is, dat we daarin op de
toekomst vooruitlopen. We halen de toekomst naar ons toe. In de
eucharistie vieren we niet alleen een herinnering uit het
verleden, maar tevens vieren wij, dat wij deel hebben aan de
definitieve ontmoeting met Christus aan het hemels bruiloftsmaal:
"Zalig zij die genodigd zijn aan het bruiloftsmaal van het Lam"
(Apok 19,9). Achter de sluier van de tekenen van brood en wijn
zien wij in geloof en hoop wat de hemelingen met ongesluierd
gelaat zien. Het is dezelfde werkelijkheid.
"
"... en de deur ging op slot. Later kwamen ook de andere
meisjes en zeiden: Heer, heer, doe open! Maar hij antwoordde:
Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet."
De onverbiddelijkheid staat in functie van de liefde. Nu is het nog de tijd van de genade. Maar eens is dat genade-aanbod ten einde. De dringendheid van de vermaningen tot waakzaamheid komen voort uit een liefdevol hart: Hij wil ons toch zo graag bij zich in de hemel! Het gebed is de plaats om mijn verwachtingen af te stellen op de zijne om zo uit te groeien tot toekomstmensen.
"Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur."
"Zonder grote waakzaamheid maakt een mens in geen enkele deugd
enige vooruitgang", luidt de woestijnwijsheid van abt Agathoon.
En abt Poimen zei: "Wij hebben niets anders nodig dan waakzaam te
zijn bij het nadenken." Waakzaamheid is geboden in een situatie
van strijd.
Mensen zien veelal niet, dat ze aangevochten worden. Ze zijn niet
waakzaam: "Ik zie dat er zich in mijn hart geen strijd voordoet",
zei een broeder tegen een grijsaard in de woestijn. De grijsaard
antwoordde hem: "U bent een gebouw met vier ingangen en wie wil,
kan vrij bij u in- en uitgaan, zonder dat u er iets van merkt.
Maar als u een deur hebt, haar sluit en geen boze gedachten
erdoor laat binnengaan, dan ziet u dat ze buiten staan en u
vandaar bekampen."
"De eerste trap van nederigheid bestaat dan hierin, dat men de
vreze Gods altijd voor ogen houdt en zo steeds op zijn hoede is
voor de vergetelheid" (Regel van Benedictus, 7, 10-11).
Er zijn zoveel manieren om niet waakzaam te zijn: opgaan in je
verstrooiingen, in wat je afleidt, opgaan in je werk, opgaan in
de indrukken die op je afkomen, je laten intimideren door de
harde gevoelens van anderen of door het hartstochtelijke in
jezelf, om jezelf heendraaien, niet vergeven, rancunes blijven
voeden, om aandacht bedelen, niet op eigen benen staan,
afhankelijk zijn van anderen. Kortom: opgaan in je gevoelens.
Waakzaam zijn wil zeggen: bij alles wat je doet, niet opgaan in
wat je doet. Hem groter laten zijn. Bij alles wat er op je
afkomt, er weet van blijven hebben, dat Hij komt. Alles wat er in
je leven is, zo groot laten zijn als het is: wat je verdriet
doet, wat je kwetst, wat je vreugde geeft en goede moed... niets
verdringen of verharden en dan Hem nog groter laten zijn als een
Bruidegom die van heel je leven één groot feest wil maken door
zijn loutere aanwezigheid: Wij worden vermaand om niet zo met het
aardse om te gaan, dat wij erin opgaan; "want de wereld die wij
zien gaat voorbij" (1 Kor 7,31).
Aan het einde een kleine ontmoeting ensceneren met de Bruidegom, even oog in oog zijn met Hem die ik eens zal aanschouwen van aangezicht tot aangezicht. Me door Jezus naar de Vader laten brengen. Jezus is immers zijn gave. Bij de Vader mijn hart uitstorten. Hem bedanken voor Jezus. Hem vragen om waakzaamheid. Een Onze Vader.
De vragen van de reflexie beantwoorden: