Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.


Kerstmis : Nachtmis


Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus
volgens Lucas
1In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus
dat er een volkstelling moest gehouden worden
in heel zijn rijk.
2Deze volkstelling vond plaats
eer Quirinius landvoogd van Syrié was.
3Allen gingen op reis,
ieder naar zijn eigen stad,
om zich te laten inschrijven.
4Ook Jozef trok op
en omdat hij behoorde
tot het huis en geslacht van David,
ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret
naar Judea: naar de stad van David, Betlehem geheten,
5om zich te laten inschrijven,
samen met Maria zijn verloofde die zwanger was.
6Terwijl zij daar verbleven
brak het uur aan waarom zij moeder zou worden;
7zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Zij wikkelde Hem in doeken
en legde Hem neer in een kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
8In de omgeving bevonden zich herders
die in het open veld gedurende de nacht
hun kudde bewaakten.
9Plotseling stond een engel des Heren voor hen
en zij werden omstraald door de glorie des Heren
zodat zij door grote vrees werden bevangen.
10Maar engel sprak tot hen:
"Vreest niet, want zie,
ik verkondig u een vreugdevolle boodschap
die bestemd is voor heel het volk.
11Heden is u een Redder geboren,
Christus de Heer,
in de stad van David.
12En dit zal voor u een teken zijn:
gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe."
13Opeens voegde zich bij de engel
een hemelse heerschare,
zij verheerlijkten God met de woorden:
14"Eer aan God in den hoge
en op aarde vrede onder de mensen
in wie Hij welbehagen heeft."
Lucas 2, 1-14

Voordat ik het geheim ga beschouwen, is het goed eerst aandacht te schenken aan de gesteltenis van mijn geest waarmee ik het geheim ga beschouwen. Veel meer dan door de gedachten wordt mijn geest bepaald door de gesteltenis. Om het geheim van dit Kind te kunnen beschouwen moet ik de geest van een kind hebben, want "deze dingen hebt Gij verborgen gehouden voor wijzen en verstandigen, maar geopenbaard aan kinderen" (Lc 11,21). De geest van het kind is er een van openheid en ontvankelijkheid. Zo zal ik mijn geest laten rusten bij Hem.

Een paar passen vóór de plaats van het gebed blijf ik stilstaan om mij staande bewust te maken van zijn heilige tegenwoordigheid waardoor deze nacht een 'heilige' nacht is geworden. In het mensgeworden Woord is God zelf lichamelijk onder ons tegenwoordig. Ik maak een gebaar van aanbidding zoals de herders deden, toen zij "door grote vrees werden bevangen".

Dan het gebed ingaan in de houding die me het meeste helpt om in het besef te blijven van zijn tegenwoordigheid, liggend, zittend of geknield, maar niet bewegen en zo min mogelijk zien bewegen zodat ik erop kan letten hoe er zich in mij iets beweegt (ongeveer zoals een kind in de schoot van zijn moeder). In die houding vraag ik dan om de genade, dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit, zoals Jezus helemaal is opgegaan in de dienst van zijn hemelse Vader.

Dan bereid ik me erop voor om nog dieper het geheim van God binnen te gaan, hoe Hij zich geopenbaard heeft in zijn eigen Zoon. Ik begin me de geschiedenis voor ogen te stellen. Eerst de buitenkant van het grote historische kader: het Romeinse Rijk met zijn keizer Augustus die een volkstelling wenst te houden, en dan ergens in de uithoek van dat grote rijk een tweetal mensen Jozef en Maria onderweg naar Betlehem, de stad van David genoemd. Daar is Maria moeder geworden. In een grot door herders gebruikt voor hun kudden om te schuilen. Vandaar dat er een kribbe, een voederbak, was waar zij het Kind in neer konden leggen. Daarna een tweede tafereel: herders die in de nacht hun kudde bewaakten. Zij krijgen een verschijning van engelen die aan hen en aan mij de ware aard van dit Kind openbaren.

Om niet in mijn gedachten te blijven hangen stel ik me de plaats voor ogen wáár dit is geschied: de grot met de kribbe. Het gaat er niet om dat ik voor de volle honderd procent historisch zekere feiten heb, maar dat ik zelf voor de volle honderd procent erbij aanwezig ben.

Het gaat natuurlijk om de binnenkant. Om die binnenkant te mogen zien, vraag ik nu als een bijzondere genade, dat ik in dit Kind vooral zijn "wonderlijk grote deemoed" (Leo de Grote) mag zien.

 
"In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk. Deze volkstelling vond plaats eer Quirinius landvoogd van Syrië was. Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad, om zich te laten inschrijven."

Tweemaal worden in dit evangelie mensen in beweging gebracht door een initiatief van hogere machten. In het tweede deel zijn het de herders die door de macht van de hemel worden opgeroepen. In het eerste deel zijn het de massa's die in beweging gezet worden door het besluit van keizer Augustus. Het is de macht waaraan de gewone mensen op aarde voortdurend onderworpen worden: de leiders van de volkeren bepalen het lot van de gewone mensen. Oorlog en vrede, rijkdom en armoede, ze liggen meestal niet in de handen van de gewone mensen, ook niet als zij Gods uitverkorenen zijn zoals Jozef en Maria. Het bijzondere van Jozef en Maria is, dat zij zich naar dit besluit voegen in het vertrouwen, dat God zijn plannen kan doorvoeren met gebruikmaking van de aardse machten.
Ik kan mij in Vaders hand weten ook in wat anderen over mij besluiten.

 
"Ook Jozef trok op en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David, ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad van David, Betlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen met Maria zijn verloofde die zwanger was."

In dit verhaal gebeurt ogenschijnlijk niets bijzonders. Het lijkt te gaan over het alledaagse leven van een paar gewone mensen. De mensgeworden God heeft zich in niets willen onderscheiden van anderen. Het gewone leven kan blijkbaar drager zijn van het eigen leven van God. Het enige bijzondere is de tweemalige vermelding van de naam van David. De ingewijde wordt door de naam David attent gemaakt op het bijzondere van deze geboorte. Het gaat om een telg uit het geslacht van David. Het gaat om een koningskind. Ongewild speelt keizer Augustus mee met God de Vader, want door zijn besluit een volkstelling te laten houden gaat de profetie in vervulling, dat de nieuwe Koning in Betlehem geboren zou worden.

 
"Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden; zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg."

Wat elk kind ongewild als lot krijgt toebedeeld, de toestand van volstrekte hulpeloosheid, dat heeft God bewust voor zich gekozen. Het heelal kan Hem niet bevatten, maar Hij laat zich neerleggen in een voederbak voor beesten. Hij die het Woord is waardoor hemel en aarde zijn geschapen, heeft zich tot een onmondig kind gemaakt: "Hij die bestond in goddelijke Majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen en aan de mensen gelijk te worden" (Fil 2,6-7). Daar komt vrede van, de vrede van kerstmis: "Want een ziel die ontdaan en ontbloot is van alles, is in volmaakte en diepe vrede. En niets in de hemel en niets op de aarde kan haar deze kostbare vrede ontrukken. Zij geniet God die ín haar rust zoals op zijn rustbed en de hel met heel haar woede zou haar niet kunnen verwarren" (Mechtildis van het heilig Sacrament).

 
"In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten."

Het geheim vraagt om een klankbord, menselijke oren en ogen die het horen en zien, naar de buitenkant, maar vooral naar de mysterie-volle binnenkant. Daarvoor zijn waakzame dienaren nodig die weten te waken in de nacht van de menselijke geschiedenis: "Al komt hij (de heer) ook in de tweede of in de derde nachtwake, gelukkig zijn de dienaars die hij zo aantreft" (Lc 12,38).
Het is steeds een nacht waarin God zich manifesteert: de nacht van zijn geboorte, de nacht van zijn verrijzenis, de nacht van zijn wederkomst wanneer Hij zal verschijnen als een dief in de nacht. Om iets van het mysterie van kerstmis te kunnen ontwaren is het nodig, dat je ernaartoe gewaakt hebt, dat je je zinnen en je hart hebt vrijgemaakt van de roes van het gewone leven.

 
"Plotseling stond een engel van de Heer voor hen en zij werden omstraald door de glorie van de Heer, zodat zij door grote vrees werden bevangen."

"Plotseling". Loodrecht op alle menselijke voorbereiding. Ineens is Hij er, zoals de Mensenzoon komt als een dief in de nacht. Onverwachts, onvoorspelbaar. Je kunt er weken lang naar uitgekeken hebben, Hij komt altijd nieuw, altijd onverwachts. In de nacht van de geschiedenis brengt God zijn eigen licht mee, glorie-licht, licht van zijn eigen goddelijke "heerlijkheid", want "de stad heeft het licht van zon noch maan van node, want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam. En de volken wandelen bij haar licht" (Apok 21,23-24). Willen wij gegrepen worden door het geheim van kerstmis, dan hebben wij aan ons eigen verstand niet voldoende. Evenmin volstaat de kennis van de profeten waardoor je vertrouwd raakt met de verborgen zinspelingen in dit verhaal. Er is ander licht nodig, licht van de heilige Geest. Deze wordt gegeven aan wie het hart hebben van een kind.
De vrees waardoor de herders werden bevangen, is geen gewone angst of schrik, maar ontzag voor God, "vreze des Heren", de gewone reactie bij een ontmoeting met de wereld van God. Het effect van deze vrees is niet dat men dichtklapt, maar juist dat men openkomt voor God, ja dat alles in de mens op haren en snaren gespannen staat voor wat de hemelse boodschapper gaat zeggen.

 
"Maar de engel sprak tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk."

"Vreest niet". Door de verschijning uit de andere wereld wordt een mens eerst als het ware uit zijn voegen gelicht en voelt hij zich reddeloos verloren doordat hem duidelijk wordt hoe nietig en ijdel alles is waarop hij tot dan toe zijn leven bouwde. Maar als hij zich aan God gewonnen geeft, wordt hij op een nieuwe manier aan zichzelf teruggeschonken. Als God eenmaal de Grond is van zijn bestaan, dan komt er een immense vrede over de mens, de vrede die nodig is om de boodschap uit de hemel te verstaan en op de juiste manier over te brengen. Het is vrede die gepaard gaat met "vreugde": een "vreugdevolle boodschap". Een vrede en een vreugde die niet gebonden zijn aan vredige en vreugdevolle omstandigheden: "Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, springt dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel" (Lc 6,22-23). Het is een vrede die de wereld niet kent (Joh 14,27), een onbegrijpelijke vrede die alle begrip te boven gaat (Fil 4,7). Want Jezus zelf is "onze Vrede" (Ef 2,14).
Omdat Jezus zelf "onze Vrede" is en de inhoud van de Blijde Boodschap, daarom is de kerstboodschap ook bestemd voor heel het volk, dat wil zeggen niet alleen voor de mensen die het goed hebben, die de macht hebben, voor wie het leven op aarde een paradijs is, maar evenmin uitsluitend voor de armen en de verworpenen van onze aarde. Nee, de vrede van kerstmis is bestemd voor heel het volk, dwars door alle scheidslijnen en barrières die mensen oprichten.

 
"Heden is u een Redder geboren."

"Heden", dat is vandaag. Maar dat vandaag is niet het gewone vandaag dat "op deze dag" betekent. Elke dag kunnen wij ons door de engel laten zeggen: "Heden is u een Redder geboren." Als deze genade van kerstmis ongemerkt aan mij voorbij gaat zoals elke andere gewone dag van de kalender, dan ligt dat aan mij: "Als Gods medewerkers vermanen wij u dan ook: ontvangt zijn genade niet tevergeefs. Hij zegt immers: Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen. Welnu, dit is de gunstige tijd, dit is de dag van het heil" (2 Kor 6,1-2). God schept zich in Jezus een heden van heil.

 
"Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe."

Eerst worden alle hoogheidstitels bij elkaar gezet in een opeenstapeling van machtsaanspraken: "Redder", "Christus" (dat is de Gezalfde), "de Heer", de Godsnaam voorbehouden aan God alleen. "In de stad van David", dus een koningskind. Maar nadat Hij met deze titulatuur hemelhoog verheven is, wordt Hij in de volgende woorden vernederd: "in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe." En dat nog wel als teken: "dit zal voor u een teken zijn." Wat een teken! Jezus is sterk in het geven van dit soort tekens. Voor gewone tekens is Jezus allergisch: "Anderen, om Hem op de proef te stellen, verlangden van Hem een teken uit de hemel. ... Maar Hij begon te spreken: Dit geslacht is een verdorven geslacht: het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon het zijn voor dit geslacht" (Lc 11,16.29-30). Het is me het teken wel: drie dagen in de buik van het monster, drie dagen in de schoot van de aarde. Dat is eigenlijk geen teken. Het is meer een anti-teken, een kruis-teken, de doorkruising van alle tekens. Zo'n teken is ook het doeken-Kind in de kribbe. Heb ik ook zo'n teken in mijn leven?
En toch is dit hulpeloze Kind een teken. In zijn hulpeloosheid toont Het, dat Het werkelijk is wat zijn naam zegt: Jezus, dat is Gód redt. Wil Jezus met al zijn kinderlijke hulpeloosheid toch de redder zijn, dan alleen doordat Hij door de hemel verheven wordt: "Alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden" (Lc 18,14). Dat is het geheim van kerstmis: de majesteit van God die zich neerbuigt tot een zwak en hulpeloos Kind en de Vader in de hemel die deze vernederde Majesteit verheft en verheerlijkt. Dat laat zich horen in de lofzang van de engelen.

 
"Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare; zij verheerlijkten God met de woorden: Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft."

"Zij verheerlijkten God", dat zijn ook de laatste woorden van het Lucas-evangelie: "Zij (= de leerlingen) aanbaden Hem en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug. Zij hielden zich voortdurend op in de tempel en verheerlijkten God" (24,52-53). Daarmee heeft Jezus zijn doel bereikt, dat de inzet was vanaf zijn geboorte. Dat Jezus zelf in deze lofzang niet voorkomt, is ook een verwijzing naar wie Hij zelf is: helemaal zelve-loos, als de tweede Persoon van de heilige Drieëenheid die zijn leven steeds weer ontvangt van zijn hemelse Vader. En wij staan op de plaats van de Zoon: evenals Hij staan wij in het welbehagen van zijn hemelse Vader. Evenals Hij krijgen wij pas helemaal deel aan deze vaderlijke liefde door de dood heen, door de volstrekte hulpeloosheid van het kind heen. Kerstmis geeft ons een onderpand van die belofte.

Aan het eind gesprekjes voeren met het Kind. Mij eenvoudig laten maken zoals mij bij een eenvoudig mens alle grote woorden in de mond blijven steken. En bij een klein kind. Me laten uitnodigen om in mezelf af te dalen tot het begin, toen God met mij begon, bij het doopsel en zo mijn leven hernemen vanaf het begin. Dan krijg ik vanzelf behoefte aan een Vader. Want God staat niet alleen aan het einde van alles als de hoogste, de laatste. Hij staat ook aan het begin. Een welgemeend Onze Vader zeggen.

Door de vragen van de reflexie te beantwoorden leer ik onderscheiden welke geesten zich in mij bewegen:

  1. Waar was ik toen ik niet bij Hem was? Mijn verstrooiingen worden gedragen door een geest van niet-Zoon-willen-zijn, bijvoorbeeld doordat ik teveel zelf de dienst wil uitmaken, mij dik maak, of mij laat bevaderen of bemoederen.
  2. Waar waren we wel bij elkaar? Waar scheurde het duister van een louter aardse kijk op mensen en dingen open? Waar ging voor mij de hemel open? En voelde ik Vaders liefde en zorg voor mij?
  3. En nu, na afloop van het gebed, wat voel ik nu voor Hem? Werd ik, zoals de herders in dit evangelie, meegenomen door de lof van God?