Bezoekt U voor het eerst deze site? Leest U dan eerst de inleiding. Hier vindt U aanwijzingen voor het gebruik van onderstaande tekst.
| U | volgens Johannes |
| 1 | en het Woord was bij God en het Woord was God. |
| 2 | |
| 3 | en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. |
| 4 | en dat leven was het licht der mensen. |
| 5 | maar de duisternis nam het niet aan. |
| 9 | dat iedere mens verlicht kwam in de wereld. |
| 10 | de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet. |
| 11 | maar de zijnen aanvaardden Hem niet. |
| 12 | aan hen die in zijn Naam geloven gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden. |
| 13 | noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren. |
| 14 | en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid. |
| Johannes 1,1-5.9-14 |
Eerst de geest wat laten rusten bij Hem. Woorden worden geboren uit stilte. Stilzwijgen is de grote openbaring. Spreken doet niemand zonder gevaar, als hij niet op tijd weet te zwijgen.
Dat geldt ook, ja méér nog voor het gebed: "Als gij bidt, gebruikt dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring vinden" (Mt 6,7).
Bij de plaats van het gebed niet meteen de gebedshouding aannemen, maar staande me eerst doordringen van Gods tegenwoordigheid door gedurende de tijd van een 'Onze Vader' te blijven staan, de blik innerlijk omhoog gericht om te zien hoe Hij vóór alle begin mij ziet. Dus ook vóór het begin van dit gebed. Hij was al met mij bezig: "In Hem heeft Hij ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht" (Ef 1,4).
Ik beantwoord zijn liefde met een gebaar van genegenheid en eerbied.
Dan neem ik de houding aan van het gebed, een houding waarin ik vermoed het besef van zijn aanwezigheid levendig te kunnen houden. Mijn gebed is pas waarachtig, wanneer ik ernaar verlang, dat ik God met mijn hele leven zal dienen. Dat vraag ik nu dan ook als een genade: dat al mijn bedoelingen, daden en werkzaamheden zuiver geordend mogen zijn in dienst en lof van zijn goddelijke Majesteit.
Ik bereid me erop voor nog dieper het geheim van Gods zelfmededeling binnen te dringen door het geheim van zijn vleeswording te overwegen. Eerst overzie ik de geschiedenis van dit geheim. Dat is hier een geschiedenis vóór alle geschiedenis, in het hart van God. Daarna de zondeval: "maar de duisternis nam het niet aan ... de zijnen aanvaardden Hem niet." Tenslotte de verlossing: "Het Woord is vlees geworden."
Iets is voor ons, mensen, pas werkelijk, wanneer het 'ergens' heeft plaatsgevonden. Dus stel ik me de plaats voor ogen waar dit is geschied: de onzichtbare plaats in het hart van God; de zichtbare plaats: de kribbe en het kruis: "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid."
Maar geschiedenis en plaats spelen een ondergeschikte rol. Zij moeten mij leiden naar het innerlijk van God. Dat vraag ik dan ook als een bijzondere genade: dat ik mag doordringen in de bedoeling van de schepping, van mijn bestaan. Dat ik mag zien, dat er achter alles een liefdevolle bedoeling steekt. En dat ik die liefde mag beantwoorden met wederliefde voor Christus, zodat ik Hem ook daadwerkelijk zal volgen.
"In het begin was het Woord ... Dit was in het begin bij God."
"In het begin was het Woord." Niet meer alleen: "In het begin schiep God hemel en aarde." In ons begin is God zelf ingesloten. Want: "Alles is door Hem geworden en zonder Hem is er niets geworden van wat geworden is." Ons begin, het begin van onze geschiedenis, persoonlijk en gezamenlijk en alles wat daaruit ontstaan is, heel onze wordingsgeschiedenis, ligt bij Hem. Heel onze geschiedenis is opgenomen en ingebed in zijn geschiedenis.
God heeft van meet af aan een woord voor mij. Nooit ben ik zonder een woord van God. Ik ben dus nooit zonder dat er iemand iets tot mij zegt. Momenten van menselijke eenzaamheid dienen ervoor om mij dit goddelijke woord bewust te maken en in mijzelf te laten opklinken. En als God ermee begonnen is mij aan te spreken, dan is dat om er nooit meer mee op te houden. Hij zal het einde aan het begin doen beantwoorden. Hij zal woord houden. Met zijn woord van trouw omspant God het peilloze begin en het onpeilbare einde. Ik kan nu proberen alles waarmee ik geen raad weet of wat ik niet kan overzien, in Gods woord van trouw te laten opnemen.
"... en het Woord was bij God en het Woord was God."
Eigenlijk zijn er dus twee: een hoge en een lage God, een grote en een kleine, een verheven en een nederige God, een Vader-God die het Woord spreekt, en een Zoon-God die door de Vader uitgesproken wòrdt, een God die het leven gééft en een God die het leven ontvangt. Het Woord, de gesproken God, is afhankelijk van de sprekende God: onderworpen, ondergeschikt, onderdanig. En toch doet de Een in niets onder voor de Ander, want het Woord is uit zichzelf wel niets, maar doordat God er zich geheel en al in uitspreekt, is het alles. Zo leven God en zijn Woord niet naast elkaar of onder elkaar, maar bij elkaar, als Personen, in een persoonlijke betrokkenheid op elkaar: "En het Woord was bij God."
De Zoon-God wordt mens. Niet de Vader-God. Als mens doet de Zoon-God niets anders dan wat Hij ook als God doet: namelijk afhankelijk-zijn, gehoorzaam-zijn, nederig-zijn. Jezus als mens doet niets anders dan in aardse categorieën zijn hemelse bestaanswijze van de Zoon vertalen, door zich te onderwerpen aan een lot van een mens van vlees en bloed, aan lijden en dood.
Daarmee begint Hij al bij zijn geboorte: in armelijke omstandigheden, liggend in een kribbe. En dat zal zijn hele leven zo doorgaan tot op het kruis: een bestaan van een verworpene, helemaal geen leven in zichzelf, helemaal afhankelijk. Zo openbaart Hij zichzelf. Maar zo openbaart Hij ook ons, wat mens-zijn eigenlijk is. Mens-zijn volgens Jezus, dat is het echte mens-zijn, is zoon-zijn. Wij worden dus pas helemaal mens bij onze dood. Dan zijn wij helemaal niet meer van onszelf.
"Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is."
Er zijn dus niet twee werelden. Een goddelijke wereld en een menselijke wereld. Er is maar één wereld. Want alles is door Hem geschapen. En omdat God het Zijn zelf is, kan er geen zijnde zijn buiten Hem. Alles is geschapen door Hem en in Hem. Wij denken God spontaan ver weg, hoog in de hemel, of aan de oorsprong van de schepping. Maar dat is het typische gezichtsbedrog van de zonde. God is dichtbij, dichter bij ons dan wij bij elkaar zijn, ja dichter bij ons dan wij bij onszelf zijn, volgens het woord van Augustinus: inwendiger dan mijn eigen ik. En het gezicht van God is Jezus: "in Hem is alles geschapen... het heelal is geschapen door Hem en voor Hem" (Kol 1,16.17). Pas als ik in alles het aangezicht van Jezus kan ontwaren, wordt mijn leven licht.
"In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen."
Zonder licht geen leven. Zonder God is het geen leven. Ja, wij noemen het leven van de goddelozen nog wel leven, maar het is meer dood dan leven, levend dood. En ongetwijfeld is er een heleboel licht buiten Jezus, die het licht van de wereld, het licht van de volkeren is (Lumen gentium). Maar het Woord van God zegt: dat is geen echt licht, dat is schijn-licht of dwaallicht of vals licht. Ja, het is meer duisternis dan licht: "De duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds. Wie zegt in het licht te zijn, maar zijn broeder haat, is nog steeds in duisternis. Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en hij komt niet ten val. Maar wie zijn broeder haat is in duisternis. Hij tast in het donker en weet niet waarheen zijn weg hem voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt" (1 Joh 2,8-11). Wanneer ben ik zo ziende blind? Wanneer ik iemand niet zie zitten of wanneer ik iemand niet kan zien of luchten. Want dan doorzie ik niet wie hij eigenlijk is: een kind van God voor wie de Zoon van God zijn bloed heeft vergoten. Ik zou kunnen proberen na te gaan of ik mijn medemensen wel in het goede licht zie, in het licht van Jezus.
"En het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Het ware Licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet."
Dat er zoveel duisternis in de wereld is en dat er zoveel mensen zijn die het niet meer zien zitten, komt doordat zij het Licht van de wereld de rug hebben toegekeerd. De wetenschappen produceren meer kennis dan in alle afgelopen eeuwen tesamen. Onze technologie is in staat daadwerkelijk licht te brengen waar voorheen duisternis heerste. En toch is er nooit zo'n grote duisternis geweest: "Hierin bestaat het oordeel: Het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis méér dan het licht, omdat hun daden slecht waren. Ieder die slecht handelt, heeft een afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe, uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden. Maar wie de waarheid doet, gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan" (Joh 3,19-21).
Wij zijn een "volk dat in duisternis" is; wij zijn neergezeten "in een land van de schaduw van de dood" (4,16). Uit onszelf zijn wij overgeleverd aan onze duisternis. Zelf kunnen wij ons niet verlossen. Alle pogingen die daartoe worden aangewend, hetzij met behulp van de wetenschap, hetzij met behulp van magische vaardigheden, zijn tot mislukken gedoemd. Er moet hulp komen van buiten af: "Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten hebben, over hen is een licht opgegaan" (4,16) Er is hoop. Als ik het maar bij Hem wil zoeken.
"Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden. Zij zijn niet uit bloed noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren."
Het beeld van licht en duisternis maakt plaats voor een nieuw beeld: de geboorte. Er zijn dus twee levens of beter gezegd: twee bestaanswijzen. De bestaanswijze naar het "vlees en bloed" of de eigen wil en de eigenliefde én de bestaanswijze naar de "geest", uit de liefde van God. Door de kracht van het doopsel draagt elke christen dat nieuwe leven uit de wil van God in zich: "Wij zijn één geworden met Christus Jezus" (Rom 6,3). Maar dit nieuwe leven is nog slechts als een zaad in ons hart. Het moet nog heel onze psyche, heel ons lichaam doordringen. Dit dóódringen van dit geestelijk onbewuste in het bewustzijn, is geestelijk leven: "Vandaag heb ik de indruk, dat ik het gebed al lange jaren in mijn hart droeg, maar toen wist ik het niet. Het was net als een bron maar waarop een steen lag. Op een gegeven ogenblik heeft Jezus die steen weggenomen. Toen is de bron aan het vloeien gegaan en vloeit nog steeds" (geciteerd in Jean Lafrance. Het gebed van het hart, 11). Dat nieuwe leven wordt in ons bewust door de versterving van het oude leven, van de eigenliefde, de zogenaamde begeerten: "Geeft gehoor aan de Waarheid, en voegt u niet langer naar de begeerten uit de tijd dat gij nog zonder inzicht waart" (1 Petrus 1,14); "Zo iemand moet de rest van zijn aardse leven doorbrengen volgens Gods wil en niet langer volgens menselijke begeerten" (1 Petrus 4,2).
Het nieuwe leven komt tot bloei door de versterving van het oude: "Als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft, zult gij leven" (Rom 8,13). In de beproevingen en in de verstervingen leren wij afsterven aan de oude mens die ten dode is gedoemd, en zullen wij in God herleven. Juist zoals Jezus.
"Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid."
"Het Woord is vlees geworden." Niet: mens geworden. Menswording is geen evangelisch woord. Het suggereert iets van ontplooiing, ontvouwing in rustige harmonie. Dat is meer het mens-zijn van ongelovige humanisten. Het christelijk humanisme dat zich inspireert op de bestaanswijze van Jezus, ziet iets positiefs in een ongeschonden, gaaf mens-zijn, maar het heeft er ook een open oog voor hoe verwelken en neergang, ja lijden en dood bronnen van geluk kunnen zijn. Dat is het geluk van de zaligheden. Dat is het geluk van het kruis: "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd." Wanneer heeft de kerk namens wie Johannes in de eerste persoon meervoud spreekt, zijn heerlijkheid aanschouwd? Op het kruis. De beschouwing of contemplatie komt tot voltooiing, wanneer men Gods heerlijkheid aanschouwt in het kruis van Jezus en in zijn eigen lijden: "Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort" (Joh 12,23-24). En wat is dat dan voor een heerlijkheid? "Als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid." Aan het kruis wordt de liefde van de Vader voor de Zoon zichtbaar. Wat God voelt voor zijn eniggeboren Zoon, dat voelt Hij voor ons. Wat voelt God voor Jezus? Alles. Want Hij heeft er maar één van: "Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven" (Joh 3,16). Die liefde van de Vader voor de Zoon, geeft Hij ook aan mij.
Aan het einde gesprekjes voeren, zodat alle gedachten die ik tijdens het gebed heb gehad, weer afgegeven worden. Eerst aan Jezus en dan aan de Vader van wie Jezus het Woord is, het vleesgeworden Woord.
Na afloop van het gebed is het een goed moment om zich in een reflexie er rekenschap van te geven door wat voor geesten of krachten men werd geleid. Het is nodig om zich daar altijd bewust van te maken, maar het einde van het gebed is een bevoorrecht ogenblik, omdat men zich dan heeft opengesteld voor de heilige Geest. De heilige Geest brengt ook altijd zijn gave mee: de gave van de discretie of de onderscheiding van de geesten.