donderdag 3 januari 2008
Heilige Naam van Jezus
Eerste lezing: 1 Johannes 2,29-3,6 [I 59]
Evangelie: Johannes 1,29-34 [I 60]
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd zag Johannes Jezus naar zich toekomen en zei:
Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.
Deze is het van wie ik zei:
Achter mij komt een man die vóór mij is,
want Hij was eerder dan ik.
Ook ik kende Hem niet,
maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden,
daarom kwam ik met water dopen.
Verder getuigde Johannes:
Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen
en Hij bleef op Hem rusten.
Ook ik kende Hem niet,
maar die mij gezonden had om met water te dopen,
Hij had tot mij gesproken:
Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten,
Hij is het die doopt met de heilige Geest.
Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd:
Deze is de Zoon van God.
Homilie
Ook ik kende Hem niet." Tot tweemaal toe beweert Johannes de Doper dat hij Jezus niet kende. Maar hoe zou hij Hem niet gekend hebben? Was zijn moeder Elisabet niet een verwante van Maria, de moeder van Jezus? Zegt de engel niet tegen Maria dat "Elisabet, uw bloedverwante, uw nicht, een zoon heeft ontvangen" (Lc 1,36). Een kind in haar schoot, als teken van de waarheid. Ze kenden elkaar, hoe kan Johannes de Doper dan zeggen dat hij Jezus niet kende? Blijkbaar is er kennen en kennen, is er weten en weten. Er is het weten van de mens, wat sint Paulus 'het weten naar het vlees' noemt, het kennen naar het vlees. Zo kende Paulus Jezus voordat Hij hem geopenbaard werd bij Damascus. Hij kende Hem naar het vlees, maar hij kende Hem nog niet naar de geest.
Zo is het Johannes de Doper ook vergaan. Hij, die hij kende naar het vlees, begon hij op een gegeven ogenblik te kennen naar de geest, een door God ingestorte kennis. Een kennis die men alleen kan hebben wanneer men deel heeft aan het wezen van God. Een ingestorte, beschouwelijke kennis, een kennis door ervaring, door aanraking, zoals wij met de zintuigen kennen, de dingen aanraken, ervaren en zo kennen. Zo is het ook met God. Zo heeft God Zich ook doen kennen. ",Het Woord is vlees geworden (Joh 1,14). En toen Johannes de Doper Hem zo leerde kennen, maakte zich een schroom van hem meester. Hij week als het ware achteruit, een gevoel van onwaardigheid overviel hem. Ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken (Joh 1,27), en Ik heb úw doopsel nodig en Gij komt tot mij?" (Mt 3,14).
Is Jezus dan veranderd? Nee, Jezus is niet veranderd, Johannes is veranderd. En welke verandering heeft zich dan in hem voltrokken? Welke verandering moet zich in ons voltrekken willen wij Hem kennen zoals Hij is, willen wij in Jezus de Christus, in de vernederde, de Verheerlijkte kunnen zien? De barrière om dat te zien is onze zondigheid. Of liever gezegd niet onze zondigheid, maar dat wij geen weet hebben van onze zondigheid. Als ons een licht opgaat over onze duisternis, dan gaat het licht op over de duisternis van Jezus' menselijke gestalte.
En zo is het ook gebeurd, uiteindelijk, aan het kruis. "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, vol genade en waarheid" (Joh 1,14), toen die twee werden samengebracht, toen wij in het één het ander zagen. Niet slechts een menselijke gestalte, maar Iemand die zijn menselijke gestalte heeft losgelaten, Zichzelf heeft gegeven tot op de bodem, Zich tot op het bot heeft laten vernederen. Toen Hij de laatste plaats heeft ingenomen en daarin de heerlijkheid Gods ontmoet, God die Zich neerbuigt over zijn vernederde Zoon en Hem opwekt uit de dood. Die twee samen moeten we niet uit elkaar halen, maar in elkaar laten.
Straks wordt de Heer hier weer ter aanbidding uitgesteld in de offerschaal. Geen prachtige monstrans, wel een zekere heerlijkheid, maar toch heel laag, heel klein, een beetje armzalig. Soms ergeren mensen zich over deze wijze van uitstellen. De Heer komt toch wel meer toe? Het kan nooit zo klein als God de Vader zijn eigen Zoon heeft uitgesteld onder de mensen, in een gewone gestalte, ja zelfs in een onmenselijke gestalte aan het kruis. Iets daarvan mag u hier, in deze wijze van uitstellen, aanschouwen en leren liefhebben.