Woensdag na de Openbaring van de Heer
of 9 januari 2008
Eerste lezing: 1 Johannes 411-18 [I 73]
Evangelie: Marcus 6,45-52 [I 70]
Inleiding
'We komen tesamen onder het sterrenblinken'. We komen hier als Kerk bijeen onder het blinken van de ster uit de hemel. Hemel en aarde verenigen zich hier. Wij met onze aardse wensen, verlangens en verwachtingen, maar ook met ons aardse verdriet. Onze zegening en onze vloek. Wij komen onder het sterrenblinken bijeen om een straal uit de hemel ons hart te laten vallen.
Belijden wij dan eerst onze schuld om deze heilige geheimen goed te kunnen vieren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Na de broodvermenigvuldiging
dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan
en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Na afscheid van hen genomen te hebben,
ging Hij de berg op om te bidden.
Toen de avond viel, bevond de boot zich midden op het meer
en was Hij alleen aan land.
Omdat Hij zag dat zij zich aftobden om vooruit te komen
- de wind zat hun tegen -
kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake
te voet over het meer naar hen toe;
en Hij wilde hen voorbijgaan.
Maar toen zij Hem zo over het meer zagen gaan,
meenden zij dat het een spook was,
en ze schreeuwden het uit.
Want allen zagen Hem en raakten van streek.
Maar onmiddellijk begon Hij met hen te spreken en zei hun:
Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.
Hij klom bij hen in de boot en de wind ging liggen.
Ze raakten buiten zichzelf van verbazing,
want zij waren door het gebeurde met de broden
niet tot inzicht gekomen, maar hun geest was verblind.
Homilie
Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus
" Onmiddellijk, haastig, plotseling, met een zeker geweld, dwong Jezus hen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Weg vredige samenkomst. Door dit plotselinge einde wordt de voorlopigheid van onze tafelgemeenschap met Hem, die in die wonderbare broodvermenigvuldiging en dat samen eten werd betekend, aangegeven en roept Hij het verlangen naar het eeuwig gastmaal op. Zo geeft Hij aan deze maaltijd een richting, een verwijzing naar het gastmaal van het eeuwige leven. Als je zo het einde van de eucharistie zou beleven, als een teken van de voorlopigheid ervan. Het is nog niet het einde, maar het is wel het sacrament, en in zoverre is het wel het einde. Het is het einde in verborgenheid. Door haar voorlopigheid, door haar kortstondigheid, haar eindigheid, roept zij iets op van wat nooit meer een einde zal nemen.
Wij zijn misschien geneigd om hier te blijven zitten, maar nee, dat wat hier gebeurt moet in het gewone leven zijn vervolg vinden. We moeten niet alleen maar eucharistie vieren, we moeten eucharistie zijn. Dat is de rechte lijn naar het eeuwige leven. We moeten niet alleen naar het eeuwige leven streven, maar we moeten het eeuwige leven zijn, in ons hart ronddragen.
Scheiding dus, een verbreken van de eenheid tussen Jezus en ons, en daardoor komt het onderscheid tussen Hem en ons pas goed uit. Jezus is boven op de berg, "Hij ging de berg op om te bidden, bij God, alleen, en wij, wij zijn beneden op het meer, tobbers op de levenszee. Zij tobden zich af om vooruit te komen. De wind zat hun tegen." Een leven van verscheurdheid, tegenstellingen, tegenslagen, tegenwind. Dan wordt die tegenstelling nog duidelijker. Als God komt Hij naar hen toe, naar ons toe, op goddelijke wijze wandelend over het meer, Zich uitheffend boven de bestaansvoorwaarden van het menselijke en hen tegelijkertijd op goddelijke wijze toesprekend, geruststellend: "Weest gerust, Ik ben het. De naam van God uitsprekend: Ik ben die ben." Vrees niet.
Zij schreeuwend van angst, en Hij rustig en geruststellend. Het is een momentopname, die aanschouwelijk, met rake trekken getekend, in kort bestek weergeeft wat zich in heel de heilsgeschiedenis afspeelt. En wat sint Jan met meer beschouwelijke woorden in zijn eerste brief weergeeft: "En wij hebben gezien en wij getuigen dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden, de Heiland van de wereld. Dat maakt ons dus gerust, als wij ons tenminste in geloof voor zijn liefde openstellen. Liefde laat geen ruimte voor vrees. De volmaakte liefde, het volmaakte geloof drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf en God is niet gekomen om te straffen, om te oordelen en te veroordelen, maar om te vergeven." Wie vreest, is niet volgroeid in de liefde tot de barmhartige God.