Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 1 | en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. |
| 2 | |
| 3 | want aan hen behoort het Rijk der hemelen. |
| 4 | want zij zullen getroost worden. |
| 5 | want zij zullen het land bezitten. |
| 6 | want zij zullen verzadigd worden. |
| 7 | want zij zullen barmhartigheid ondervinden. |
| 8 | want zij zullen God zien. |
| 9 | want zij zullen kinderen van God genoemd worden. |
| 10 | want hun behoort het Rijk der hemelen. |
| 11 | en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil. |
| 12a | want groot is uw loon in de hemel." |
| Matteüs 5, 1-12a |
Bidden is een vorm van evangelische zaligheid. Je ontdoet je zelf van allerlei bezigheden om je geluk in God alleen te zoeken. Op Hem moet ik mijn geest dan ook meteen al richten: eerst de geest laten rusten bij Hem.
Een paar passen voor de plaats van het gebed breng ik me staande zijn tegenwoordigheid te binnen. Als Jezus spreekt, moet ik me voorstellen, dat Hij mij aanziet: "... zijn leerlingen kwamen bij Hem"...(5,1) "Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods" (Lc 6,20-21). Dan maak ik een gebaar van eerbied, ik maak me klein voor Hem in een gebaar van aanbidding.
Ik neem als houding van het gebed de houding aan, die mij
het meeste helpt om het besef van zijn heilige tegenwoordigheid
vast te houden: liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen,
zodat ik er beter op kan letten hoe ik bewogen wórd. Want in het
gebed ben ik het niet zelf die mijn geluk maak.
Ik wórd er
gelukkig gemaakt door God.
In die houding vraag ik om de genade dat al mijn
bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in
dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Nu ga ik de ruimte binnen van Gods openbaring in tijd en plaats: toen en daar. Eerst toen: door me de geschiedenis te binnen te brengen. De menigte gaat naar Jezus toe: "Grote volksmenigten uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en het Overjordaanse sloten zich bij Hem aan" (4,25). Maar toen Jezus deze menigte zag, keerde Hij zich eerst van hen af. Hij keerde ze de rug toe. Hij gaat de berg op, naar God toe. Het gebeuren van de kerk gaat uit van Jezus en Jezus gaat uit van God. Vanuit de plaats van God, de berg, verkondigt Jezus als een tweede Mozes een geluk van Godswege. Want een zaligheid is geluk van Godswege voor mensen die vanwege de mensen ongelukkig zijn. De laatste zaligspreking is de meest uitvoerige. De vervolgingssituatie wordt gezien als dé belichaming van alle menselijke onzaligheden: armoede van geest, verdriet, zachtmoedigheid, vredelievendheid, hongeren en dorsten naar gerechtigheid. De vervolgde kerk is bij uitstek arm, arm naar lichaam en geest. Zo kan ik de geschiedenis van toen doortrekken naar mijn eigen geschiedenis door mij af te vragen wat voor mij op dit ogenblik de belichaming is van de armoede. Zodoende stel ik Jezus in staat om aan mij zijn geluk te openbaren en mee te delen.
De plaats: de berg, een verhevenheid in het landschap vanwaar mensen en dingen beneden in de vlakte kleiner en de harde geluiden zachter en zelfs onhoorbaar worden. Maar voor God blijkt het juist andersom: wat groot is, ziet Hij over het hoofd; wat klein en onaanzienlijk is, arm en vervolgd, bezoekt Hij met zijn hemelse troost. God is groot in zijn aandacht voor de kleinen:
"Want zo spreekt de Hoogverhevene,
die troont voor eeuwig,
wiens naam de Heilige is:
Ik ben de Heilige die woont in den hoge,
maar ook in het geslagen en diep vernederd gemoed" (Jes 57,15).
Hier kan ik geen stap zetten uit eigen kracht. Dus vraag ik eerst om de bijzondere genade: dat ik Jezus mag leren kennen, want Hij is de zaligsprekingen in eigen Persoon. Als ik Hem leer kennen, zal ik ook het ware geluk hebben. Alle mensen zoeken naar geluk. Weinigen schijnen te weten waarin het ware geluk bestaat.
Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat
Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam
het woord en onderrichtte hen aldus.
De mensen komen naar Jezus toe met "velerlei ziekten en pijnen
... bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen" (4,24). Zij
zoeken genezing van hun kwalen. Jezus komt hun daarin tegemoet:
"En Hij genas hen" (4,25). Meer nog: Jezus gaat nu de berg op om
te openbaren wat de eigenlijke inhoud van zijn zending is. Een
zending van Godswege en een geluk van Godswege. Daarom bestijgt
Jezus de berg om van die heilige plaats zijn woord tot ons te
richten.
Voordat Hij het woord tot hen richt, gaat Hij eerst zitten,
dat is de houding waarin de leraren in de
oudheid met gezag onderrichten. Eerst moet ik zelf
in de houding van een leerling komen en "één en al oor" worden
voor Hem die het Woord is. Eerst moet ik goed weten Wie het is
die hier gaat spreken, vóórdat ik ga horen wát Hij zegt. Want
Jezus is zelf de zaligsprekingen in eigen Persoon. Zelf is Hij om
onzentwil "arm geworden" (2 Kor 8,9); zelf was Hij "bedroefd":
"Ik ben bedroefd tot stervens toe" (26,38); zelf was Hij
zachtmoedig: "Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten
op een ezel" (21,5). Jezus ís wat Hij zegt. De zaligsprekingen
zijn pas te begrijpen, wanneer men Jezus voor zich ziet, hangend
aan het kruis of verschijnend aan zijn leerlingen en wijzend naar
de wonden in zijn handen en zijn zijde (Joh 20,20 en 27).
"Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig... Zalig...
Zalig... Zalig."
"Zalig" betekent niet gewoon "gelukkig, "happy". Dat is een
aards, binnenwereldse vorm van gelukkig zijn. De "zaligheid" van
de zaligheden is een vorm van religieus geluk, een gezegend zijn
door God. Dat kan heel goed samengaan met zogenaamd ongelukkige
omstandigheden. Het evangelie gaat niet over al die dingen die
ons verzadigen en verzaligen, die wij zalig vinden: "Het ga je
goed", "goede reis", "vaar wel", "wel thuis", "het beste ermee",
"veel succes", "zorg goed voor jezelf", "denk aan je
gezondheid." Daar hebben we het evangelie niet voor nodig. Het
evangelie begint waar wij ophouden. Daarom is het juist een
blijde boodschap. Als niemand er meer iets in ziet, ziet God er
nog iets in. Want God houdt niet op, waar wij eindigen.
"Zalig de armen van geest". Zalig die zich in hun geest voelen
zoals een arme zich voelt. Waarin bestaat dan die zaligheid? In
God, dat zij zich rijk voelen met God. Als je arm bent, heeft
Jezus nog een geluk voor je. Waar iedereen je voor ongelukkig
maakt, is er een aanbod van evangelisch geluk.
Ken ik mensen die in vrede zijn bij hun ongeluk, ziekte,
ouderdom, tegenslag? Titus Brandsma verwoordde dat geluk in zijn
Scheveningse cel:
Ga nu op zoek naar de eigen armoede. De pijn en het vernederende
ervan willen voelen, durven te doorvoelen in het geloof, dat Hij
weet heeft van je pijn en je niet alleen bent met je ongeluk: "Ik
heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten
om zijn onderdrukkers gehoord... Het geweeklaag van de
Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen... Ik heb gezien hoezeer
de Egyptenaren hen onderdrukken" (Ex 3,7.9).
Daar ligt het begin
van het nieuwe geluk: weten hoe Hij weet heeft van je ongeluk.
Geloof ik dat?
"...want aan hen behoort het Rijk der hemelen ... zij
zullen getroost worden ... zij zullen het land bezitten ... zij
zullen verzadigd worden ... zij zullen barmhartigheid
ondervinden ... zij zullen God zien ... zij zullen kinderen van God
genoemd worden ... Groot is uw loon in de hemel."
Zijn de zaligsprekingen een wissel op de toekomst, een wissel op
de hemel voor het aardse failliet? Of zijn het psychologische
suggesties: "Je voelt je wel niet gelukkig, maar in feite ben je
het wél?"
Nee, de zaligsprekingen zijn toe-zeggingen: ga daarnaar
op zoek en je zúlt het vinden. De bittere smaak van je armoede
zal veranderen in het hoogste zoet. Dan keer je terug naar het
verloren paradijs. Want wat was de opperste zaligheid van het
paradijs? De heerlijke vruchtbomen, de vrede met de dieren, met
het milieu, de innerlijke rust, de onderlinge harmonie? Ja, dat
alles, maar gefundeerd in de harmonie met God, uitgedrukt in het
wandelen met God in het middaguur.
Toen deze vertrouwelijkheid
wegviel, viel alles weg. En als bij een mens alles wegvalt wat
aan de natuur bevalt of hij ontzegt zich dit alles vrijwillig
zoals de monniken in de kloosters, dan keert hij terug naar het
aards paradijs, tenminste wanneer hij dit beleeft in een geest
van armoede, in armoede van geest.
Zo herstelt Jezus de
oorspronkelijke gerechtigheid, het originele plan van God met de
mensen.
"... Rijk der hemelen... getroost worden (door God) ...
verzadigd worden (door God), barmhartigheid ondervinden (van
God) ... kinderen van God genoemd worden ... Rijk der hemelen ...
loon in de hemel."
Jezus zegt niet: "Zalig de armen, want aan hen behoort het rijk
der aarde", maar: "aan hen behoort het Rijk der
hemelen." Niet de aarde en haar rijkdommen wordt de arme in
het vooruitzicht gesteld, maar de hemel en haar schatten. Jezus
kondigt geen machtsovername aan van de ene sociale klasse door de
andere; wat Hij aankondigt, is de machtsovername door God. Geen
sociale revolutie alleen, maar een totale, reikend tot in de
wortels van het bestaan. Wat Jezus in het vooruitzicht stelt, is:
God komt; God is in aantocht; zijn heerschappij begint vorm te
krijgen. En daardoor wordt alles anders. Alle menselijke
verhoudingen worden erdoor op de kop gezet. Niet dat de armen
meteen rijker worden of de rijken armer, de bedroefden blij en de
vervolgden vrij. Nee, de verandering die Jezus bedoelt, grijpt
veel dieper in: het arm-zijn zelf begint van aard te veranderen:
in plaats van iets negatiefs waarvan men zo snel mogelijk bevrijd
moet worden, krijgt armoede iets positiefs, iets "zaligs". Want
armoede trekt God aan: "God heeft neergezien op de kleinheid van
zijn dienstmaagd" (Lc 1,48).
Doordat God een rijkdom voor mij wordt, wordt het vernederende en
kwetsende en grievende van de armoede iets om me over te
verheugen. Te verheugen waarop? Op God die zich de arme aantrekt.
De verandering zit hem in de aanwezigheid van God. Die
aanwezigheid is zo bemoedigend dat de treurenden erdoor getroost
worden.
Kan ik me rijk voelen met God? Met God alleen? Waar zou ik de
machtsovername van God in de hand kunnen werken?
"Zalig de zachtmoedigen ... Zalig die hongeren en dorsten
naar de gerechtigheid ... Zalig de barmhartigen ... Zalig die vrede
brengen ... Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid ..."
Worden de armen daar beter van? En de vervolgden en de
rechtelozen? Daar worden veel mensen beter van. Want als mensen
zich door dit evangelie ertoe laten brengen om zelf niet zo op
eigen recht te staan, krijgen anderen eerder het recht dat hun
toekomt. Als mensen zich ontdoen van hun aardse rijkdommen om de
arme Christus na te volgen, dan schiet er al gauw iets voor de
armen over. Christendom is niet enkel ontwikkelingshulp en het is
niet goed om het evangelie alleen maar te gebruiken als motor
voor sociale bevrijding. Maar die ontwikkeling, die vrede en die
emancipatie worden niet uitgesloten. Ze worden ingesloten,
geïntegreerd in iets wat omvattender is. Want in het evangelie
gaat het nooit om de mens alleen. Jezus Christus heeft eerst en
vooral oog voor God. Maar wanneer God recht wordt gedaan, worden
ook alle andere verhoudingen recht getrokken, ook de verhoudingen
tussen arm en rijk, heersers en onderdrukten. De weg van de kerk
is een andere dan die van de aardse bevrijdingsbewegingen. Zij
jaagt de rijken en de armen niet tegen elkaar op, maar probeert
beiden, rijk en arm, zich te laten bekeren tot Jezus, de schat
van hun hart. Wanneer rijken en armen in Jezus hun grootste
rijkdom hebben gevonden, dan zullen de rijken minder krampachtig
hun rijkdommen verdedigen en dan zullen de armen minder
gewelddadig zijn tegenover de rijken. Zo doet de kerk aan
ontwikkelingshulp en emancipatie. Via een bekering tot Jezus.
Wanneer mensen zich openstellen voor een toekomst van
Godswege, komen alle verhoudingen beter te liggen: niet alleen in
de grote wereld, maar ook in de kleine wereld van het eigen hart
kan er een aardverschuiving optreden, wanneer ik daar Gods
aanwezigheid meer zou toelaten. Ik kan mijn zondeschuld, mijn
armoede, mijn gebreken, mijn vergroeiingen, het kinderachtige of
achtergeblevene en onderontwikkelde in mezelf behandelen zoals de
rijken de armen behandelen of de rijke landen de arme door ze te
beleven als dingen die het daglicht niet kunnen velen en dus
zoveel mogelijk verdrongen moeten worden. Maar in zijn
tegenwoordigheid zouden ze ook te beleven zijn als trekpleisters
van Gods genade.
Ik kan op zoek gaan naar de "achterbuurten" van mijn hart en ze
doorlopen, maar nu samen met Jezus, ze bezien met Jezus' oog.
Aan het eind ben ik beter in staat om met Jezus te spreken en me door Jezus te laten toespreken. Daarom eindigen met gesprekjes: met Jezus die zelf heeft geleefd als een arme, zonder iets waar Hij zijn hoofd op kon laten rusten (8,20), Hij werd geplaagd door honger en dorst, Hij heeft geweend: over Jeruzalem, aan het graf van Lazarus, in de Hof van Olijven. Hij werd gehaat en uitgestoten, beschimpt en uit de samenleving gebannen. Ze brachten Hem buiten de stad: te onheilig voor de heilige stad. Me door Jezus naar de Vader laten brengen en bij Hem mijn hart uitstorten bij wie Jezus het is blijven zoeken: "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest" (Lc 23,46).
De tijd na het gebed is de meest geschikte tijd om te
onderscheiden wat voor krachten of geesten er zich in mij
bewegen. Daartoe kan ik de vragen van de reflexie
beantwoorden: