Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Drie en dertigste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
5 Toen sommigen opmerkten,
hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen
en wijgeschenken, zei Jezus:
6 "Wat ge daar ziet:
er zal een tijd komen,
dat er geen steen op de andere gelaten zal worden,
alles zal verwoest worden."
7 Ze vroegen Hem nu:
"Meester, wanneer zal dat dan plaats vinden?
En wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?"
8 Maar Hij zei:
"Weest op uw hoede,
dat gij niet in dwaling gebracht wordt.
Want velen zullen optreden in mijn Naam
en zij zullen zeggen:
Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij.
Loopt niet achter hen aan.
9 En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten,
laat u dan niet uit het veld slaan.
Dat alles moet wel eerst gebeuren,
maar het einde volgt niet terstond."
10 Toen sprak Hij tot hen:
"Er zal strijd zijn van volk tegen volk
en van koninkrijk tegen koninkrijk;
11 er zullen hevige aardbevingen zijn,
en hongersnood en pest, nu hier dan daar,
schrikwekkende dingen
en aan de hemel geweldige tekenen.
12 Maar nog vóór dit alles geschiedt,
zullen zij u vastgrijpen en vervolgen;
zij zullen u overleveren aan de synagogen
en gevangen zetten,
u voor koningen en stadhouders voeren
omwille van mijn Naam.
13 Het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis.
14 Welnu, prent het u in,
dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden.
15 Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven,
die geen van uw tegenstanders
zal kunnen weerstaan of weerspreken.
16 Ge zult zelfs door ouders en broers,
door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden
en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen.
17 Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen
omwille van mijn Naam;
18 Geen haar van uw hoofd zal verloren gaan.
19 Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen."
Lucas 21, 5-19

Het gebed is een grenssituatie. Zoals het einde van de wereld een grenssituatie is voor heel de wereld. En zoals vervolgingen het zijn voor een kerkgemeenschap of zoals ingrijpende gebeurtenissen in het persoonlijke leven het zijn voor de enkeling. In dergelijke situaties wordt alles uit handen geslagen. De neiging van de mens is dan om des te krampachtiger zich vast te klampen aan het oude, aan zijn eigen ik. In het gebed kan ik leren om door die gebeurtenissen heen mijzelf aan God uit handen te geven. Het geheim van het gebed en van heel het leven is: zijn leven redden door het te verliezen. Daarom meteen aan het begin alles loslaten en zo de geest wat laten rusten bij Hem. Want komt alle onrust niet voort uit het willen vasthouden van iets wat men moet loslaten?

Een paar passen van de plaats van het gebed staande me een ogenblik zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, me moed insprekend. Met een gebaar de eerbied laten groeien.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield naargelang ik verwacht Hem het beste te kunnen vinden. En dat dan ook vragen als een genade voor heel mijn leven: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie de geschiedenis en dat is hier hoe Jezus heel de geschiedenis overziet en doorziet, niet vanuit een profaan-natuurlijk standpunt, maar vanuit God en vanuit het verzet tegen God. Jezus richt deze vermaningen tot zijn leerlingen op het moment, dat Hijzelf aan het eind is gekomen van zijn moeizame reis naar Jeruzalem. Nu verkeert Hij ook in een grenssituatie. Wat Hemzelf overkomen gaat, dat zal ook zijn kerk overkomen.

De plaatsen waar dit zich afspeelde en afspeelt en zal afspelen: rond en in de tempel van Jeruzalem, "met zijn fraaie stenen en wijgeschenken". Vervolgens overal in de hele wereld waar er zich katastrofen voordeden, voordoen en zullen voordoen zoals oorlogen, aardbevingen, hongersnood, pest. Ook de plaatsen zien waar op dit ogenblik de kerk wordt vervolgd. En tenslotte de plaatsen zien in mijn eigen leven waar ik iets van vervolging ondervind omwille van zijn Naam.

Dan vraag ik om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke, smakende kennis die mij in de verdrukking innerlijk overeind houdt.

 
"Toen sommigen opmerkten, hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken, zei Hij: Wat ge daar ziet, er zal een tijd komen, dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden."

Jeruzalem, stad van vrede, heilige stad. Maar als die stad ten onder gaat, gaat er veel meer ten onder dan alleen die stad. Er gaat een wereld ten onder. Dat is niet alleen zo geweest met Jeruzalem. Toen Rome ten onder ging, hadden de mensen ook het gevoel: nu is het einde van de wereld nabij. Toen in 1944 in de Nevada-woestijn in Noord-Amerika de eerste atoombom tot ontploffing werd gebracht, keken geleerden en militaire strategen vanuit een veilige uitkijkpost toe. Bij wat zich daar voor hun ogen afspeelde, was het commentaar van meerderen: dit is het einde van de wereld.
Zo kan het ook in het klein gaan: bij het verlies van een dierbare, bij het zich manifesteren van een ziekte, het uitvallen van een contact, bij het zich openbaren van een ondeugd. Dan kan ook het gevoel ontstaan: er valt een wereld in elkaar. En uiteindelijk zullen alle mensen meemaken hoe hún persoonlijke wereld ten onder gaat: bij hun sterven. Bij al die grote en kleine wereldondergangen moet ik vanuit mijn geloof reageren: Jezus heeft het voorzien: ik ben in zijn handen; Hij is me meer nabij dan ooit.

 
"Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zij zullen zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan. En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond."

Van de ene kant moet men zich niet door allerlei rampen uit het veld laten slaan en meteen denken, dat het einde daar is. Men kan zo met het einde (en voorspellingen over het wereldeinde) bezig zijn, dat men niet meer aan het gewone (geloofs)leven toekomt. Men kan niet wachten. Er zit iets van eigenmachtigheid in. Men wil eigenmachtig naar voren halen wat God in zijn voorzienigheid heeft verborgen gehouden, zelfs voor de Zoon: "Van die dag of dat uur weet niemand af, zelfs niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon, maar de Vader alleen" (Mc 13,32).
Van de andere kant is er het gevaar, dat men in de verwarring van de tijden een teken ziet, dat de teugels van het wereldgebeuren aan Gods hand zijn ontgleden. Hij moet dan bedenken, dat dit alles "gebeuren moet". Dat is weer het geheimvolle moeten van het goddelijke raadsbesluit dat de diepste oorsprong is van alles wat alleen maar door de dwang van de omstandigheden tot stand schijnt te komen.

 
"Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond. Toen sprak Hij tot hen: Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen."

Wat Jezus ziet en voorziet, dat kan ook de ongelovige zien en voorzien. Maar wat het ongelovig verstand ziet als binnenwereldlijke katastrofen van voorbijgaande aard die aan de vastigheid van het wereldbestand niets afdoen, dat ziet de gelovige als het begin en het teken, als het veelbetekenend begin van het komende Godsoordeel dat de wereld boven het hoofd hangt, maar door Gods geduld wordt uitgesteld. Uitgesteld, maar niet afgesteld. In die zin is het niet verkeerd om een ramp te zien als een gebaar van Gods straffende hand. Een straffende hand die nu al binnen de kaders van de geschiedenis laat voelen wat eens aan het einde der tijden ongeremd en onbeteugeld zal losbarsten. Nu is de straf nog ter genezing, ter vermaning. Dan alleen maar om te straffen.

 
"Maar nog vóór dit alles geschiedt, zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. Het zal voor u uitlopen op een getuigenis."

Bij Lucas glijdt de verwachting dat de jongste dag op aanbreken staat, achter de gezichtseinder (Hand 1,11; Lc 12,45; 20,9). In die ruimer wordende tussentijd begint de kerk geschiedenis te maken. Wat wil dit zeggen? Een Godsrijk op aarde, een kerk die zich aangordt voor haar aardse taak van kerstening van de cultuur of om de maatschappij te hervormen? Een kerk die zich als voornaamste taak ziet een kritische functie uit te oefenen tegenover de samenleving? Of samen met alle andere mensen van goede wil de machten van vernietiging te keren of te bezweren? Eerder het omgekeerde: "zij zullen u overleveren". Met andere woorden: uitgeleverd aan de kritiek van de samenleving.
Toch spreekt Jezus van "getuigenis geven": "het zal voor u uitlopen op het geven van getuigenis". Waarin zal dat getuigenis dan bestaan? Een oordeel over de wereld, een kritiek op haar samenlevingsvormen? Ja ook, maar uiteindelijk in het onder oordeel stellen van alle oordeel, van alle menselijke inbreng en verdediging.

 
"Welnu, prent het u in, dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerspreken."

Als alle (rechts)grond je ontvalt, dan zal Ik de grond van je bestaan zijn. Zoals Ik dat was voor Mozes: "Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen" (Exodus 4,12) of voor Stefanus tegen wie zij niet opkonden vanwege "de wijsheid en de geest waarmee hij sprak" (Hand 6,10). Dat is overigens geen automatische garantie, dat de toehoorders zich zullen bekeren of de vervolging beëindigd wordt.

 
"Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood brengen."

De leerling zal evenals zijn Heer in situaties terecht komen waarin zijn boodschap vanuit elk menselijk standpunt als aanval gevoeld wordt. Zijn woord zal een scheiding teweeg brengen in alle aardse gemeenschappen, tot in de oercel van de samenleving toe, het gezin: "ouders, broers, bloedverwanten". Dan treedt voor hen de conflictsituatie in van 14,26 en 12,51: "van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn." Op die kritieke momenten moeten we ons lang te voren voorbereiden. Want in zulke situaties brengen we alleen datgene in waarop we gewoon waren ons vertrouwen te stellen. Ik kan me op deze situaties voorbereiden door me in het leven van alle dag niet onder druk te laten zetten, noch van links noch van rechts, door bewondering noch afkeuring, door werkdruk noch mensendruk. Ik word uitgenodigd om mij aan te sluiten bij God, om zijn partijganger te worden.

 
"Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam; geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen."

Geen haar zal verloren gaan? Hoe is dat te combineren met: "sommigen van u zullen u doden?" De martelaar weet op het moment van het lijden dat deze beide samengaan. Hij weet zich "onder de schutse van de Allerhoogste" (Psalm 91) en hoe deze hemelse bescherming hem toch niet noodzakelijk voor de dood zal bewaren. Het is geen bescherming tégen het lijden, maar ín het lijden.
Het geheim van de leerling bestaat in zijn "geduld", dat betekent, dat hij niet voor de bekoring bezwijkt om eigenmachtig een uitweg uit de impasse te forceren. Hij moet blijven onder de hem opgelegde opgave. Alleen in deze houding zal hij zijn leven bewaren tegen alle schijnbare ondergang in. Het dagelijkse leven en samenleven geeft aan de christen talrijke gelegenheden voor een onbloedig martelaarschap.

Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus, de eerste Bloedgetuige, die voor mij zijn Bloed heeft vergoten, opdat ik stand zou houden in de vervolging. En met de Vader in de hemel die zijn kinderen nabij is, juist in nood en verdrukking. Een Onze Vader.

Een korte terugblik of reflexie houden om te zien waar dit Woord van God aan mij is geschied en waar het Woord van God op mij afschampte:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen wijzen mij de weg waar ik in het dagelijkse leven geen geduld opbreng, eigen oplossingen forceer, compensaties zoek.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar prentte Hij mij zijn wijsheid in?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem?