Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vierde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
1 Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op
en, nadat Hij zich had neergezet,
kwamen zijn leerlingen bij Hem.
2 Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:
3 "Zalig de armen van geest,
want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
4 Zalig de treurenden,
want zij zullen getroost worden.
5 Zalig de zachtmoedigen,
want zij zullen het land bezitten.
6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,
want zij zullen verzadigd worden.
7 Zalig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
8 Zalig de zuiveren van hart,
want zij zullen God zien.
9 Zalig die vrede brengen,
want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
10 Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid,
want hun behoort het Rijk der hemelen.
11 Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt
en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil.
12a Verheugt u en juicht,
want groot is uw loon in de hemel."
Matteüs 5, 1-12a

Bidden is een vorm van evangelische zaligheid. Je ontdoet je zelf van allerlei bezigheden om je geluk in God alleen te zoeken. Op Hem moet ik mijn geest dan ook meteen al richten: eerst de geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen voor de plaats van het gebed breng ik me staande zijn tegenwoordigheid te binnen. Als Jezus spreekt, moet ik me voorstellen, dat Hij mij aanziet: "... zijn leerlingen kwamen bij Hem"...(5,1) "Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods" (Lc 6,20-21). Dan maak ik een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem in een gebaar van aanbidding.

Ik neem als houding van het gebed de houding aan, die mij het meeste helpt om het besef van zijn heilige tegenwoordigheid vast te houden: liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen, zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen wórd. Want in het gebed ben ik het niet zelf die mijn geluk maak.
Ik wórd er gelukkig gemaakt door God. In die houding vraag ik om de genade dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Nu ga ik de ruimte binnen van Gods openbaring in tijd en plaats: toen en daar. Eerst toen: door me de geschiedenis te binnen te brengen. De menigte gaat naar Jezus toe: "Grote volksmenigten uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en het Overjordaanse sloten zich bij Hem aan" (4,25). Maar toen Jezus deze menigte zag, keerde Hij zich eerst van hen af. Hij keerde ze de rug toe. Hij gaat de berg op, naar God toe. Het gebeuren van de kerk gaat uit van Jezus en Jezus gaat uit van God. Vanuit de plaats van God, de berg, verkondigt Jezus als een tweede Mozes een geluk van Godswege. Want een zaligheid is geluk van Godswege voor mensen die vanwege de mensen ongelukkig zijn. De laatste zaligspreking is de meest uitvoerige. De vervolgingssituatie wordt gezien als dé belichaming van alle menselijke onzaligheden: armoede van geest, verdriet, zachtmoedigheid, vredelievendheid, hongeren en dorsten naar gerechtigheid. De vervolgde kerk is bij uitstek arm, arm naar lichaam en geest. Zo kan ik de geschiedenis van toen doortrekken naar mijn eigen geschiedenis door mij af te vragen wat voor mij op dit ogenblik de belichaming is van de armoede. Zodoende stel ik Jezus in staat om aan mij zijn geluk te openbaren en mee te delen.

De plaats: de berg, een verhevenheid in het landschap vanwaar mensen en dingen beneden in de vlakte kleiner en de harde geluiden zachter en zelfs onhoorbaar worden. Maar voor God blijkt het juist andersom: wat groot is, ziet Hij over het hoofd; wat klein en onaanzienlijk is, arm en vervolgd, bezoekt Hij met zijn hemelse troost. God is groot in zijn aandacht voor de kleinen:

"Want zo spreekt de Hoogverhevene,
die troont voor eeuwig,
wiens naam de Heilige is:
Ik ben de Heilige die woont in den hoge,
maar ook in het geslagen en diep vernederd gemoed" (Jes 57,15).

Hier kan ik geen stap zetten uit eigen kracht. Dus vraag ik eerst om de bijzondere genade: dat ik Jezus mag leren kennen, want Hij is de zaligsprekingen in eigen Persoon. Als ik Hem leer kennen, zal ik ook het ware geluk hebben. Alle mensen zoeken naar geluk. Weinigen schijnen te weten waarin het ware geluk bestaat.

 
Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus.

De mensen komen naar Jezus toe met "velerlei ziekten en pijnen ... bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen" (4,24). Zij zoeken genezing van hun kwalen. Jezus komt hun daarin tegemoet: "En Hij genas hen" (4,25). Meer nog: Jezus gaat nu de berg op om te openbaren wat de eigenlijke inhoud van zijn zending is. Een zending van Godswege en een geluk van Godswege. Daarom bestijgt Jezus de berg om van die heilige plaats zijn woord tot ons te richten.
Voordat Hij het woord tot hen richt, gaat Hij eerst zitten, dat is de houding waarin de leraren in de oudheid met gezag onderrichten. Eerst moet ik zelf in de houding van een leerling komen en "één en al oor" worden voor Hem die het Woord is. Eerst moet ik goed weten Wie het is die hier gaat spreken, vóórdat ik ga horen wát Hij zegt. Want Jezus is zelf de zaligsprekingen in eigen Persoon. Zelf is Hij om onzentwil "arm geworden" (2 Kor 8,9); zelf was Hij "bedroefd": "Ik ben bedroefd tot stervens toe" (26,38); zelf was Hij zachtmoedig: "Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel" (21,5). Jezus ís wat Hij zegt. De zaligsprekingen zijn pas te begrijpen, wanneer men Jezus voor zich ziet, hangend aan het kruis of verschijnend aan zijn leerlingen en wijzend naar de wonden in zijn handen en zijn zijde (Joh 20,20 en 27).

 
"Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig."

"Zalig" betekent niet gewoon "gelukkig, "happy". Dat is een aards, binnenwereldse vorm van gelukkig zijn. De "zaligheid" van de zaligheden is een vorm van religieus geluk, een gezegend zijn door God. Dat kan heel goed samengaan met zogenaamd ongelukkige omstandigheden. Het evangelie gaat niet over al die dingen die ons verzadigen en verzaligen, die wij zalig vinden: "Het ga je goed", "goede reis", "vaar wel", "wel thuis", "het beste ermee", "veel succes", "zorg goed voor jezelf", "denk aan je gezondheid." Daar hebben we het evangelie niet voor nodig. Het evangelie begint waar wij ophouden. Daarom is het juist een blijde boodschap. Als niemand er meer iets in ziet, ziet God er nog iets in. Want God houdt niet op, waar wij eindigen. "Zalig de armen van geest". Zalig die zich in hun geest voelen zoals een arme zich voelt. Waarin bestaat dan die zaligheid? In God, dat zij zich rijk voelen met God. Als je arm bent, heeft Jezus nog een geluk voor je. Waar iedereen je voor ongelukkig maakt, is er een aanbod van evangelisch geluk.
Ken ik mensen die in vrede zijn bij hun ongeluk, ziekte, ouderdom, tegenslag? Titus Brandsma verwoordde dat geluk in zijn Scheveningse cel:

  1. O Jezus, als ik U aanschouw,
    dan leeft weer, dat ik van U hou.
    En dat ook uw hart mij bemint,
    nog wel als uw bijzondere vriend.
     
  2. Al vraagt mij dat meer lijdensmoed,
    och, alle lijden is mij goed,
    omdat ik daardoor U gelijk
    en dit de weg is naar uw Rijk.
     
  3. Ik ben gelukkig in mijn leed,
    omdat ik het geen leed meer weet,
    maar 't alleruitverkorenst lot,
    dat mij vereent met U, o God.
     
  4. O, laat mij hier maar stil alleen,
    het kil en koud zijn om mij heen.
    En laat geen mensen bij mij toe:
    't alleen zijn word ik hier niet moe.
     
  5. Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
    ik was U nimmer zo nabij.
    Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet:
    uw bijzijn maakt mij alles goed. (12 februari 1942)

Ga nu op zoek naar de eigen armoede. De pijn en het vernederende ervan willen voelen, durven te doorvoelen in het geloof, dat Hij weet heeft van je pijn en je niet alleen bent met je ongeluk: "Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord... Het geweeklaag van de Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen... Ik heb gezien hoezeer de Egyptenaren hen onderdrukken" (Ex 3,7.9).
Daar ligt het begin van het nieuwe geluk: weten hoe Hij weet heeft van je ongeluk. Geloof ik dat?

 
"...want aan hen behoort het Rijk der hemelen ... zij zullen getroost worden ... zij zullen het land bezitten ... zij zullen verzadigd worden ... zij zullen barmhartigheid ondervinden ... zij zullen God zien ... zij zullen kinderen van God genoemd worden ... Groot is uw loon in de hemel."

Zijn de zaligsprekingen een wissel op de toekomst, een wissel op de hemel voor het aardse failliet? Of zijn het psychologische suggesties: "Je voelt je wel niet gelukkig, maar in feite ben je het wél?"
Nee, de zaligsprekingen zijn toe-zeggingen: ga daarnaar op zoek en je zúlt het vinden. De bittere smaak van je armoede zal veranderen in het hoogste zoet. Dan keer je terug naar het verloren paradijs. Want wat was de opperste zaligheid van het paradijs? De heerlijke vruchtbomen, de vrede met de dieren, met het milieu, de innerlijke rust, de onderlinge harmonie? Ja, dat alles, maar gefundeerd in de harmonie met God, uitgedrukt in het wandelen met God in het middaguur.
Toen deze vertrouwelijkheid wegviel, viel alles weg. En als bij een mens alles wegvalt wat aan de natuur bevalt of hij ontzegt zich dit alles vrijwillig zoals de monniken in de kloosters, dan keert hij terug naar het aards paradijs, tenminste wanneer hij dit beleeft in een geest van armoede, in armoede van geest.
Zo herstelt Jezus de oorspronkelijke gerechtigheid, het originele plan van God met de mensen.

 
"... Rijk der hemelen... getroost worden (door God) ... verzadigd worden (door God), barmhartigheid ondervinden (van God) ... kinderen van God genoemd worden ... Rijk der hemelen ... loon in de hemel."

Jezus zegt niet: "Zalig de armen, want aan hen behoort het rijk der aarde", maar: "aan hen behoort het Rijk der hemelen." Niet de aarde en haar rijkdommen wordt de arme in het vooruitzicht gesteld, maar de hemel en haar schatten. Jezus kondigt geen machtsovername aan van de ene sociale klasse door de andere; wat Hij aankondigt, is de machtsovername door God. Geen sociale revolutie alleen, maar een totale, reikend tot in de wortels van het bestaan. Wat Jezus in het vooruitzicht stelt, is: God komt; God is in aantocht; zijn heerschappij begint vorm te krijgen. En daardoor wordt alles anders. Alle menselijke verhoudingen worden erdoor op de kop gezet. Niet dat de armen meteen rijker worden of de rijken armer, de bedroefden blij en de vervolgden vrij. Nee, de verandering die Jezus bedoelt, grijpt veel dieper in: het arm-zijn zelf begint van aard te veranderen: in plaats van iets negatiefs waarvan men zo snel mogelijk bevrijd moet worden, krijgt armoede iets positiefs, iets "zaligs". Want armoede trekt God aan: "God heeft neergezien op de kleinheid van zijn dienstmaagd" (Lc 1,48).
Doordat God een rijkdom voor mij wordt, wordt het vernederende en kwetsende en grievende van de armoede iets om me over te verheugen. Te verheugen waarop? Op God die zich de arme aantrekt. De verandering zit hem in de aanwezigheid van God. Die aanwezigheid is zo bemoedigend dat de treurenden erdoor getroost worden.
Kan ik me rijk voelen met God? Met God alleen? Waar zou ik de machtsovername van God in de hand kunnen werken?

 
"Zalig de zachtmoedigen ... Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ... Zalig de barmhartigen ... Zalig die vrede brengen ... Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid ..."

Worden de armen daar beter van? En de vervolgden en de rechtelozen? Daar worden veel mensen beter van. Want als mensen zich door dit evangelie ertoe laten brengen om zelf niet zo op eigen recht te staan, krijgen anderen eerder het recht dat hun toekomt. Als mensen zich ontdoen van hun aardse rijkdommen om de arme Christus na te volgen, dan schiet er al gauw iets voor de armen over. Christendom is niet enkel ontwikkelingshulp en het is niet goed om het evangelie alleen maar te gebruiken als motor voor sociale bevrijding. Maar die ontwikkeling, die vrede en die emancipatie worden niet uitgesloten. Ze worden ingesloten, geïntegreerd in iets wat omvattender is. Want in het evangelie gaat het nooit om de mens alleen. Jezus Christus heeft eerst en vooral oog voor God. Maar wanneer God recht wordt gedaan, worden ook alle andere verhoudingen recht getrokken, ook de verhoudingen tussen arm en rijk, heersers en onderdrukten. De weg van de kerk is een andere dan die van de aardse bevrijdingsbewegingen. Zij jaagt de rijken en de armen niet tegen elkaar op, maar probeert beiden, rijk en arm, zich te laten bekeren tot Jezus, de schat van hun hart. Wanneer rijken en armen in Jezus hun grootste rijkdom hebben gevonden, dan zullen de rijken minder krampachtig hun rijkdommen verdedigen en dan zullen de armen minder gewelddadig zijn tegenover de rijken. Zo doet de kerk aan ontwikkelingshulp en emancipatie. Via een bekering tot Jezus.
Wanneer mensen zich openstellen voor een toekomst van Godswege, komen alle verhoudingen beter te liggen: niet alleen in de grote wereld, maar ook in de kleine wereld van het eigen hart kan er een aardverschuiving optreden, wanneer ik daar Gods aanwezigheid meer zou toelaten. Ik kan mijn zondeschuld, mijn armoede, mijn gebreken, mijn vergroeiingen, het kinderachtige of achtergeblevene en onderontwikkelde in mezelf behandelen zoals de rijken de armen behandelen of de rijke landen de arme door ze te beleven als dingen die het daglicht niet kunnen velen en dus zoveel mogelijk verdrongen moeten worden. Maar in zijn tegenwoordigheid zouden ze ook te beleven zijn als trekpleisters van Gods genade.
Ik kan op zoek gaan naar de "achterbuurten" van mijn hart en ze doorlopen, maar nu samen met Jezus, ze bezien met Jezus' oog.

Aan het eind ben ik beter in staat om met Jezus te spreken en me door Jezus te laten toespreken. Daarom eindigen met gesprekjes: met Jezus die zelf heeft geleefd als een arme, zonder iets waar Hij zijn hoofd op kon laten rusten (8,20), Hij werd geplaagd door honger en dorst, Hij heeft geweend: over Jeruzalem, aan het graf van Lazarus, in de Hof van Olijven. Hij werd gehaat en uitgestoten, beschimpt en uit de samenleving gebannen. Ze brachten Hem buiten de stad: te onheilig voor de heilige stad. Me door Jezus naar de Vader laten brengen en bij Hem mijn hart uitstorten bij wie Jezus het is blijven zoeken: "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46).

De tijd na het gebed is de meest geschikte tijd om te onderscheiden wat voor krachten of geesten er zich in mij bewegen. Daartoe kan ik de vragen van de reflexie beantwoorden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen betreffen doorgaans die terreinen in mijn leven waar ik mij iets heb toegeëigend, bijvoorbeeld tijd, eer, werk, genegenheid, talenten, gezondheid enz.; waar ik niet de geest van een arme heb.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar was ik echt gelukkig met een of andere vorm van geestelijke of reële armoede?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Hier gaat het over duurzame gevoelens, die enigszins onafhankelijk blijken van de omstandigheden (dat ik bid of niet bid).