Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Drieëndertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd
hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor:
14 "Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland
zijn dienaars bij zich
om hun zijn bezit toe te vertrouwen.
15 Aan de een gaf hij vijf talenten,
aan de ander twee, aan een derde één,
ieder naar zijn bekwaamheid.
Daarna vertrok hij.
16 Die de vijf talenten gekregen had,
ging er terstond mee werken en verdiende er vijf bij.
17 Zo verdiende ook degene die er twee gekregen had,
er twee bij.
18 Maar die dat ene had gekregen,
ging een gat in de grond graven
en het geld van zijn heer verbergen.
19 Een hele tijd later kwam de heer van de dienaars terug
en hield afrekening met hen.
20 Die de vijf talenten gekregen had,
trad naar voren
en bood nog vijf talenten aan met de woorden:
Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd;
ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend.
21 Zijn meester sprak tot hem:
Uitstekend, goede en trouwe dienaar,
over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer.
22 Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei:
Heer, twee talenten hebt gij me toevertrouwd;
ziehier, twee talenten heb ik erbij verdiend.
23 Zijn meester sprak tot hem:
Uitstekend, goede en trouwe dienaar,
over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen.
Ga binnen in de vreugde van uw heer.
24 Tenslotte trad ook die van één talent naar voren en zei:
Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt,
die oogst waar gij niet gezaaid hebt
en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid.
25 Daarom was ik bang
en ben uw talent in de grond gaan verbergen.
Hier hebt ge uw eigendom terug.
26 Maar zijn meester gaf hem ten antwoord:
Slechte en luie knecht,
je wist toch dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb,
en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid?
27 Daarom had je mijn geld
bij de bankiers moeten uitzetten,
dan zou ik bij mijn komst
mijn bezit met rente teruggekregen hebben.
28 Neemt hem dus dat talent af
en geeft het aan wie de tien talenten heeft.
29 Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden,
zelfs in overvloed gegeven worden;
maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden
zelfs wat hij heeft.
30 En werpt die onnutte knecht
buiten in de duisternis;
daar zal geween zijn en tandengeknars."
Matteüs 25, 14-30

Ermee beginnen de geest wat te laten rusten bij Hem. Mijn eerste werk is: zíjn, niet dóen. Bij Hem zijn.

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen. Ook al zien wij Hem niet en komt Hij pas "een hele tijd later" weer terug, Hij ziet mij wel. Ik maak een gebaar van eerbied zoals men kan veronderstellen dat de dienaren deden op het moment van de ontmoeting met hun heer.

Het gebed ingaan door de gebedshouding aan te nemen, een houding die mij helpt om de ontvangen gebedstijd zo goed mogelijk te benutten. Gebedshouding is belangrijk. Nog belangrijker is de levenshouding. Mijn hele leven, van bidden én werken, zou geordend moeten zijn in zijn dienst. Ik vraag Hem dat als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik bekijk de geschiedenis waarin deze parabel gezegd is, om zo des te beter te kunnen binnendringen in de betekenis. Jezus heeft het einde van zijn reis bereikt. Hij staat vlak voor de volle ontplooiing van het Rijk Gods, allereerst in zijn eigen Persoon. Jezus ziet voorbij het einde. Hoe zullen zijn leerlingen trouw blijven? Zal het zijn: uit het oog, uit het hart? Om hen daartegen te waarschuwen vertelt Jezus de waakzaamheidsparabels: de vijgeboom (24,32-35), de dagen van de zondvloed (24,37-42), de dief (24,43-44), de trouwe en verstandige knecht die de heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld (24,45-51), de bruidsmeisjes (25,1-13). Maar als onze aandacht zo sterk gespannen is op wat komen gaat, hebben wij dan wel voldoende aandacht voor het heden? Dat is het thema van deze parabel. Van de ene kant moeten wij niet zo in het heden opgaan, dat wij de Heer vergeten die komende is. Maar wij moeten van de andere kant ons niet zo fixeren op de dingen die komen gaan, dat wij het talent dat ons werd toevertrouwd, werkeloos en vruchteloos laten liggen. Daarvoor waarschuwt Paulus in zijn brief aan de Tessalonicenzen: bange lieden die hun "bezinning verliezen en zich laten opschrikken door profetieën, uitspraken, ... als stond de Dag des Heren voor de deur ... die werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien" (2 Tess 2,1-3; 3,6-12). De Heer is niet alleen aan het einde te vinden, maar ook al binnen de geschiedenis. De toekomst is reeds begonnen: "hemelse gaven", "de heilige Geest", "het heerlijke woord van God en de krachten van de toekomstige wereld" (Hebr 6,4-5) zijn nu al ons deel. Wie er niet uit leeft, verliest wat hij heeft. Wanneer wij de genade niet opnemen in een open en ontvankelijk hart, wordt zij ons tot veroordeling.

De plaats waar dit gezegd werd, is Jeruzalem, de stad van het einde, van lijden en dood. Voor Jezus is het verblijf in Jeruzalem een grenssituatie. In een grenssituatie komen de eigenlijke waarden aan het licht.

Ik vraag om de bijzondere genade die ik verlang: dat mijn ogen mogen opengaan voor de genade die ik heb ontvangen, voor Jezus Christus onze Heer, opdat Hij mij straks bij het oordeel niet tot veroordeling wordt.

 
In die tijd hield Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis voor: "Een man riep bij zijn vertrek naar het buitenland zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen."

God is ver weg, weg uit ons midden: "naar den vreemde" (21,33), "naar het buitenland". God is er wel, maar in het verborgene: in zijn heilige kerk, in de sacramenten, in het Allerheiligste (latens Deitas, verborgen Godheid). God is ook tegenwoordig in de manier waarop wij met ons leven en met onszelf omgaan. Wanneer wij ons leven opvatten als "godsdienst", als dienst aan God, ook dan is God aanwezig.

 
"riep ... zijn dienaars bij zich om hun zijn bezit toe te vertrouwen."

In deze parabel is het dienen wat de klok slaat en wel God dienen: zijn dienaars: "Een hele tijd later kwam de heer van die dienaars terug ... Uitstekend, goede en trouwe dienaar ... zijn meester" (21.23.26). Wij zijn dienaars van God met heel ons hebben en houden. Derhalve zíjn wij meer dienaars dan dat wij bepaalde diensten bewijzen. Niets kunnen wij het onze noemen. Ook ons leven niet. Wij kunnen dus niet met ons leven doen en laten wat wij willen. God vertrouwt ons toe wat van Hem is: "zijn bezit" (14). De parabel spreekt over "het geld van zíjn heer ... ik ben úw talent in de grond gaan verbergen. Hier hebt ge úw eigendom terug" (25). En de heer spreekt over "míjn geld ... míjn bezit" (27).
Het dienen van God is iets veeleisends: "Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen én de mammon" (6,24).
Het dienen van God is altijd iets kleins: "Mijn hart prijst hoog de Heer ... daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd" (Lc 1,46). Niets is te klein om er God mee te dienen. Want het is de grootheid van God, dat Hij oog heeft voor het kleine, het kleine dienstbetoon: "Ieder haar van uw hoofd is (door God) geteld" (10,30). Er iets groots van willen maken, dat is eigenlijk zonde. Want of iemand vijf, twee of één talent krijgt, het blijft altijd weinig: "Zijn meester sprak tot hem (die er vijf talenten bij verdiend had): "Over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen."
Mensen zijn vaak op jacht naar het grote geluk, een grote manier van gelukkig zijn, en laten zo de gelegenheid voorbijgaan om langs de kleine weg gelukkig te worden. En dat is nog altijd: een ander gelukkig maken. Dat leert ons de laatste redevoering: "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan" (25,40).

 
"Maar die dat ene had gekregen, ging een gat in de grond graven en het geld van zijn heer verbergen."

Waarom is het juist die derde beheerder met zijn ene talent die er niets mee deed? Omdat hij minder kreeg dan de anderen op grond van zijn geringere "bekwaamheid" (25,15). Zijn geringere bekwaamheid kwam hem onontkoombaar voor ogen te staan doordat hij met minder talenten bedeeld werd. En dat nam hij niet. Hij aanvaardde zijn minder-zijn niet. Hij aanvaardde zichzelf niet, de concrete levenssituatie waarin hij was geplaatst. En toch, alleen langs die weg zou hij zijn talent vruchtbaar kunnen maken. Er zijn voorbeelden te over van zulke in-de-grond-stoppers van talenten:

 
"Neemt hem dus dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft. En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars."

Waarom is de heer zo streng tegen die knecht? Omdat er zoveel onheil uit voortkomt, als mensen niet het geluk zoeken op de kleine plaats waar ze door God zijn neergezet. De mensheid heeft haar dromen, haar grootse visioenen. De naaste die men niet ziet staan, is dan te min. Grote ideologische bewegingen zijn vaak begravers van talenten. Omwille van de hoge idealen in de toekomst voelen zij zich verheven boven de gewone, alledaagse noden van hun naaste. Aan moeder Teresa werd eens gevraagd: "Hoe kunt U het verantwoorden zoveel werk te besteden aan mensen die toch zullen sterven?" Haar antwoord: "Als wij die mensen niet helpen, helpt niemand hen." De dromer zegt: "Nou en?" De christen weet: Godzelf is in het geding met zijn aandacht voor de kleinen. Daarom is Jezus zo streng tegen die ene beheerder: hij keert de God van de kleinen de rug toe.

Aan het einde gesprekjes voeren zoals in de parabel. Ik mag ervan uitgaan, dat Hij zijn oor leent aan mijn allergeringste poging om uit mijzelf te treden. Mij dan door Jezus naar de Vader laten brengen. Een Onze Vader bidden.

Aan het eind tot onderscheiding komen van de geesten die mij bewegen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Verstrooiingen bevinden zich op gebieden waar ik op een zelfzuchtige manier het geluk zoek.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar wist Jezus mij te overtuigen van zijn kleine weg naar het geluk?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Het geluk dat Hij schenkt, is niet afhankelijk van omstandigheden.