Hoogfeest van Kerstmis,
         nachtmis
Eerste lezing: Jesaja 9,1-3.5-6 [A16]; antwoordpsalm: Psalm 96,1-2a.2b.3.11.12.13 [A16];
tweede lezing: Titus 2,11-14 [A17]; vers voor het evangelie: Lucas 2,10-11 [A18]
Evangelie: Lucas 2,1-14 [A18]

De lezingen zijn gemeenschappelijk in de cycli A, B en C


Inleiding
 

"De Heer sprak tot Mij: Gij zijt mijn Zoon. Ik heb U heden in het leven verwekt." Een geboorte uit de hemel! Hier is geen sprake van geboorte uit vader en moeder, Maria en Jozef komen er niet aan te pas. Zo zijn wij deze nacht ook begonnen met de Metten. Psalm 95 had als refrein: "God heeft gesproken: Gij zijt mijn Zoon. Ik heb U heden voortgebracht." We hebben het zevenmaal gezongen en toen nog eens een keer in de eerste nocturne, psalm 2, dezelfde psalm waaruit deze introïtus is genomen. Het is geen geboorteverhaal, geen biografie, maar een verkondiging, een geloofsverkondiging. Stel dat ouders bij hun pasgeboren kind niet de geboortedag als datum van geboorte opgeven, maar de dag van het doopsel, wanneer het kind een kind van God is geworden. Zoiets moet u zich vannacht voorstellen bij Jezus. Wij vieren zijn geboorte niet als een kind van mensen, een mensenkind, maar als een Kind van God, de Zoon van God. Met Pasen horen wij: "Wij verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan, voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen”, zoals ook geschreven staat in de tweede psalm: “Gij zijt mijn Zoon, Ik heb u heden verwekt" (Hnd 13,32.33). Paulus sprak dit tot de Joden in Antiochië na de dood en verrijzenis van Jezus. Wat het geloofsgoed is van de Kerk, dat Jezus door zijn verrijzenis door God tot Messias en tot Zoon en Heer is gemaakt, dat wordt nu door de Kerk ook getuigd van zijn conceptie en van zijn geboorte. Hij is God in héél zijn bestaan, Hij is van de ontvangenis tot de geboorte toe Zoon van God, opdat wij door zijn menswording zouden worden tot kinderen van God.
De prefatie heeft dat op een klassieke wijze tot uitdrukking gebracht: 'Heden heeft Hij het licht van de verlossing gebracht, door een ruil aan te gaan met mensen. Uw woord nam onze zwakheid aan; onsterfelijke eer valt ons ten deel.' Door een wonder wordt Hij een der onzen en verheft ons zo tot zijn eeuwigheid. Zijn nederdaling leidt tot onze verheffing. Hij, ver beneden zijn stand en wij, ver boven onze stand. Een duizelingwekkende vernedering bij Hem, een duizelingwekkende verheffing bij ons.
Beginnen we dan deze eucharistieviering in deze kerstnacht met ons te vernederen, door ons aan te sluiten bij zíjn vernedering, - gelijk geworden aan de mensen, aan de zondaars, - om ons opnieuw aan zijn barmhartigheid toe te vertrouwen en ons opnieuw te laten verheffen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus
dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk.
Deze volkstelling had voor het eerst plaats
eer Quirinius landvoogd van Syrië was.
Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad,
om zich te laten inschrijven.
Ook Jozef trok op
en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David
ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret
naar Judea, naar de stad van David, Betlehem geheten,
om zich te laten inschrijven,
samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was.
Terwijl zij daar verbleven
brak het uur aan waarop zij moeder zou worden;
zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe,
omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.
In de omgeving bevonden zich herders
die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten.
Plotseling stond een engel van de Heer voor hen
en zij werden omstraald door de glorie van de Heer
zodat zij door grote vrees werden bevangen.
Maar de engel sprak tot hen:
“Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap
die bestemd is voor heel het volk.
Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer,
in de stad van David.
En dit zal voor u een teken zijn:
gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.”
Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare;
zij verheerlijkten God met de woorden:
“Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen
in wie Hij welbehagen heeft.”

Homilie

“De engel sprak tot de herders: Zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap.”
De engel was de eerste evangelieverkondiger, Jezus was de tweede. “Hij heeft Mij gezalfd,” zegt Jezus als Hij in Nazaret is, “om aan armen de Blijde Boodschap, het evangelie, te brengen." Hij blijft echter niet in Nazaret, want Hij moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Rijk Gods brengen (vgl. Lc 4,43). De derde generatie, om het zo maar eens te zeggen, waren de leerlingen. Zij werden er door Jezus opuit gestuurd om het evangelie te verkondigen en genezingen te verrichten. En zijn wij dan de vierde generatie van evangelieverkondigers? Doen wij aan herevangelisatie, aan steeds maar weer het evangelie verkondigen? Hoe gaat dat dan? Wat moet je daar voor doormaken?

De Blijde Boodschap komt, zoals dat hier in het evangelie wordt verteld, uit een andere wereld. Zij komt niet van de mensen, zij komt van God, en dat wordt met alle mogelijke middelen weergegeven. "Plotseling stond er een engel des Heren voor hen (de herders)." Plotseling! Je kunt je er niet op voorbereiden. Ineens, vanuit een andere tijd, vanuit een andere wereld, is het er. Je kunt het niet zien aankomen. Het hoort helemaal niet binnen deze tijd, binnen deze ruimte, op deze aarde. Het komt uit een andere wereld, vanuit een andere dimensie.

Het is dan ook een engel des Heren, iemand van Godswege, die de Blijde Boodschap verkondigt. God, die eindeloos verheven op een eindeloze afstand blijft, komt niet zelf. Door zijn engel te zenden, onttrekt Hij Zich aan ons, maar door zijn engel komt Hij ons ook heel nabij, trekt Hij Zich ons aan. Hij is ons zó nabij, nog meer nabij dan wij onszelf nabij zijn. "Ze werden omstraald door de glorie des Heren, zodat zij door grote vrees werden bevangen." De herders kregen deel aan Gods heerlijkheid. Het is niet voldoende om in heilige boeken te lezen, om het evangelie te kunnen verkondigen moet je je door het Woord van God laten raken, ja, moet je je door God laten raken. Zoals Jesaja, een evangelieverkondiger in het Oude Verbond: "In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs riepen elkaar toe: Heilig, heilig, heilig, de Heer van de machten; al wat de aarde vult is zijn heerlijkheid. En ik, Jesaja, zei: Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de Koning, de Heer van de machten, gezien" (Js 6,1-3.5).

Zoiets moet de mens doormaken. Hij moet weten, dat hij niet beter is dan wie ook. Zoals de herders: "Zij werden omstraald door de glorie des Heren, zodat zij door een grote vrees werden bevangen. En zoals de leerlingen op de berg van de gedaanteverandering. “Een wolk overschaduwde hen, een wolk van heel ver komt dichtbij, en uit die wolk klonk een stem: Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem. Op het horen daarvan werden zij door een hevige vrees bevangen" (Mt 17,5.7). Hier vindt een ontmoeting plaats met de andere wereld, met de wereld van God, met God zelf, met zijn heiligheid. Op dat moment wordt de mens zich ervan bewust, hoe hij steun heeft gezocht buiten God, bij de schepping, bij de dingen, bij de mensen. Op het moment dat God verschijnt met zijn heerlijkheid, met zijn heiligheid, wordt de mens zich ervan bewust dat hij zich heeft vastgegrepen aan een strohalm; als die afbreekt, valt hij in een eindeloze leegte. Een hevige angst grijpt hem aan. Hij zou het besterven van schrik als God hem niet door zijn engel zou hebben opgevangen: "Vreest niet." Die woorden gaan gepaard met een geruststelling, een gerustheid veel groter nog dan de vrees die hen eerst overviel. Zij werden op een nieuwe manier aan zichzelf teruggeschonken. "Vrees niet.” Dat is de inhoud van het evangelie: “Ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk: Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David."

Wij zijn gered, wij, die ons hebben vergrepen aan onszelf. Maar God heeft ons dat laten zien en op het moment dat we dat hebben ingezien en de consequenties ervan hebben doorzien, heeft Hij ons opgevangen. Vrees, slaafse vrees, mag wijken voor vrede. De angst voor God, de angst van Adam en Eva na de zondeval, toen ze zich verborgen voor God uit angst Hem te ontmoeten, mag wijken voor de vrede. Die angst ligt aan het fundament van heel het menselijk bestaan. Maar het fundament van het nieuwe bestaan, van de nieuwe schepping, is vrede. Wees maar niet bang. Wie is er nu bang voor een kind? "En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren Kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe."

Dat wordt na het solo-optreden van de ene engel nog eens bevestigd door het slotakkoord van een heel koor van engelen. Weer plotseling, weer opeens. Je kon het weer niet aan zien komen, het kwam weer niet uit onze tijd, vanuit onze wereld, het kwam vanuit een andere wereld. Een hemelse heerschare, iets van God. "Zij verheerlijkten God met de woorden: Eer aan God in den hoge. En wat nu met de mensen? “En op aarde vrede onder de mensen in wie God welbehagen heeft." God en mens, heiligheid en zondigheid, zij worden opnieuw bij elkaar gebracht door Gods barmhartige liefde.

De mens, die is weggevallen uit God, die Hem de rug heeft toegekeerd, die zich vastgrijpt aan een strohalm, bestemd om de eindeloze leegte tegemoet te ijlen, hij wordt door Gods vredesinitiatief teruggebracht. Hier ben Ik en Ik breng u vrede. Wees maar niet bang! Vrede in plaats van vrees. Een vrede die de wereld niet geven kan. Een vrede op het allerdiepste niveau voor mensen die verzoend zijn met God, met zichzelf en met heel de mensheid. Dat zijn de verkondigers van het evangelie. Dat moet je eerst hebben doorgemaakt. Eerst moet je zelf evangelie zíjn. God heeft een lichaam aangenomen, Hij heeft Zich met de mens vereenzelvigd. De hemel zelf heeft Zich geïncarneerd, is vlees geworden. Nu kan het niet meer stuk. Hij heeft een onverwoestbaar onderpand gegeven. Het kwaad mag nog zo groot zijn, de duisternis nog zo dicht, de mensen mogen er nog zo weinig in zien, het kwaad mag zich torenhoog verheffen, Gods vrede is groter, zijn liefde, zijn Zoon.