Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Vijfde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
13 "Gij zijt het zout der aarde.
Maar als het zout zijn kracht verliest,
waarmee zal men dan zouten?
Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen
en door de mensen vertrapt te worden.
14 Gij zijt het licht der wereld.
Een stad kan niet verborgen blijven
als ze boven op een berg ligt!
15 Men steekt toch ook niet een lamp aan
om ze onder de korenmaat te zetten,
maar men plaatst ze op de standaard,
zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.
16 Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen,
opdat zij uw goede werken zien
en uw Vader verheerlijken die in de hemel is."
Matteüs 5, 13-16

Beginnen de geest te laten rusten bij Hem die het Licht van de wereld is. Alle licht ontlenen wij aan Hem, de bron van het licht, "God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God" (Geloofsbelijdenis).

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen, zien hoe Hij mij ziet, zoals Hij zijn leerlingen aankijkt, als Hij ze toespreekt. Een gebaar maken van eerbied, me klein maken ten opzichte van Hem.

De houding van het gebed aannemen, een houding van eerbied en ontvankelijkheid om van Hem de bederfwerende kracht en het licht te kunnen ontvangen.
In die houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit, zodat de mensen bij het zien van wat ik doe, de "Vader verheerlijken die in de hemel is".

Nu bereid ik me erop voor nog dieper het geheim van Gods zelfmededeling binnen te gaan door me de geschiedenis te binnen te brengen hoe Jezus zich hier openbaart als het zout en het licht van de wereld zonder Wie de aarde smakeloos en duister wordt. Jezus geeft aan zijn leerlingen de opdracht Hem voort te zetten in de geschiedenis van de kerk als het zout en als "Lumen gentium", "het licht van de volkeren".

Gods woord verovert onze aarde. Het rukt op van plaats tot plaats. Ergens is het ooit in volheid begonnen. Ik stel me die plaats voor ogen: de berg die Jezus besteeg om er de bergrede te verkondigen, dat wil zeggen: een heilige plaats. Ook kan ik me de plaatsen voor ogen stellen waar gelovigen omgeven worden door dit bovenaardse licht: de vervolgde kerk, de kerk van armen en kleinen, ver weg en dicht bij.

Ik vraag om de bijzondere genade, dat ik mijn Heer Jezus Christus mag leren kennen als het zout van de aarde en het licht van de wereld, een kennis die mij ertoe brengt om zelf te worden wat ik beschouw, namelijk zout en licht voor anderen.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Gij zijt het zout der aarde."

Wie is volgens Jezus het zout der aarde? Wie geven er smaak aan de wereld? Wie houden het bederf tegen in onze samenleving? De leerlingen die zich zo met Jezus hebben vereenzelvigd, dat zij omwille van Hem vervolgd worden, beschimpt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht worden (5,10-12)! In de flauwe mensenwereld geven zij smaak aan het leven. Zij werken zuiverend en bederfwerend in een wereld die aan haar eigen bederf te gronde zou gaan, een "ongelovig en verworden geslacht" (17,17). De loutere aanwezigheid van de christen werkt als de aanwezigheid van zout in voedsel: smaakgevend en bederfwerend. Wie zijn dus het zout van de aarde? De armen, de kleinen, de zwakken. Hoe spelen zij dat klaar? Zij hebben het wapen van de kleinen: God. God betekent iets voor de zwakken. Hij maakt hun zwakheid goed met zijn kracht en daarmee wordt onze aarde gezouten. Om God je kracht te laten zijn, is het nodig 1. dat je je zwakheid bewust bent; 2. dat je de bewust geworden zwakheid aanvaardt; 3. dat je erop vertrouwt, dat God je zwakheid kent en goedmaakt met zijn kracht: "de kracht (van God) openbaart zich eerst ten volle in zwakheid ... Dan zal de kracht van Christus in mij wonen" (2 Kor 12,9).
Wat is dus de pretentie van de kerk? Dat zij van haar zwakheid kracht weet te maken. Hoe ga ik om met mijn zwakheden? Verdring ik ze? Compenseer ik ze? Word ik opstandig, wanneer ik mijn grenzen ervaar? Of verval ik dan in zelfmedelijden? Dan is het zout krachteloos geworden.

 
"Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden."

Ons geloof is een gave. Het is een gave die zich vermenigvuldigt in de mate dat je ze uitdeelt. Het uitdelen veroorzaakt namelijk nieuwe zwakte en dus van Godswege een nieuwe behoefte om aan te vullen met zijn kracht. Maar het geloof is ook een opgave. Wie weigert met het talent te woekeren dat hem in Gods goedheid geschonken werd, hem wordt nog afgenomen wat hij heeft (25,29). Het is steeds weer een gevaar zich aan te passen aan de wereld in plaats van te vragen dat de wereld zich aanpast aan de kerk: "Stemt uw gedrag niet af op deze wereld; wordt andere mensen, geleid door een nieuw inzicht" (Rom 12,2). Heel ons spreken moet van de nieuwe geest doordrongen zijn: "Uw spreken zij steeds innemend, met een vleugje zout erbij, zodat ge iedereen het juiste antwoord weet te geven" (Kol 4,6). In de onderlinge verhoudingen tussen de volgelingen kan het zout zouteloos worden, wanneer men er zich schaamt voor de eigen kleinheid en voor de kleinen in de groep. Want na de ruzie "over de vraag wie de grootste was" (Mc 9,34) en na het woord over het ergernis geven aan "een van deze kleinen die geloven", klinkt de vermaning van Jezus: "Iedereen zal met vuur gezouten worden. Het zout is iets goeds; maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven? Hebt zout in uzelf en leeft in vrede met elkaar" (Mc 9,49). Wie Jezus volgt, is als zout voor de wereld. Maar als iemand van zijn oorspronkelijk ja-woord iets terugneemt, verliest het zout zijn kracht. Zo iemand deugt nog minder dan wie nooit Christus' roepstem hebben gehoord: "Het zout is iets goeds; maar als ook het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het dan bruikbaar gemaakt worden? Dan deugt het noch voor het land noch voor de mest, maar men gooit het weg" (Lc 14,34-35).

 
"Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn."

Er gaat een goddelijk licht uit van de volgelingen van Jezus, die als "armen van geest", als "treurenden", als "zachtmoedigen", als "hongerend en dorstend naar de gerechtigheid", als "barmhartigen", als "zuiveren van hart", als vredebrengers, als vervolgden om de gerechtigheid door het leven gaan. De gelovigen zijn lichtpuntjes in een duistere wereld. Het is niet het licht van intelligentie, van verlichte kennis, van wetenschap, van filosofische verantwoording, maar van het geloof. Dat is voor de wereld meer duisternis dan licht. Het is het licht waarmee Christus' gelaat omstraald is: "Dezelfde God die gezegd heeft: Licht moet schijnen uit het duister, is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid die ligt over het gelaat van Christus" (2 Kor 4,6).
Zoals de kracht van God samengaat met zwakheid van onze kant ("broze vaten", 2 Kor 4,7), zo gaat het licht van God samen met duisternis. Bij de goede werken van de christenen is altijd iets van kleinheid, iets dat hen klein maakt in de ogen van anderen. Geen goed werk zonder iets van kruis erbij. Anders dient het goede werk de eigen zelfverheerlijking in plaats van de verheerlijking van God.

 
"Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is."

We zijn er niet voor om zomaar goede werken te doen, maar om goede werken te doen die de aandacht van ons afleiden naar God toe: "opdat ze uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is." Jezus is er een meester in geweest om met zijn goede werken de mensen bij God te brengen: "Toen de menigte dit (de opwekking van de lamme) zag, werd zij door ontzag bevangen en zij verheerlijkte God, die zulk een macht gegeven had aan mensen" (8,8). De tegenstanders zijn eraan te herkennen, dat zij bij Jezus' goede werken in de tegengestelde richting kijken: "de vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven" (9,34). Het volk richt het oog naar de hemel, naar Jezus' Vader: "En zij verheerlijkten de God van Israël" (15,31). Gaat de aandacht teveel naar Jezus zelf, dan onttrekt Jezus zich aan deze belangstelling: "Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen dat Hij de Christus was" (16,20); "Spreekt met niemand over wat ge aanschouwd hebt, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan" (17,9); "Zorgt ervoor dat ge het niemand zegt", drukt Jezus de genezen melaatse op het hart (8,4). Op het kruis zorgt Jezus ervoor, dat Hij helemaal verborgen is en de Vader helemaal openbaar. Dan is het: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh 14,9). Wil ik graag geprezen worden om wat ik aan goede werken doe?

Aan het eind gesprekjes voeren: met de leerlingen die voor het eerst deze wonderlijke woorden hebben gehoord en met deze aanspraken werden geconfronteerd. Met Jezus: het licht van de wereld, het zout der aarde. En tenslotte met de Vader die door mijn goede werken moet worden verheerlijkt. Een Onze Vader bidden.

De gelegenheid waarnemen om de geesten te onderscheiden door de reflexie te doen aan de hand van de vragen:

  1. Waar was ik toen niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen ben ik op mij zelf betrokken, op mijn eigen eer.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar werd ik iets van de glans van Jezus in mijzelf gewaar?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Wanneer na afloop van het gebed de uitwerking ervan als het ware vanzelf doorgaat, dan is dat het beste bewijs, dat God in mij aan het werk is geweest.