Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Achtste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
24 "Niemand kan twee heren dienen:
Hij zal de een haten en de ander liefhebben,
ofwel de een aanhangen en de ander verachten.
Gij kunt niet God dienen én de mammon.
25 Daarom zeg Ik u:
Weest niet bezorgd voor uw leven,
wat ge zult eten of wat ge zult drinken,
en ook niet voor uw lichaam,
wat ge zult aantrekken.
Is het leven niet méér dan het voedsel
en het lichaam niet méér dan de kleding?
26 Let eens op de vogels in de lucht:
ze zaaien niet en maaien niet
en verzamelen niet in schuren,
maar uw hemelse Vader voedt ze.
Zijt gij dan niet veel méér dan zij?
27 Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben
aan zijn levensweg één el toe te voegen?
28 En wat maakt gij u zorgen over kleding?
Kijkt naar de leliën in het veld:
hoe ze groeien.
Ze arbeiden noch spinnen.
29 Toch zeg Ik u:
Zelfs Salomo in al zijn pracht
was niet gekleed als een van hen.
30 Als God nu het veldgewas,
dat er vandaag nog staat
en morgen in de oven wordt geworpen,
zó kleedt,
hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?
31 Maakt u dus geen zorgen over de vraag:
Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken,
of wat zullen wij aantrekken?
32 Want dat alles jagen de heidenen na.
Uw hemelse Vader weet wel
dat gij al deze dingen nodig hebt.
33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk
en zijn gerechtigheid;
dan zal dat alles u erbij gegeven worden.
34 Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt voor zichzelf.
Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed."
Matteüs 6, 24-34

Eerst letten op de gesteltenis van mijn geest: is die zorgelijk begaan met de vraag hoe ik zo goed mogelijk zal bidden? Bidden is: het werk van God aan je laten gebeuren, God voor je laten zorgen. We mogen wel wat doen, maar heel ons doen moet bij het bidden in de bedding lopen van wat God doet. Ik moet dus steeds letten op mijn hart, op die diepte in mij waar ik met God verbonden ben. De beginhouding zal er dus een moeten zijn van rust en ontspanning: de geest wat laten rusten bij Hem die gaat zorgen.

Een paar passen voor de plaats staande me Gods tegenwoordigheid te binnen brengen; dat is een actieve tegenwoordigheid: "voordat gij Hem vraagt, weet uw hemelse Vader wat gij nodig hebt" (6,8). Een gebaar maken van eerbied. Want hoe groter eerbied, des te kleiner het gevoel dat God ver weg is.

De houding van het gebed aannemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen, zodat ik er beter op kan letten hoe Hij zich beweegt in mij, mij met zijn zorgen omringt. God kan nu in deze gebedstijd des te beter voor mij zorgen, wanneer ik Hem met heel mijn leven wil dienen. Ik vernieuw dit verlangen door Hem dit als een genade te vragen: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.

Ik overzie de geschiedenis: in zijn bergrede stelt Jezus één voor één de veranderingen vast, die het gevolg zijn van de komst van de koninklijke heerschappij van God. Het grievende, kwetsende van de armoede wordt een zaligheid, iets om zich op te verheugen. Er komt plaats voor een grotere gerechtigheid die geschiedt vanuit die inwendige dimensie waar God met ons is, zodat datgene wat wij doen, in verbinding staat met de eigen Godservaring (5,17-37). Ook leert Hij ons op een creatieve wijze te reageren op wat ons overkomt (5,38-39). Vasten, aalmoezen geven en gebed veranderen doordat de krachten van de nieuwe wereld van God ons hart binnendringen. Er is iets diepers dan het eigen image (6,1-18). Bij het verblindende licht van het komende Rijk verbleekt de glans van aardse schatten (6,19-24). Zelfs de gewone, alledaagse zorgen voor het levensonderhoud ondergaan een complete gedaanteverandering bij wie binnen de invloedssfeer komt van de naderende koninklijke heerschappij van God (6,25-34). Als God onze Vader is, dan mogen onze zorgen ingebed zijn in zijn zorg voor ons. Ook nu wil ik daarvoor zorgen, nu ik het gebed inga.

Deze geschiedenis heeft bij Jezus een aanvang genomen, op een bepaalde plaats: de heilige berg vanwaar Hij zijn leerlingen toesprak. Vanuit die heilige plaats dringt God door Jezus scheppend en omvormend binnen in alle verhoudingen en situaties, ja tot in het huishouden.

Met het verstand zien is niet genoeg. Zo zien, dat ik erdoor veranderd word, dat is de gave en de opgave van het gebed. Om die gave deelachtig te mogen worden, vraag ik om de bijzondere genade, dat ik zo liefdevol naar Jezus mag zien dat ik op Hem ga gelijken. "Hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede" (2 Kor 8,9). Als mens "had Hij niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten" (8,20).

 
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Niemand kan twee heren dienen: Hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen én de mammon."

Jezus spreekt van twee heren. De ene heer is God, de ander is de mammon ofwel het geld. Mammon is wat vaststaat, zoiets als een deposito op de bank. God staat ook vast. Als een rots. Een betere belegging is niet denkbaar; geen mot, worm of dief die erbij kan. De mammon geeft ook enige zekerheid, een aardse, voorbijgaande zekerheid. Maar wie zijn vertrouwen stelt op het aardse goed, loopt daarmee tegelijk een binding op die hem ongevoelig maakt voor de hemelse goederen. Geld maakt God overbodig. De rijke die opgaat in zijn rijkdom, bouwt een muur rond zijn hart: "Voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan" (19,23). Daarin is de rijke eigenlijk armer dan de arme. Door zo op te gaan in "waren", maakt hij zich ongevoelig voor "waarden", met name voor de hoogste waarde: God.

 
"Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd ... En wat maakt gij u zorgen? ... Maakt u dus geen zorgen ... Maakt u dus niet bezorgd ..."

Hier heeft Jezus niet zozeer zorgloze rijkaards voor ogen, maar eenvoudige mensen die een gewoon huishouden moeten runnen. Zij staan in de verleiding om aldaar zorgend bezig te zijn, zodat er geen tijd meer is voor iets anders. Uit angst voor de leegte grijpt men zich vast aan de materiële dingen en de organisatie ervan. Jezus wil niet, dat wij zo zorgelijk zijn. Hij vindt dat een uiting van kleingelovigheid, een terugval in het heidendom. Dat past niet bij mensen die God als Vader hebben: "die weet dat gij al deze dingen nodig hebt" (6,32), een Vader buiten wiens wil er geen musje op de grond valt (10,29), die elk van ons "haarfijn" kent (10,30), die "niet wil dat een van deze kleinen verloren gaat" (18,14).
Wie zich in beslag laat nemen door de drukte van het bedienen, krijgt een standje zoals Marta: "Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen" (10,41). Jezus toont zich onverschillig tegenover onze koude drukte, bijvoorbeeld over de kerk: "Heer, red ons, wij vergaan! ... Kleingelovigen..." (8,23-27). Jezus staat bij zijn vijanden bekend als onbezorgd voor eigen eer: "Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert en Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen" (22,16). Eigenlijk staat er: "Het zal U een zorg zijn wat ze van U denken."
Zoals Jezus midden in een vliegende storm op de achtersteven van het schip, op een kussen ligt te slapen, is Hij voor ons een toonbeeld van hemelse onbezorgdheid. Hoe Hij dat kon? Doordat Hij als kind van de Vader inwendig in de schoot van de Vader lag. Het gebed is de plaats om die gerustheid in te oefenen.

 
"Uw hemelse Vader voedt ze ... uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen nodig hebt."

Binnen het gezin is zorgen iets van vader en moeder. Kinderen zouden eigenlijk geen echte zorgen mogen hebben, behalve dan hun kleine kinderzorgen. Wij zijn de kinderen van Vader-God. Door een zorgelijke levenshouding nemen wij de rol van God de Vader aan of wij geven te kennen, dat Hij voor ons gevoel niet goed genoeg zorgt en dat er zonodig wat koerswijzigingen moeten worden aangebracht in de manier waarop Hij de wereld leidt. Daarom is het evangelie zo tegen zorgen: het is een aanslag op de eer van God.

 
"Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze... Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen. Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. Als God nu het veldgewas, dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen, zó kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?"

Jezus ontkent het eigen aandeel van de natuur niet waardoor de vogels en de bloemen zijn wat ze zijn. Maar God als eerste oorzaak gaat Hem boven alles. Jezus zoekt en vindt in al het geschapene onmiddellijk God. In zijn wijze van natuurbeschouwing dringt Jezus door de buitenkant van de natuurlijke processen heen naar de goddelijke binnenkant: "Uw hemelse Vader voedt ze... Als God nu het veldgewas... zó kleedt..."

 
"Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid; dan zal dat alles u erbij gegeven worden."

In dit leerdicht brengt Jezus zelf de stelregel in beoefening waarmee Hij als een wijze Salomo afsluit: "Zoekt eerst het Koninkrijk..."
Onze menselijke zorgzaamheid heeft zijn grenzen doordat God-Vader zorgt. Niet dat wij niet zouden moeten zorgen, maar onbezorgder. Er is bij ons veel te veel werk. Wij houden een maatschappij van schijndingen in stand en daar werken we ons kapot aan. Zoveel soort van alles. En dat moet dan met dure reclame aan de man gebracht worden, terwijl de andere helft van de mensheid het noodzakelijke ontbeert. Is er niets aan te doen? Oog hebben voor de wanverhouding. En voor onszelf de vrijheid verkiezen van de kinderen Gods.

Aan het einde gesprekjes voeren met Jezus en zijn Vader, bijvoorbeeld bedanken voor zijn zorg tijdens dit gebed. Een Onze Vader bidden.

Door de aanraking met de geest van Jezus leer ik beter het onderscheid kennen tussen de verschillende geesten die mij voortdurend beïnvloeden

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? In mijn verstrooiingen zie ik de dingen louter vanuit mijn eigen bekommernis.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar had ik weet van de zorg van de hemelse Vader?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Dat weet hebben van Gods liefdevolle zorgzaamheid voor mij mag mij in het leven buiten het gebed begeleiden.

Bloem en duiven