Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 5 | hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken, zei Jezus: |
| 6 | er zal een tijd komen, dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden." |
| 7 | "Meester, wanneer zal dat dan plaats vinden? En wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?" |
| 8 | "Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan. |
| 9 | laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond." |
| 10 | "Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; |
| 11 | en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen. |
| 12 | zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. |
| 13 | |
| 14 | dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. |
| 15 | die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken. |
| 16 | door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen. |
| 17 | omwille van mijn Naam; |
| 18 | |
| 19 | |
| Lucas 21, 5-19 |
Het gebed is een grenssituatie. Zoals het einde van de wereld een grenssituatie is voor heel de wereld. En zoals vervolgingen het zijn voor een kerkgemeenschap of zoals ingrijpende gebeurtenissen in het persoonlijke leven het zijn voor de enkeling. In dergelijke situaties wordt alles uit handen geslagen. De neiging van de mens is dan om des te krampachtiger zich vast te klampen aan het oude, aan zijn eigen ik. In het gebed kan ik leren om door die gebeurtenissen heen mijzelf aan God uit handen te geven. Het geheim van het gebed en van heel het leven is: zijn leven redden door het te verliezen. Daarom meteen aan het begin alles loslaten en zo de geest wat laten rusten bij Hem. Want komt alle onrust niet voort uit het willen vasthouden van iets wat men moet loslaten?
Een paar passen van de plaats van het gebed staande me een ogenblik zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, me moed insprekend. Met een gebaar de eerbied laten groeien.
De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield naargelang ik verwacht Hem het beste te kunnen vinden. En dat dan ook vragen als een genade voor heel mijn leven: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik overzie de geschiedenis en dat is hier hoe Jezus heel de geschiedenis overziet en doorziet, niet vanuit een profaan-natuurlijk standpunt, maar vanuit God en vanuit het verzet tegen God. Jezus richt deze vermaningen tot zijn leerlingen op het moment, dat Hijzelf aan het eind is gekomen van zijn moeizame reis naar Jeruzalem. Nu verkeert Hij ook in een grenssituatie. Wat Hemzelf overkomen gaat, dat zal ook zijn kerk overkomen.
De plaatsen waar dit zich afspeelde en afspeelt en zal afspelen: rond en in de tempel van Jeruzalem, "met zijn fraaie stenen en wijgeschenken". Vervolgens overal in de hele wereld waar er zich katastrofen voordeden, voordoen en zullen voordoen zoals oorlogen, aardbevingen, hongersnood, pest. Ook de plaatsen zien waar op dit ogenblik de kerk wordt vervolgd. En tenslotte de plaatsen zien in mijn eigen leven waar ik iets van vervolging ondervind omwille van zijn Naam.
Dan vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke, smakende kennis die mij in de verdrukking innerlijk overeind houdt.
"Toen sommigen opmerkten, hoe de
tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken, zei
Hij: Wat ge daar ziet, er zal een tijd komen, dat er geen steen
op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden."
Jeruzalem, stad van vrede, heilige stad. Maar als die stad
ten onder gaat, gaat er veel meer ten onder dan alleen die stad.
Er gaat een wereld ten onder. Dat is niet alleen zo geweest met
Jeruzalem. Toen Rome ten onder ging, hadden de mensen ook het
gevoel: nu is het einde van de wereld nabij. Toen in 1944 in de
Nevada-woestijn in Noord-Amerika de eerste atoombom tot
ontploffing werd gebracht, keken geleerden en militaire strategen
vanuit een veilige uitkijkpost toe. Bij wat zich daar voor hun
ogen afspeelde, was het commentaar van meerderen: dit is het
einde van de wereld.
Zo kan het ook in het klein gaan: bij het verlies van een
dierbare, bij het zich manifesteren van een ziekte, het uitvallen
van een contact, bij het zich openbaren van een ondeugd. Dan kan
ook het gevoel ontstaan: er valt een wereld in elkaar. En
uiteindelijk zullen alle mensen meemaken hoe hún persoonlijke
wereld ten onder gaat: bij hun sterven. Bij al die grote en kleine wereldondergangen moet ik vanuit mijn geloof reageren:
Jezus heeft het voorzien: ik ben in zijn handen; Hij is me meer
nabij dan ooit.
"Weest op uw hoede, dat gij niet
in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn
Naam en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij.
Loopt niet achter hen aan. En wanneer gij hoort van oorlogen en
onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel
eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond."
Van de ene kant moet men zich niet door allerlei rampen uit
het veld laten slaan en meteen denken, dat het einde daar is. Men
kan zo met het einde (en voorspellingen over het wereldeinde)
bezig zijn, dat men niet meer aan het gewone (geloofs)leven
toekomt. Men kan niet wachten. Er zit iets van eigenmachtigheid
in. Men wil eigenmachtig naar voren halen wat God in zijn
voorzienigheid heeft verborgen gehouden, zelfs voor de Zoon: "Van
die dag of dat uur weet niemand af, zelfs niet de engelen in de
hemel, zelfs niet de Zoon, maar de Vader alleen" (Mc 13,32).
Van de andere kant is er het gevaar, dat men in de verwarring van
de tijden een teken ziet, dat de teugels van het wereldgebeuren
aan Gods hand zijn ontgleden. Hij moet dan bedenken, dat dit
alles "gebeuren moet". Dat is weer het geheimvolle
moeten van het goddelijke raadsbesluit dat de diepste oorsprong
is van alles wat alleen maar door de dwang van de omstandigheden
tot stand schijnt te komen.
"Dat alles moet wel eerst
gebeuren, maar het einde volgt niet terstond. Toen sprak Hij tot
hen: Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk
tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en
hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en
aan de hemel geweldige tekenen."
Wat Jezus ziet en voorziet, dat kan ook de ongelovige zien en voorzien. Maar wat het ongelovig verstand ziet als binnenwereldlijke katastrofen van voorbijgaande aard die aan de vastigheid van het wereldbestand niets afdoen, dat ziet de gelovige als het begin en het teken, als het veelbetekenend begin van het komende Godsoordeel dat de wereld boven het hoofd hangt, maar door Gods geduld wordt uitgesteld. Uitgesteld, maar niet afgesteld. In die zin is het niet verkeerd om een ramp te zien als een gebaar van Gods straffende hand. Een straffende hand die nu al binnen de kaders van de geschiedenis laat voelen wat eens aan het einde der tijden ongeremd en onbeteugeld zal losbarsten. Nu is de straf nog ter genezing, ter vermaning. Dan alleen maar om te straffen.
"Maar nog vóór dit alles
geschiedt, zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u
overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen
en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. Het zal voor u
uitlopen op een getuigenis."
Bij Lucas glijdt de verwachting dat de jongste dag op
aanbreken staat, achter de gezichtseinder (Hand 1,11; Lc 12,45;
20,9). In die ruimer wordende tussentijd begint de kerk
geschiedenis te maken. Wat wil dit zeggen? Een Godsrijk op aarde,
een kerk die zich aangordt voor haar aardse taak van kerstening van de cultuur of om de maatschappij te hervormen? Een kerk die
zich als voornaamste taak ziet een kritische functie uit te
oefenen tegenover de samenleving? Of samen met alle andere mensen
van goede wil de machten van vernietiging te keren of te
bezweren? Eerder het omgekeerde: "zij zullen u
overleveren". Met andere woorden: uitgeleverd aan de
kritiek van de samenleving.
Toch spreekt Jezus van "getuigenis geven": "het zal voor u
uitlopen op het geven van getuigenis". Waarin zal dat getuigenis
dan bestaan? Een oordeel over de wereld, een kritiek op haar
samenlevingsvormen? Ja ook, maar uiteindelijk in het onder
oordeel stellen van alle oordeel, van alle menselijke inbreng en
verdediging.
"Welnu, prent het u in, dat gij
dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal
en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen
weerspreken."
Als alle (rechts)grond je ontvalt, dan zal Ik de grond van je bestaan zijn. Zoals Ik dat was voor Mozes: "Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen" (Exodus 4,12) of voor Stefanus tegen wie zij niet opkonden vanwege "de wijsheid en de geest waarmee hij sprak" (Hand 6,10). Dat is overigens geen automatische garantie, dat de toehoorders zich zullen bekeren of de vervolging beëindigd wordt.
"Ge zult zelfs door ouders en
broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en
sommigen van u zullen ze ter dood brengen."
De leerling zal evenals zijn Heer in situaties terecht komen waarin zijn boodschap vanuit elk menselijk standpunt als aanval gevoeld wordt. Zijn woord zal een scheiding teweeg brengen in alle aardse gemeenschappen, tot in de oercel van de samenleving toe, het gezin: "ouders, broers, bloedverwanten". Dan treedt voor hen de conflictsituatie in van 14,26 en 12,51: "van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn." Op die kritieke momenten moeten we ons lang te voren voorbereiden. Want in zulke situaties brengen we alleen datgene in waarop we gewoon waren ons vertrouwen te stellen. Ik kan me op deze situaties voorbereiden door me in het leven van alle dag niet onder druk te laten zetten, noch van links noch van rechts, door bewondering noch afkeuring, door werkdruk noch mensendruk. Ik word uitgenodigd om mij aan te sluiten bij God, om zijn partijganger te worden.
"Ge zult een voorwerp van haat
zijn voor allen omwille van mijn Naam; geen haar van uw hoofd zal
verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven
winnen."
Geen haar zal verloren gaan? Hoe is dat te combineren met:
"sommigen van u zullen u doden?" De martelaar weet op het moment
van het lijden dat deze beide samengaan. Hij weet zich "onder de
schutse van de Allerhoogste" (Psalm 91) en hoe deze hemelse
bescherming hem toch niet noodzakelijk voor de dood zal bewaren.
Het is geen bescherming tégen het lijden, maar ín het
lijden.
Het geheim van de leerling bestaat in zijn "geduld", dat betekent, dat hij niet voor de bekoring bezwijkt om eigenmachtig
een uitweg uit de impasse te forceren. Hij moet blijven
onder de hem opgelegde opgave. Alleen in deze houding zal
hij zijn leven bewaren tegen alle schijnbare ondergang in. Het
dagelijkse leven en samenleven geeft aan de christen talrijke
gelegenheden voor een onbloedig martelaarschap.
Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus, de eerste Bloedgetuige, die voor mij zijn Bloed heeft vergoten, opdat ik stand zou houden in de vervolging. En met de Vader in de hemel die zijn kinderen nabij is, juist in nood en verdrukking. Een Onze Vader.
Een korte terugblik of reflexie houden om te zien
waar dit Woord van God aan mij is geschied en waar het Woord van
God op mij afschampte: