Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Twee en dertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
27 In die tijd kwamen enigen van de Sadduceeën,
die de verrijzenis loochenen,
bij Jezus met de vraag:
28 "Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan:
Als iemand een getrouwde broer heeft
die kinderloos sterft,
dan moet zijn broer diens vrouw nemen
om aan zijn broer een nageslacht te geven.
29 Nu waren er eens zeven broers.
De eerste trouwde en stierf kinderloos.
30 De tweede en de derde namen de vrouw
31 en de een na de ander stierven ze alle zeven
zonder kinderen na te laten.
32 Het laatste stierf ook de vrouw.
33 Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw?
Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad."
34 Jezus sprak tot hen:
"De kinderen van deze wereld huwen
en worden ten huwelijk gegeven,
35 maar die waardig zijn gekeurd
deel te krijgen aan de andere wereld
en aan de verrijzenis uit de doden,
huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven.
36 Zij kunnen immers niet meer sterven,
omdat zij gelijk engelen zijn:
en als kinderen van de verrijzenis
zijn zij kinderen van God.
37 Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid
waar het gaat over de braamstruik,
doordat hij de Heer noemt:
de God van Abraham, de God van Isaäk
en de God van Jakob.
38 Hij is toch geen God van doden,
want voor Hem zijn allen levend."
Lucas 20,27-38

Al te gemakkelijk neemt een mens in het gebed aardse voorstellingen mee die hem verhinderen ontvankelijk te zijn voor de geheimen van het geloof. Onze geest moet zich instellen op een werkelijkheid waarin alles anders is: "wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensengeest is opgekomen, heeft God bereid voor die Hem liefhebben" (Jes 64,3 geciteerd in 1 Kor 2,9). Los van alles, open voor het totaal andere, zo de geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats van het gebed, staande, me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe ik "levend" ben voor Hem (20,38). Ik kan wel verstrooid zijn of in mijzelf opgesloten, maar God is altijd betrokken op mensen, op Abraham, Isaäk en Jakob, op mij. Dit besef van Gods altijd trouwe aanwezigheid verlevendigen door een gebaar van eerbied, van aanbidding, me klein maken voor Hem.

De houding van het gebed aannemen, een houding van openheid en ontvankelijkheid, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik gevoelig word hoe de heilige Geest zich beweegt in mij, Hij die het handgeld is van het eeuwige leven (2 Kor 5,5) In die houding vraag ik dan om de genade, dat het gebed de ziel mag zijn van mijn leven, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

De geschiedenis kort overzien: Vanaf 20,1 is Jezus gewikkeld in strijdgesprekken met hogepriesters en schriftgeleerden (20,1). Jezus brengt hen tot zwijgen, niet tot geloof. De nederlaag voor de een wordt aanleiding voor de ander om Jezus tot partij te maken. De Sadduceeën zijn tegenstanders van de Farizeeën en schriftgeleerden. Zij hebben de bedoeling om hun stokpaardje, de loochening van de verrijzenis, door Jezus te laten bevestigen en zo de Farizeeën belachelijk te maken die in de verrijzenis geloven. Maar Jezus laat zich niet manipuleren. Zoals steeds grijpt Jezus de schijnbaar toevallige aanleiding aan om zijn visie te geven. Met het gevolg, dat Hij ook de Sadduceeën tegen zich krijgt. Er staat hier dus heel wat meer op het spel dan vrijblijvende bespiegelingen over het eeuwige leven.

De plaats: een plaats op deze aarde waar mensen van vlees en bloed spreken over wat niet in termen van vlees en bloed uit te drukken is. In het twistgesprek met de Sadduceeën. En in de huidige twistgesprekken en opinie-onderzoeken.

Ik vraag om de bijzondere genade: dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis. Niet alleen als Iemand die spréékt over het eeuwige leven, maar als Degene die Zelf het eeuwige leven in eigen Persoon ís: "Ik ben de verrijzenis en het leven" (Joh 11,25).

 
"Van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen, kwamen er enigen bij Hem met de vraag: Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemand een getrouwde broer heeft die kinderloos sterft, dan moet zijn broer diens vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven."

Volgens de Sadduceeën was het verrijzenisgeloof in tegenspraak met de wet van God. Zoals in onze dagen het gezag van de natuurwetenschappen tegen het geloof in God en in de verrijzenis in stelling wordt gebracht, zo deden de Sadduceeën dat met het gezag van de wet van Mozes. Speciaal de wet van Mozes, want de andere boeken van het Oude Testament erkenden zij niet. En ook niet de leeruitspraken van de traditie die uitleg gaven van de wet. En juist daarin werd méér dan in de vijf boeken van Mozes gesproken over het verrijzenisgeloof. Wat zei nu de wet van Mozes waar de Sadduceeën bij zwoeren?
In Deuteronomium 25,5 staat: "Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen komt te sterven zonder een zoon na te laten, dan mag de vrouw van de overledene niet huwen met een man buiten de familie. Haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en het zwagerhuwelijk met haar sluiten. De eerste zoon die zij hem schenkt, zal op naam van zijn overleden broer staan, zodat diens naam niet uit Israël verdwijnt." Volgens de Sadduceeën gaat deze wet ervan uit, dat er geen leven na de dood is. Want zou er een weerzien zijn in de verrijzenis, dan zou een onontwarbare chaos het gevolg zijn van het naleven van deze wet. Nu, dat kan nooit de bedoeling zijn van God. En dus bestaat er geen verrijzenis. De Sadduceeën meenden daarmee het verrijzenisgeloof zelf te treffen. Maar wat ze er in feite mee troffen was alleen maar de farizeïsche vorm van het verrijzenisgeloof. Volgens de Farizeeën was de situatie van de mens in de toekomstige wereld in de grond gelijk aan die in deze wereld, met alleen dit onderscheid, dat het leven van het hiernamaals gepaard ging met een volmaakt geluk. Jezus wordt hier dus geconfronteerd niet met een ruzie tussen bestrijders en verdedigers van het verrijzenisgeloof, maar met een verkeerde verrijzenisverwachting. Dat is het eerste wat Jezus zuiver gaat stellen. Eerst het hóe van de verrijzenis (34-36) en dan pas het dát (37-38).

 
"Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. De tweede en derde namen de vrouw en de een na de ander stierven ze alle zeven zonder kinderen na te laten. Het laatste stierf ook de vrouw. Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad."

De Sadduceeën spinnen de casus breed uit om zich al bij voorbaat van (lach)succes te verzekeren. Zij spelen dus op het publiek. Maar eigenlijk draagt het aan het argument niets bij of het nu twee of drie broers zijn of zeven. Sadduceeën geloven niet in de verrijzenis. Maar geloven ze wél in God? In elk geval zoeken ze "van elkaar eer te verwerven" (Joh 5,44).

 
"Jezus sprak tot hen: De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar die waardig zijn gekeurd deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. Zij kunnen niet meer sterven, omdat zij gelijk engelen zijn: en als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God."

Het antwoord van Jezus komt hierop neer: jullie stellen je de verrijzenis verkeerd voor. Het is een totaal andere wereld. Er is zelfs geen sprake van om zich met aardse beelden een voorstelling te maken van het leven daar. Dat doet Jezus dan ook niet. Hij zegt dan ook niet wat ze wél doen. Want dat zou Hij dan moeten doen in de taal van de aarde en dus weer met gebruikmaking van de aardse werkelijkheid. Neen, zegt Jezus: "ze huwen niet en ze worden niet ten huwelijk gegeven." Om het dan toch in een beeld weer te geven: de hemel is een negatiefdruk van de aardse werkelijkheid: "wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen" (1 Kor 2,9). "Maar, zal iemand vragen, hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam? Dwaze mens, ook wat gij zelf zaait, moet eerst sterven voor het tot leven komt, en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets dergelijks, en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen"..."Zo is het ook met de opstanding der doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid" (1 Kor 15,35-37.42-43). Als er dan toch iets positiefs gezegd moet worden, dan neemt Jezus zijn toevlucht tot buitenaardse werkelijkheden: "niet meer sterven"..."gelijk engelen zijn"..."kinderen van de verrijzenis"..."kinderen van God." Engelen zijn zozeer getekend door God en de aanbidding van God, dat zij zonder meer "Gods engelen" zijn (12,8-9), "van Godswege gezonden" (1,26). Het hiernamaals wordt helemaal beheerst door de werkelijkheid van God. Vanaf het begin. Want door wie anders kan een mens waardig gekeurd worden om deel te krijgen aan de andere wereld dan door God? Er zijn niet twee werkelijkheden: het verrezen leven én God. Er is maar één werkelijkheid: God of Jezus, die zegt: "Ik ben de verrijzenis" (Joh 11,25). Dat spreekt Jezus nu uit in de laatste woorden van dit evangelie.

 
"Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid waar het gaat over de braamstruik, doordat hij de Heer noemt de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob. Hij is toch geen God van doden, want voor Hem zijn allen levend."

De goden van Israëls buurvolkeren waren allen goden van een of ander plaatselijk heiligdom. De God van Israël was alleen een God van mensen, van een verbond met mensen, een verbonds-God. Hij droeg de namen van die mensen zelfs in zijn eigen naam: God van Abraham, Isaäk en Jakob. Doordat God zich met mensen verbonden heeft, krijgen de mensen onvergankelijkheid. Wie de verrijzenis loochent, loochent dan ook de werkelijkheid van God die zich geopenbaard heeft als de God van mensen. Verrijzenisgeloof heeft alles met Godsgeloof te maken. De loochening van de verrijzenis wordt aangegrepen als een middel om samen met die vraag naar de toekomst af te komen van de vraag naar God om zo de handen vrij te krijgen voor een onbelemmerde toewending naar de aarde. Mensen die zich verstoppen voor de ware ernst van de dood, gaan maar al te graag op in het aardse. Het waren niet voor niets de Sadduceeën die de verrijzenis loochenden. Zij gooiden het met de Romeinse macht op een accoordje. En het zijn juist de volkeren die een ongekende stijging van de aardse welvaart meemaken voor wie samen met het geloof in God het geloof in de verrijzenis moeilijke punten beginen te worden.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus die zozeer voor mij leeft, dat Hij voor mij is gestorven. Met de Vader voor wie niets onmogelijk is: Hij kan zelfs de rijke die ik ben in het Rijk Gods binnenvoeren. Een Onze Vader.

Na afloop in een terugblik of reflexie nagaan waar dit evangelie aan mij is geschied en waar ik in mijn aardse zelf opgesloten bleef:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen blijf ik in mijn eigen wereldje hangen. Daarin is God niet levend voor mij.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Daar is al in mijn bewustzijn doorgedrongen dat ik een kind van God ben.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Als het werkelijk God is geweest met Wie ik contact had in het gebed, dan kan mijn gevoel voor Hem ook niet worden ingesloten in de nauwe kaders van het gebed.