Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus |
| 27 | Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, |
| 28 | en bidt voor hen die u mishandelen. |
| 29 | keert hem ook de andere toe; en als iemand uw bovenkleed van u afneemt, belet hem niet ook uw onderkleed te nemen. |
| 30 | en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eis het niet terug. |
| 31 | moet gij ook hen behandelen. |
| 32 | wat voor recht op dank hebt ge dan? "Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. |
| 33 | wat voor recht op dank hebt ge dan? "Dat doen de zondaars ook. |
| 34 | wat voor recht op dank hebt ge dan? "Ook de zondaars lenen aan zondaars, met de bedoeling evenveel terug te krijgen. |
| 35 | doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen, "Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. |
| 36 | |
| 37 | "Veroordeelt niet, dan zult ge niet veroordeeld worden. "Spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. |
| 38 | een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. "De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken." |
| Lucas 6,27-38 |
Beginnen de geest wat te laten rusten in openheid voor Hem die mij het eerst heeft liefgehad, toen ik nog een zondaar was, een vijand van God.
Een paar passen voor de plaats waar ik ga bidden een ogenblik stilstaan om voeling te krijgen met Hem die mij te boven gaat. Zien hoe Hij mij ziet, mij in liefde omvat. Een gebaar maken van nederige dankbaarheid voor zijn grenzeloze liefde.
De houding van het gebed aannemen, zittend, liggend
of geknield, maar niet bewegen, want het gaat erom gevoelig te
worden voor zijn liefdesbeweging. Mijn hart en de beweging van
liefde die Hij erin bewerkt, is het enige waaraan ik zijn woorden over de liefde tot de vijanden kan verstaan. De liefde tot de
vijanden is een genade, een genade die eerst aan mij zelf moet
geschieden. Ik vraag Hem daarom ook de genade, dat al
mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen
zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.De geschiedenis: Jezus heeft gebeden, in de nacht op
de berg. Bij het aanbreken van de dag koos Hij uit de leerlingen
twaalf apostelen. Samen met hen daalt Hij af en begint de kracht
van God mee te delen aan de menigte. Er ging van Hem een kracht
uit die allen genas. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen op, keek zijn
leerlingen aan en sprak: vier zaligsprekingen, vier wee-roepen.
En dan de liefde tot de vijanden. De geschiedenis is, dat Jezus
de liefde van God, opgevangen in het nachtelijk gebed op de berg,
via zijn kerk (de twaalf) aan de wereld doorgeeft en dat deze
liefde zich door geen enkele grens laat tegenhouden, zelfs niet
door de grens van de vijandigheid.
In dit gebed moge deze geschiedenis ook aan mij gebeuren.
Daarvoor is het nodig, dat ik me de plaats voorstel waar dit geschied is: "op een vlak terrein" (v.17), en waar dit in mijn leven nog steeds geschiedt: temidden van de personen die me niet mogen, door wie ik mij tekort gedaan voel, vooral in mijn naaste omgeving. Ook de mensen zien met wie ik graag te doen heb, de eigen kring.
Vragen om de bijzondere genade: een innerlijke kennis van Christus, onze Heer, die mij zijn liefde wil leren om Hem méér lief te hebben en te volgen in wat zijn specialiteit genoemd kan worden: zijn liefde tot zijn vijanden.
"Tot u die naar Mij luistert, zeg
Ik: Bemint uw vijanden, doet wel aan wie u haten, zegent hen die
u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen."
Het gaat hier om de kern van het christendom. De liefde tot de vijanden is niet iets marginaals, iets voor fijnproevers, voor de elite. Het maakt het hart uit van ons geloof. Alle andere eisen zijn overigens even onvanzelfsprekend, maar dat springt daar minder in het oog. Voor elk woord van Jezus is een ommekeer nodig, een be-kering. Liefde tot de vijanden lijkt een ongerijmdheid. Maar dat is het alleen vanuit onze menselijke opvatting over de liefde. De gewone menselijke liefde is altijd, dat de liefde niet van één kant kan komen. Daar is het: "voor wat, hoort wat." Geven en nemen. Maar de evangelische liefde, de liefde van God is nu juist een liefde die van één kant komt, die zijn vreugde erin vindt om een ander gelukkig te maken, om alleen maar te geven zonder te ontvangen. Bij de mensen daarentegen gaat het goede rond:
"Als gij bemint wie u beminnen,
wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie
hen liefhebben. Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat
voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook. Als gij
leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht
op dank hebt ge dan? Ook de zondaars lenen aan zondaars met de
bedoeling evenveel terug te krijgen. Neen, bemint uw vijanden,
doet goed en leent uit zonder erop te rekenen iets terug te
krijgen. Dan zal uw loon groot zijn."
Dat zien we in de wereld om ons heen: de grote heren die iets onder elkaar regelen omdat de ene dienst de andere waard is.
Dat zien we in het groot bij de rijke landen die elkaar de bal
toespelen. Het goede gaat rond onder de goeden die het goed met
elkaar kunnen vinden. Het goede blijft in een gesloten circuit.
Het komt niet verder, buiten de kring. Het gevolg is, dat de
armen ernaast zitten; de arme landen hebben het toekijken, de
minder getalenteerden, de minder welbespraakten, de minder
handigen, de gehandicapten. De bedoeling van het evangelie is,
dat daar verandering in komt niet op de eerste plaats door een
wijziging in de structuren van de samenleving, want in de nieuwe
structuren woekert de oude fout verder. De verandering die
werkelijk wat uithaalt, is de verandering in soort van liefde:
van zelfzuchtige liefde naar zelveloze liefde.
Maar waar halen we die zelveloze liefde vandaan? Want het
menselijk hart kent die liefde niet.
"Dan zal uw loon groot zijn, dan
zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste die immers ook goed is
voor de ondankbaren en slechten."
Wij zijn door met Jezus om te gaan en Hem te volgen een
liefde rijker geworden, namelijk de liefde van de Vader voor
Jezus en voor ons. Wij hebben een aardje naar ons Vaartje. Dat
betekent niet, dat wij onze vijanden aardig gaan vinden, maar dat
er onder onze gevoelens van afkeer of antipathie een diepere
bewogenheid is die de ander tegemoettreedt als broeder en zuster
van Jezus Christus. Je laat je in de omgang met anderen niet
allereerst bepalen door je natuurlijke gevoelens van sympathie of
antipathie, van gelijkheid van ras of stand, van ideologie, van
mening enz., maar door iets wat daar nog onder ligt, namelijk dat
het broeders of zusters zijn van Jezus Christus die voor hen zijn
bloed heeft vergoten.
Deze liefde tot de vijanden is heel goed praktisch in te oefenen,
bijvoorbeeld door een Wees gegroet te bidden op de volgende
manier: "Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met U.
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen en gezegend is de vrucht
van uw schoot Jezus die zijn heilig en kostbaar bloed vergoten
heeft voor ... (de naam noemen van iemand die je niet graag mag).
Hetzelfde kan men doen met het Onze Vader: Onze Vader, Vader van
mij en van ... Uw rijk kome tot mij en tot ... Uw naam worde
geheiligd in mij en in ... Uw wil geschiede in mij en in ... enz.
Kortom: om dit gebod van Jezus te vervullen legt men er zich op
toe om met de liefde van Jezus (en Maria) mee zijn vijanden te
beminnen, zijn gevoelens van antipathie op te nemen binnen hun
grotere liefde voor hem of haar.
"Wees barmhartig, zoals uw Vader
barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden,
spreekt vrij, en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal
gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende
maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt,
zal men ook voor u gebruiken."
De bedoeling is, dat ik zo leer leven in Gods
tegenwoordigheid, dat niet alleen mijn verhouding tot mijn
vijanden er anders door wordt, maar zelfs mijn verhouding tot wie
dan ook. God moet zo veel werkelijkheidsgehalte voor mij krijgen,
dat tussen de ander en mij altijd weer God staat, God die
barmhartig is. Dan ben ik ook van zelf barmhartig. Zoals Jezusdie zelf niet oordeelde, maar "die zijn zaak overliet aan Hem die
rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2,23). Bij het oordelen gebeurt
eigenlijk het volgende: ik verlaat mijn plaats van zelf nog onder
het oordeel te staan, beklim de rechterstoel van God aan Wie
alleen het oordeel toekomt en in plaats van een barmhartig,
vrijsprekend oordeel af te geven zoals God doet, vel ik een
negatief, kritisch, liefdeloos oordeel.
Oordelen en veroordelen verleer ik alleen door dikwijls te bidden
voor de personen over wie ik de staf breek en dikwijls,
dagelijks hun namen te noemen in het gebed.
Aan het eind de gesprekken met Jezus, van hart tot hart, als vrienden onder elkaar, vertrouwend op zijn vrijspraak. Dan vraag ik Hem of Hij voor mij opnieuw de toegang tot de Vader wil ontsluiten. Tot slot met de Vader spreken, de Allerhoogste die zijn arm schepsel in overgrote liefde en zorg omhelst. Dan bid ik samen met Jezus en de kerk een Onze Vader.
De vragen van de reflexie beantwoorden, liefst
schriftelijk: