Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Zevende zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
38 "Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Oog om oog, tand om tand.
39 Maar Ik zeg u
geen weerstand te bieden aan het onrecht,
maar als iemand u op de rechterwang slaat,
keer hem dan ook de andere toe.
40 Als iemand u voor het gerecht wil dagen
en uw onderkleed afnemen,
laat hem dan ook het bovenkleed.
41 Als iemand u vordert één mijl met hem te gaan,
ga er twee met hem.
42 Geeft aan wie u vraagt,
en wendt u niet af als iemand van u lenen wil.
43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is:
Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten.
44 Maar Ik zeg u:
Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen,
45 opdat gij kinderen moogt worden
van uw Vader in de hemel,
die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden
en het laat regenen
over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
46 Want als gij bemint die u beminnen,
wat voor recht op loon hebt gij dan?
Doen de tollenaars niet hetzelfde?
47 En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan?
Doen de heidenen dat ook niet?
48 Weest dus volmaakt,
zoals uw Vader in de hemel volmaakt is."
Matteüs 5, 38-48

In het gebed wil God mij de onvermoede mogelijkheden van het menselijk hart openbaren, zodat ik er ook van binnenuit ja op kan zeggen. Daarom moet ik eerst de geest wat laten rusten bij Hem die mij gaat toespreken zoals destijds zijn leerlingen.

Zoals bij het binnenkomen in een kerk maak ik me eerst Gods tegenwoordigheid bewust, zien hoe Hij mij ziet, niet alleen als kind van deze ouders en kind van deze tijd, maar vooral als kind van zijn hemelse Vader, met dezelfde aard als zijn Vader om barmhartig te zijn jegens vijanden. De innerlijke gesteltenis van eerbied laten groeien door een gebaar te maken van eerbied.

Dan neem ik de houding aan van het gebed, liggend, zittend of geknield, naargelang het helpt om het besef van zijn aanwezigheid te schragen en te ondersteunen. God zal des te meer de God van hier en nu zijn, als ik verlang dat Hij de God zal zijn van heel mijn leven. Daarom vernieuw ik mijn verlangen om Hem met heel mijn leven te dienen door de genade te vragen dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie in het kort de geschiedenis: doordat God in aantocht is en in Jezus al is gekomen, wordt alles anders. Armoede wordt anders, namelijk een zaligheid; de verhouding tot de wet wordt anders: niet zo wettisch; en ook onze reacties op wat anderen ons aandoen, worden anders. Hoe gaan wij om met het onrecht dat anderen ons aandoen, of met de last die zij ons bezorgen? Daarvoor formuleert Jezus eerst het algemene beginsel: "geen weerstand te bieden aan het onrecht" (5,39) om vervolgens aan de hand van vier voorbeelden deze nieuwe ethiek van het Godsrijk te illustreren (5,39-42). Vervolgens openbaart Hij ons de nieuwe houding ten opzichte van de persoon van de vijand: beminnen en voor hem bidden. En het motief, de drijfreden en tevens drijfkracht die ons zoiets onmogelijks mogelijk moet maken, is: ons onze allerdiepste aard bewust maken: kind te zijn van de hemelse Vader die met zijn goede gaven ook niet discrimineert tussen goeden en slechten.
Het helpt bij het gebed, wanneer ik me de geschiedenis zo concreet voor ogen stel, dat ik ook de plaats zie waar deze geschiedenis een aanvang genomen heeft: op de berg, een heilige plaats, getekend door de omgang met God, de Hoogverhevene. Want men moet wel hoog klimmen om zulke diepe mogelijkheden van het menselijk hart te kunnen ontdekken.

Alleen door de heilige Geest kunnen wij God zien als de barmhartige Vader en onszelf als kind van die Vader, toegerust met diezelfde neiging tot barmhartigheid. Daarom vraag ik nu om de bijzondere genade, dat ik mag zien hoe ik méér ben dan puur natuur, met méér dan alleen spontane gevoelens van vijandschap tegenover vijanden en van vriendschap tegenover vrienden, dat ik mag zien hoe ik dezelfde aard mag hebben als Jezus en als zijn hemelse Vader met een liefde zonder grenzen.

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand. Maar Ik zeg u geen weerstand te bieden aan het onrecht."

"Oog om oog, tand om tand", het zogenaamde "ius talionis" was een poging om recht te spreken door de stroom van geweld uit de op wraak beluste mensenharten in te dijken. Want de spontane wraakgevoelens zijn juist niet uit op gelijke vergelding, maar op het veelvoud van het ondergane leed: "Als je mij één keer pakt, zal ik jou twee keer pakken." Het gewone woord dat spontaan opwelt uit het gekwetste hart, is: "dubbel en dwars", "ik zal het die ander dubbel en dwars betaald zetten." Soms heet het wel, dat iemand "een koekje zal geven van eigen deeg", maar dat geldt dan meer de kwaliteit dan de kwantiteit. Want wraakgevoelens zijn onverzadigbaar. Het oude recht probeerde die woeste gevoelens in te dammen door alleen maar betaling met gelijke munt toe te staan: oog om oog, tand om tand. Maar ook in dat geval gaat het kwaad door, namelijk in de vergelding. Kwaad wordt vergolden met kwaad. Aan het kwaad van de één aan de ander wordt het kwaad van de ander aan de één toegevoegd. Zo gaat het kwaad zijn eigen onstuitbare gang. Jezus wil dat wij het kwaad afstoppen door "niemand kwaad met kwaad te vergelden" (1 Tess 5,15; vgl Rom 12,17). Het gaat erom, dat het kwade in liefde wordt opgevangen en zo dood loopt. Het kwade van de ander moet verdwijnen in het eigen vergevingsgezinde hart. Hier kan ik nagaan hoe anderen mij onrecht deden en hoe ik daar toen op heb gereageerd.

 
"... maar als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe."

Dit hoeft niet letterlijk opgevat te worden. Jezus zelf deed dat niet. Toen men Hem een kaakslag gaf, keerde Hij niet de andere wang toe, maar gaf een beheerst en waardig antwoord. Er kwamen geen rancuneuze gevoelens op in zijn heilig hart (Joh 18,22). Men herkende in Hem de lijdende dienstknecht van de Heer van wie geschreven staat:

"Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan,
en mijn wangen aan hen die mij de baard uitrukten;
mijn gezicht heb ik niet onttrokken
aan beschimping en bespuwing" (Jes 50,6).
Een slag in het gezicht is een grove vorm van geweldpleging, uitermate vernederend. Woede en gekwetstheid zijn de spontane, "natuurlijke" reacties. Maar juist zoals bij God zijn er diepere mogelijkheden in ons hart:
"Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week.
Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen,
Efraïm niet opnieuw te gronde richten,
want Ik ben God, Ik ben geen mens,
Ik ben de Heilige in uw midden.
Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn" (Hosea 11,9).
Jezus is de Heilige in ons midden, in het midden ook van ons hart.

 
"Als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed."

Hier gaat het om iemand die niets meer heeft dan alleen een hemd en een mantel, een onder- en een bovenkleed. Maar hij steekt zo ver in de schuld, dat het hemd hem ook nog afgenomen gaat worden om te dienen als onderpand. Jezus zegt: niet moeilijk doen, maar "laat hem dan ook het bovenkleed". Daar staat hij dan zonder hemd en mantel, naakt, en uitgeleverd aan kou en schande. Want de mantel diende iemand niet alleen als bovenkleed, maar ook als deken voor de nacht. Van rechtswege zo onmisbaar geacht, dat deze in elk geval vóór zonsondergang moest worden teruggegeven, want "hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken; het is de beschutting van zijn blote lichaam; hij moet erin slapen" (Ex 22,25-26). Met andere woorden: in plaats van op je recht te staan, sta je ook je laatste rechten af. De bedoeling is wel om zo in te werken op het hart van je schuldeiser. In deze geest handelde Martin Luther King: "Wij zullen uw vermogen om ons leed te berokkenen bot maken door ons vermogen leed te verdragen."

 
"Als iemand u vordert één mijl met hem te gaan, ga er twee met hem."

Dit slaat op het recht van de bezettende macht om van de plaatselijke bevolking bepaalde diensten te "vorderen" of te "requireren". Zo werd bijvoorbeeld Simon van Cyrene "gevorderd" om voor Jezus het kruis te dragen (27,32). Zo kon een soldaat vorderen dat je zijn bagage droeg, of dat je in een onveilige landstreek hem een stuk van de weg gezelschap hield. Geen reden, zegt Jezus, om je kwaad te maken. Integendeel: stapel vurige kolen op zijn hoofd (Rom 12,20) door nog een tweede mijl met hem te gaan. Ook hier is het geen wet die ons wordt voorgeschreven, maar een richting die ons wordt getoond naar een totaal nieuwe manier om met conflicten om te gaan.

 
"Geeft aan wie u vraagt, en wendt u niet af als iemand van u lenen wil."

Hier is geen sprake meer van fysieke of morele dwang, maar van simpel last ondervinden doordat je een aalmoes gevraagd wordt of dat iemand je iets te leen vraagt. Stel dan niet je eigenbelang centraal, maar het belang van de ander, is de nieuwe moraal van het Godsrijk. Deze moraal gaat ervan uit, dat een mens niets in eigendom heeft, maar dat alles wat hij heeft, hem als een rentmeester wordt toevertrouwd (Lc 16,1-9). We moeten dat geld beheren in de geest van God: om er anderen mee goed te doen. Hoe ga ik om met mijn talenten, mijn geld, mijn vrije tijd? Stel ik dat in dienst van mezelf? Ik kan dat aflezen aan mijn manier van reageren, als een ander mij om een dienst vraagt.

 
"Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen."

Er wordt van ons een grenzenloze liefde gevraagd. Een liefde zonder voorbehoud, zelfs tegenover hen die zelf wel een voorbehoud maken tegenover ons, die onze vijanden zijn. Juist de liefde tot onze vijanden toont aan waarin de liefde van de christen verschilt van die van wie Christus niet kennen. Dat is niet een verschil in reikwijdte: behalve de naasten, ook nog de vijanden, maar het is een soortverschil. In de liefde voor de vijanden komt boven water dat het gaat om een ander soort liefde tegenover iedereen: tegenover jezelf, tegenover de mensen van de eigen groep, tegenover buitenstaanders, vrienden én vijanden. De christen laat zich niet zozeer leiden door de eigen natuurlijke gevoelens van sympathie en genegenheid of door de belangen van de eigen groep (familie, club, "ons soort mensen"), maar door de grenzenloze liefde van God. Bij het uitdelen van zijn gaven (zon en regen) discrimineert God niet tussen goeden en kwaden. Die onmogelijke liefde tot de vijanden wordt alleen mogelijk als je probeert met de liefde van God mee die ander te beminnen die je zo tegenstaat: "opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel", in de bedding van Gods grotere en ruimere liefde je eigen gevoelens van genegenheid meegeven. We moeten ons niet zo fixeren op de slechtheid van de mens en ook niet op onze eigen (natuurlijke) gevoelens van antipathie of afweer. Maar met de liefde van God mee naar de ander gaan, niet zeggen: ik houd van je, maar: God houdt van je. Ook de zondaars? God heeft de zondaars zelfs dubbel lief. Hij heeft er méér voor geleden. Ze hebben Hem méér gekost: "Christus is voor goddelozen gestorven... God bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren" (Rom 5,6.8).
Ik zou nu kunnen doen wat Sint Benedictus zijn volgelingen aanraadt: "In de liefde van Christus voor zijn vijanden bidden" (Regel IV, 72). Als ik geen echte vijanden heb, mogen het ook mensen zijn voor wie ik van nature een gevoel van antipathie heb.

 
"Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet?"

Het goede is de vijand van het betere. De goede onderlinge betrekkingen kunnen de vijand worden van de nieuwe wereld die God op het oog heeft. In de gewone menselijke verhoudingen gaat het goede rond in de kleine kring van gelijkgezinden, van mensen van de eigen groep, familie, stand. Men speelt de bal aan elkaar door. Er wordt gegeven, maar om straks weer te krijgen. Zo komt het goede niet buiten de eigen kring bij mensen die het niet terug kunnen geven. Zo is het ook in het groot: de rijke landen onder elkaar investeren alleen in de arme landen, als zij het met winst kunnen terugkrijgen. In alle menselijke verhoudingen geeft één grondbeginsel de toon aan: "Voor wat, hoort wat", of: "de liefde kan niet van één kant komen." God laat zich leiden door actieve liefde die zich niet laat bepalen door het antwoord van de ander. Van die kwaliteit moet ook de liefde van de christen zijn. Dat is de enige manier om crisis-situaties te overwinnen. Want in het samenzijn van mensen (vriendschap, huwelijk, gezin, religieuze familie, parochie, enz.) komt er voor iedereen wel eens het moment, dat het hem voor zijn gevoel te veel wordt. Wie zich dan door dit natuurlijke gevoel laat leiden, forceert een breuk, een scheiding. Maar de christen probeert dan te herbronnen aan de bron van een bovenmenselijke liefde, de liefde van Hem die liefhad over de grens van de dood heen. In de eucharistie putten de christenen steeds weer uit die bron.

 
"Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is."

Dat is niet de volmaaktheid van de machine of van de smetteloze kleding. Dat zou niet menselijk zijn. Want "de rechtvaardige valt zeven maal per dag" (Spreuken 24,16). De volmaaktheid van de rechtvaardige is niet dat hij valt, maar dat hij na elke val weer opstaat: "want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op" (Spreuken 24,16). De volmaaktheid die hier wordt bedoeld, is de volmaaktheid van de ongedeelde overgave van het hart dat niets achterhoudt, geen grenzen stelt, zich door geen enkele grens laat weerhouden, niet door de grens van zijn eigen gebreken en al evenmin door de gebreken van zijn medemensen of hun vijandigheid.
Zó moet ik mij door God laten beminnen, met al mijn onvolkomenheden en zonden.

Aan het eind gesprekjes voeren vanuit het gegroeide vertrouwen. Met Jezus als met een vriend die voor me door het vuur is gegaan. Met de Vader in de hemel wiens volmaaktheid zijn goddelijke barmhartigheid is. Een Onze Vader bidden.

Van de gelegenheid gebruik maken om te onderscheiden wat voor geesten mij leiden:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen laat ik me leiden door een ik-gerichte betrokkenheid.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar ik in mij een bewogenheid bemerkte van liefde voor Jezus en een verlangen naar zijn instelling, daar was ik onder de invloed van de heilige Geest.
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? De blijvende gevoelens voor Hem zijn het overtuigendste teken, dat de krachten van het komende Rijk in mij werkzaam zijn.