Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Achtste zondag door het jaar


U  
it het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
39 Jezus hield zijn leerlingen deze
gelijkenis voor:
"Kan soms de ene blinde de andere leiden?
Vallen dan niet beiden in de kuil?
40 De leerling staat niet boven zijn meester;
maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij is gelijk zijn
meester.
41 Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder
en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog?
42 Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen:
Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen,
terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt?
"Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog,
en dan zult ge scherp genoeg zien
om de splinter te kunnen verwijderen
die in het oog van uw broeder zit.
43 Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt
en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt.
44 Een boom immers kent men aan zijn vruchten;
men plukt geen vijgen van dorens,
men oogst geen druiven van een braamstruik.
45 Een goed mens brengt het goede te voorschijn
uit de schat van goedheid in zijn hart;
maar een slechte brengt het slechte te voorschijn
uit zijn schat van slechtheid;
want waar het hart van vol is,
daar loopt de mond van over."
Lucas 6,39-45

Niet meteen met de tekst beginnen. Eerst de gesteltenis van mijn geest verzorgen. Want het spreekwoord luidt: alles wordt genomen al naar gelang de instelling van degene die opneemt. Eerst de geest laten rusten bij Hem om zo open te komen voor het onvanzelfsprekende van het evangelie. Anders blijven we ziende blind. Het komt dus aan op de gerichtheid van ons hart. Die gerichtheid uit zich méér in de fundamentele oriëntatie van onze wil dan in bepaalde gevoelens of gedachten. Wil ik in deze gebedstijd er echt voor Hem zijn?

Een paar passen vóór de plaats waar ik ga bidden staande me zijn tegenwoordigheid te binnen brengen. Als het ware de luiken van mijn hart openmaken naar God toe met Wie ik nu een onmiddellijke verhouding heb en Hij met mij.

Dan het gebed ingaan door de houding van het gebed aan te nemen, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen zodat ik kan letten op de bewegingen (goed en slecht) van mijn hart.
Ik vraag in deze houding om de genade dat zoals ik nu ben, dat zó heel mijn leven mag zijn, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn. Met de bedoelingen wordt de motivatie bedoeld, wat er achter steekt, het hart of het innerlijk.

De geschiedenis: we zijn aan het eind van wat bij Lucas de veldrede genoemd wordt. En evenals aan het einde van de bergrede bij Matteüs worden ook hier enige vermaningen van Jezus ingelast om het niet bij luisteren te laten, maar om ook te doen. Niet alleen "Heer, Heer" roepen: "Waarom toch noemt gij Mij: Heer, Heer! als ge niet doet wat Ik zeg?" (6,46). Deze vermaningen zijn dus bedoeld voor mensen die al gelovig zijn en in de bekoring zijn om het niet zo nauw te nemen. Bij Lucas worden deze vermaningen om het niet bij vrome woorden te laten, toegespitst op de onderlinge verhoudingen van de broeders en zusters. Omwille van hun verbondenheid met Jezus, hun Heer, moeten zij hun onderlinge verschillen en geschillen niet zo laten wegen.
De geschiedenis is actueel tot op de dag van vandaag en zolang als er christenen bij elkaar in de kerk samen zijn.

De plaats: "Samen met hen (het pasgekozen apostelcollege, de leiders van het nieuwe Godsvolk) daalde Hij af, maar bleef staan op een vlak terrein. En ik zie ook de plaatsen waar ik met mede-christenen verkeer.

Vragen om de bijzondere genade, dat ik Jezus mag leren kennen met een innerlijke kennis, zodat mijn verbondenheid met Hem mag doorwerken in mijn verhouding met zijn broeders en zusters.

 
"Jezus hield zijn leerlingen deze gelijkenis voor: Kan soms de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil? De leerling staat niet boven zijn meester; maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij is gelijk zijn meester."

Twee vergelijkingen om mijn oordeel over anderen wat in te houden: 1. Vergeet niet dat je zelf een blinde bent. Blind waarvoor? Voor het zachte licht van Gods barmhartigheid. 2. Denk eraan dat je nog maar een leerling bent. Je bent pas ten volle gevormd, wanneer je gelijk bent aan je meester. Wanneer is een christen ten volle gevormd en gelijk aan zijn Meester? Wanneer hij, evenals zijn Meester, het oordeel geheel heeft afgelegd: "als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug en als Hij leed, dreigde Hij niet, maar liet het (oordeel) over aan Hem die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2,23). "Broeders, spreekt geen kwaad van elkander. Wie van zijn broeder kwaad spreekt of hem veroordeelt, spreekt kwaad van de Wet en veroordeelt de Wet" (Jakobus 4,11). Ik kan nu mijn mede-christenen één voor één de revue laten passeren en ze zien als broeder en zuster van Christus, dat wil zeggen als mensen die verlost zijn door het kostbaar Bloed van Christus. Zoveel zijn ze waard.

 
"Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en waarom slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog? Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen, terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt? Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit."

Uit het leven gegrepen. De spreuk heeft het woordenboek van de Nederlandse taal en van vele andere talen gehaald. Mensen zijn blind voor hun schaduwzijde. Maar evenals de schaduw van een menselijke gestalte raak je die nooit kwijt. Een verdrongen schaduw keert terug in de zwart gemaakte ander. De verdrongen schaduw wordt geprojecteerd. Dan zit de schaduw in de ander in plaats van in jezelf. Wel zit de schaduw toch nog vast aan de eigen persoon, inzoverre zo'n persoon een onbedwingbare behoefte heeft om anderen zwart te maken. Mensen die hun eigen schaduw verdringen, worden altijd omgeven door mensen tegen wie zij zich zo nodig moeten afzetten. Al het goede wat ze doen, moet zo nodig worden afgezet tegen wat anderen misdoen of niet zo goed doen. Zo maakt men wat men noemt: zondebokken. Voor de progressieven is dat het verleden van de kerk, de traditie, en voor de eenzijdig conservatieven is dat het heden (het moderne leven). Maar dat zich afzetten tegen anderen vindt ook aan de lopende band plaats in het gewone leven, onder collega's, in het gezinsleven, onder de vrijwilligers in de kerk.
De remedie hier is: zelfkritiek. De eerste monniken in de woestijnen van Egypte waren zeer alert op de neiging van het oordelen. Zij noemden de remedie: het zelfverwijt. De Bond zonder Naam heeft er een eigen formule voor: "Verbeter de wereld, begin bij jezelf."

 
"Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt. Een boom immers kent men aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. Een goed mens brengt het goede te voorschijn uit de schat van goedheid in zijn hart; maar een slechte brengt het slechte te voorschijn uit zijn schat van slechtheid; want waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over."

Christendom is de godsdienst van het hart, van het innerlijk. Wie zuiver is van hart, mag God zien of beter: ziet God (Mt 5,8). Dat is het verschil met het Oude Verbond waar iemand schuldig heette, wanneer hij een uitwendig verkeerde daad had gesteld. De vervulling van de wet van het Oude Verbond bestaat erin, dat men helemaal trouw is, tot in het hart, waar de begeerten huizen: "Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Ik zeg u: Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd."
Ik mag deze vermaning wel toepassen in de richting van de bovenvermelde vermaningen, namelijk om uit de eigen slechte woorden van kritiek en oordeel over de christenbroeders en zusters mijn eigen hart te leren kennen. Ik zal nooit met respect over een ander leren praten, wanneer mijn gedachten over een ander niet fijn en respectvol zijn. Kortom: de verbetering van de menselijke verhoudingen begint in de omgang met God, in het gebed. Want daar alleen leer ik respect opbrengen voor mijn medechristenen en vandaaruit ook voor alle medemensen, als broeders en zusters die door een oneindige prijs zijn vrijgekocht, namelijk door het Bloed van onze Heer Jezus Christus.

Aan het eind gesprekjes voeren met Jezus en de Vader, die ons zozeer in hun goddelijk leven hebben betrokken, dat wij nu al op aarde in de liturgie broeders en zusters worden genoemd als een beeld van hoe het later in de hemel zal worden: een stukje hemel op aarde dus. Dan bid ik het gebed van de kerk, het Onze Vader om het straks in de liturgie met nieuwe geloofservaring te kunnen bidden. Door God méér Vader te laten zijn, worden de mensen vanzelf méér broeder en zuster.

Tenslotte wat afstand nemen voor de reflexie:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen zijn er een openbaring van welke personen door mij te weinig in het licht van het geloof worden gezien, als broeder en zuster van Christus.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Merkte ik dat het menselijke vooroordeel werd verzacht door het christelijke vooroordeel jegens personen, namelijk dat ze broeder en zuster zijn van Jezus Christus, de Zoon van God?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Die gegroeide verbondenheid met Hem is juist van levensbelang voor de verhoudingen met de mensen na afloop van het gebed.