Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zesde zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
17 "Denkt niet dat Ik gekomen ben
om Wet of Profeten op te heffen.
Ik ben niet gekomen om op te heffen,
maar om de vervulling te brengen.
18 Want voorwaar, Ik zeg u:
Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan,
dan dat één jota of haaltje vergaat uit de Wet,
voordat alles geschied is.
19 Wie dus één van die voorschriften,
zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert,
zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen,
maar wie ze onderhoudt en leert,
zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.
20 Ik zeg u: Als uw gerechtigheid
die van de schriftgeleerden en Farizeeën
niet ver overtreft, zult gij zeker
niet binnengaan in het Rijk der hemelen.
21 Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd:
Gij zult niet doden.
Wie doodt, zal strafbaar zijn voor het gerecht.
22 Maar Ik zeg u: Alwie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka,
zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin;
en wie zegt: dwaas,
zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.
23 Als gij uw gave komt brengen naar het altaar
en daar schiet u te binnen,
dat uw broeder iets tegen u heeft,
24 laat dan uw gave voor het altaar achter,
ga u eerst met uw broeder verzoenen
en kom dan terug om uw gave aan te bieden.
25 Haast u het eens te worden met uw tegenpartij,
zolang ge nog met hem onderweg zijt;
anders zou uw tegenpartij
u wel eens aan de rechter kunnen overleveren,
en de rechter u aan de gerechtsdienaar,
en zoudt ge in de gevangenis worden geworpen.
26 Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen,
voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.
27 Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult geen echtbreuk plegen.
28 Maar Ik zeg u:
Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren,
heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd.
29 Indien uw rechteroog u tot zonde dreigt te brengen,
ruk het uit en werp het van u weg;
want het is beter voor u,
dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
30 En als uw rechterhand u tot zonde dreigt te brengen,
hak ze af en werp ze van u weg;
want het is beter voor u,
dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat
dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt.
31 Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot,
moet haar een scheidingsbrief geven.
32 Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot,
behalve in geval van ontucht,
brengt haar ertoe echtbreekster te worden;
en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk.
33 Eveneens hebt gij gehoord,
dat tot onze voorouders gezegd is:
Gij zult geen valse eed doen,
maar gij zult voor de Heer uw eden houden.
34 Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren;
noch bij de hemel, want dat is de troon van God;
35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank;
noch bij Jeruzalem,
want dat is de stad van de grote Koning.
36 Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren,
want gij kunt niet één haar wit of zwart maken.
37 Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen;
en wat daar nog bij komt, is uit den boze."
Matteüs 5, 17-37

Beginnen bij het begin, bij Hem, die de bergrede heeft uitgesproken, de wetgever die zijn eigen zending, zijn eigen zelfbewustzijn als fundament plaatst van de nieuwe wet. Bij Hem eerst mijn geest wat laten rusten, bij Hem, de Gezondene van de Vader, die "gekomen is om de vervulling te brengen".

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden, een ogenblik blijven stilstaan, de blik omhoog, naar de berg, de heilige plaats, vanwaar Jezus met goddelijk medelijden omlaag ziet naar mij; zien hoe Hij verlangt mij vrij te maken van zelfzucht en mensenvrees.
Een gebaar maken van eerbied, zodat ook mijn lichaam meedoet in de verering van mijn Verlosser en Bevrijder.

De houding van het gebed aannemen, zitten, liggen of knielen, de houding die mij het meeste helpt om het besef van zijn tegenwoordigheid in mij levendig te houden. In deze houding vraag ik om de genade, dat al mijn bedoelingen, (die inwendig zijn), mijn daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Zoals de joden in het Oude Verbond uit de hand van de middelaar Mozes de wet ontvingen om hun pas verworven vrijheid te garanderen, zo bereid ik me er nu op voor uit de hand van de nieuwe Middelaar Jezus de nieuwe wet te ontvangen, "de Wet van de vrijheid" (Jakobus 1,25), die mij deelachtig wil maken aan de "glorierijke vrijheid van de kinderen Gods" (Rom 8,21). Ik doorloop in het kort de geschiedenis: hoe Jezus geen nieuwe wetten oplegt en anderzijds de oude wetten niet afschaft, maar "de vervulling" ervan brengt door de door God bedoelde diepte ervan te openbaren, namelijk de dienst aan de evenmens voor wie God zorg wil dragen. Voortaan mogen wij Hemzelf ontmoeten in de diepte van ons geweten, waar Hij met goddelijke autoriteit ons verplicht de naaste steeds recht te doen. Mensenliefde krijgt een goddelijke afmeting. God zelf stelt er zich achter, dat wij de naaste liefhebben, maar tevens inspireert Hij ons daartoe met zijn eigen goddelijke Vaderliefde. De liefde voor Vader God doet ons van binnenuit onze medemensen zien als onze eigen broers en zussen, kinderen van Hem evenals wijzelf, vrijgekocht uit de slavernij van de zonde met het bloed van zijn eniggeboren Zoon, het offerlam van het Nieuw Verbond.
Na de inleidende beginselverklaring (5,16-19) wordt aan de hand van drie geboden (5, 6 en 8) steeds gezegd hoe deze wetten op een niet-wettische manier moeten worden beleefd: 1. het vijfde gebod (5,21-26); 2. het zesde gebod (5,27-31); 3. het achtste gebod (5, 32-37).

De plaats is weer de heilige plaats, de berg vanwaar Jezus de bergrede hield. Op de berg heeft de mens het gevoel aan de grens te zijn van de aarde. Daar heeft hij gemakkelijker contact met de andere kant van de grens: de hemel. Zo is het ook met onze eigen aardse grenssituaties. Aan de grens van onze eigen kracht laat Hij zich ontmoeten. Om in mijn eigen grenssituaties niet op mezelf terug te vallen, maar Hem te ontmoeten met zijn kracht, daarvoor heb ik een bijzondere genade nodig: een liefdevolle kennis van Christus onze Heer, zodat Hij mij motiveert om in mijn medemensen broeders en zusters te zien van Hem.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet of Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen."

Eerst moeten we geloven in Jezus als de Gezondene van de Vader, dan pas kunnen wij zijn wet aanvaarden. Want die wet vraagt alles: niet alleen de uiterlijke observantie waarmee de burgerlijke rechters genoegen nemen, maar ook het innerlijk, het terrein van bedoelingen en verlangens, begeerten en gevoelens. Jezus zien als de "komende", de komende wereldrechter die allen zal richten naar de normen die Hij nu gaat uitspreken. Maar Jezus is ook Degene die al gekomen is: "Denkt niet dat Ik gekomen bén"... "Ik bén niet gekomen...". Bij het luisteren naar de nieuwe wet, moeten wij de persoon van de Wetgever erbij voor ogen hebben. Want alleen door onze persoonlijke verbondenheid met Hem kunnen wij zijn nieuwe wet aannemen. Het menselijke geweten functioneert zo gebrekkig dat wij al voor de tien geboden een aparte openbaring nodig hadden. God zelf moet ervoor uit zijn toegankelijk licht tevoorschijn treden om het ons te openbaren. Ook voor de interpretatie van de tien geboden hebben wij een goddelijke exegeet nodig. Het menselijk geweten functioneert alleen ten volle in verbondenheid met Jezus Christus. Wil deze nieuwe interpretatie van de oude wet mij eigen worden, dan moet ik mij eerst de persoon van Jezus voor ogen stellen: Hij, "de Komende" (11,2-6), die al gekomen is. Jezus zelf moet voortaan mijn biechtspiegel zijn.

 
"Want voorwaar, Ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan dan dat één jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus één van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert, zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen."

Jezus schaft Wet en Profeten niet af, maar legt hun diepste bedoeling bloot: de liefde tot God en de naaste is de samenvatting van Wet en Profeten: "Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de profeten" (22,40). En het laatste vers van de bergrede vóór de epiloog (7,13-29) is de zogenaamde "gulden regel": "Alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten" (7,12). Van deze aldus samengevatte Wet en Profeten mag geen jota of haaltje vergaan. Om ons dat te zeggen, zegt Jezus gekomen te zijn. Het is de inzet van zijn komst. Alle andere geboden vinden daarin hun diepste zin en vervulling.

 
"Ik zeg u: Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen."

De farizeese gerechtigheid blijft meestal stilstaan bij de uiterlijke wetsvervulling, zodat men voor het oog van de mensen gerechtvaardigd is. Maar God kijkt in het hart waar de moord wordt beraamd en verlangd, de buitenechtelijke verhouding wordt begeerd. Is die farizeese gerechtigheid eigenlijk niet de spontane gerechtigheid van elke mens? De gerechtigheid die wordt gevraagd, is: dat God die in het verborgene ziet, voor mijn handelen minstens zo motiverend is als de blik van mijn medemensen.

 
"Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt, zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Alwie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin; en wie zegt: dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel."

De meest radicale wijze om een conflict op te lossen is het uit de weg ruimen van de ander. Daartegen treedt God op: "Gij zult niet doden." Maar in Jezus' nieuwe wet gaat God verder: je mag ook niet kwaad worden of schelden. Want daar begint de moord. Spanningen mogen er zijn, maar geen liefdeloosheid die zich uit in fel opkomende woede, in smeulende bitterheid of in scheldwoorden. Het is strafbaar met het vuur van de hel. Dat wil zeggen: God onttrekt aan zo iemand zijn aanwezigheid. Het is het adekwate antwoord op de houding van de toornige. God maande hem ertoe aan de ander door liefdevolle tegemoetkoming iets van Gods liefdevolle nabijheid te laten ervaren. Maar hij onttrok zich aan die vermanende stem en hij trok zijn handen van zijn medemens af. Dan zal God ook zijn handen aftrekken van hem.
Hier is een ruim veld voor zelfonderzoek. Hoeveel mensen die tegen abortus zijn, maken zich niet schuldig aan het in stand houden of de verbreiding van een klimaat waarin abortussen kunnen gedijen, bijvoorbeeld door het kleine en zwakke in zichzelf en bij anderen niet te ontzien? Iemand doodrijden mag niet, vindt wel zowat iedereen. Maar dodelijke blikken werpen naar een ander of iemand doodzwijgen mag ook niet.

 
"Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt ge in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald."

Het gaat hier om het oplossen van conflicten. Bijvoorbeeld in een schuldenkwestie. Een geldschieter is ongeduldig geworden. Hij wil met zijn schuldenaar naar de rechter om zo de betaling af te dwingen. Het is maar een voorbeeld van spanningen tussen mensen. God zelf komt tussenbeide in onze tussenmenselijke verhoudingen om ons aan te sporen het recht te verruilen voor barmhartigheid. Blijven wij op ons recht staan, dan zal Hij dat later ook doen. Zozeer engageert God zich met onze onderlinge verhoudingen.

 
"Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Ik zeg u: Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. Indien uw rechteroog u tot zonde dreigt te brengen, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen. En als uw rechterhand u tot zonde dreigt te brengen, hak ze af en werp ze van u weg; want het is beter voor u, dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt."

Niet slechts het doen van de zonde, maar ook het begeren is uit den boze. De overspelige daad begint in het begerige hart. God heeft welgevallen aan het zuivere hart: "Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien" (5,8). Vanouds hoorde het begeren van andermans vrouw al tot wat door het negende gebod was verboden. Het nieuwe van Jezus' uitleg bestaat erin dat Hij de begeerte op één lijn stelt met de daad. Begeren is méér dan alleen het verlangen van de zinnen. Dit verlangen is een bekoring en moet als zodanig worden afgewezen. Van begeerte kan men spreken als zich bij het verlangen de wil voegt. Zulk een begeerte is zelf zondig.

Ons geloof is een geloof van het hart. Onze zondigheid begint in het hart: "Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering. Die dingen zijn het die de mens bezoedelen" (15,19-20). Het oog waarmee gekeken wordt om de vrouw van een ander te begeren, is niet zelf zondig, maar heeft een extra discipline nodig wil het geen aanjager worden van steeds weer nieuwe verlangens en begeerten. De zinnen moeten aan de geest onderworpen worden, want anders zijn zij met hun hartstochtelijk geweld ons de baas.


"Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven. Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, brengt haar ertoe echtbreekster te worden; en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk."

Het was bij de joden bij de wet verboden een vrouw zonder meer aan de kant te zetten. Men moest haar een scheidingsbrief meegeven, waarmee zij voor het recht vrij was om opnieuw te huwen. Maar scheiden stond men toe. Jezus zegt: "Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvankelijk was dit echter niet zo" (19,8).
Jezus interpreteert de wet volgens de oorspronkelijke bedoeling van God: het monogame, onontbindbare huwelijk.
De uitzondering: "geval van ontucht" is eigenlijk geen uitzondering, maar een "huwelijk" in de verboden graden en dus zonder echte huwelijksband (Hand 15,29 en 1 Kor 5,1).


"Eveneens hebt gij gehoord, dat tot onze voorouders gezegd is: Gij zult geen valse eed doen, maar gij zult voor de Heer uw eden houden. Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren; noch bij de hemel, want dat is de troon van God; noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren, want gij kunt niet één haar wit of zwart maken. Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze."

Eigenlijk zou het eenvoudige ja en nee van de mensen even heilig moeten zijn en onaantastbaar als al die dingen waarbij de joden plachten te zweren, omdat ze niet almaar bij God zelf wilden zweren. Ons ja en nee zou ons even heilig moeten zijn als "hemel", "aarde", "Jeruzalem" of het eigen "hoofd", ja even heilig als Godzelf die dit van ons verlangt.

Niet zakelijk eindigen, maar persoonlijk en hartelijk. God wil hartelijk gediend worden, van ganser harte. Gesprekjes kunnen mij daarbij helpen. Met Jezus, als vrienden onder elkaar. Met de Vader die ons door Jezus zo nabij wordt gebracht. Tenslotte mijn gebed laten uitmonden in het gebed van de kerk, het Onze Vader.

De tijd onmiddellijk na het gebed leent er zich voor om te onderscheiden welke invloeden of geesten op ons inwerken. Een goede manier om deze geesten te lokaliseren is zich de volgende vragen te stellen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen hebben andere geesten de overhand op de geest van Jezus. Daar leef ik nog voor mezelf, opgesloten in misschien wel goede, maar aardse idealen van gerechtigheid.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar wist Hij door de woorden heen Zichzelf aan mij te openbaren?
  3. En nu na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat is zijn hoogste verlangen: om niet alleen tijdens het gebed, maar heel het leven met zijn schepselen samen te zijn.

De wetsvoorschriften